Wat voor gitaar heb je?

Op gevoel (4) Wat voor gitaar heb je?

radio Veel foto’s van gitaarspelende mensen uit de jaren vijftig en zestig verraden aan het kennersoog goedkope klankkasten van triplex, kromgetrokken halzen en snaren die pas werden vervangen wanneer ze braken. De snarenfabricage had nog niet die fijnzinnigheid van nu, je kon ze nog niet in verschillende maten kopen, ze waren stug en door de slechte gitaarhalzen lagen ze vaak hoog boven de toets. Gitaar leren spelen had iets van atletiek, je moest krachtige vingers kweken wilde je ooit in staat zijn een barré-akkoord te pakken, dat wil zeggen met een gestrekte wijsvinger zes snaren tegelijk indrukken. Wie dát kon, wie dát liet zien, was in ieders ogen bijkans virtuoos.

Gitaren hingen tuttig met een koord rond iemands nek, soms gewoon met een stuk padvinderstouw, die striemen achterliet in de hals van de gitarist. Amateurisme lees je af aan hoe de vingers van de rechterhand over de kast werden gelegd, soms met de vingertoppen rond de zijkant gekromd. Toch klonk de muziek goed, als mijn herinnering me niet bedriegt.

De zelfbewuste gitarist liet zijn gitaar klinken vanuit elke houding, bij voorkeur nonchalant met een blasé smoelwerk achteroverhangend in een luie stoel. Dat waren de vingervlugge jongens naar wie je bijna niet durfde te kijken, zó goed speelden ze vergeleken met al die andere Indo’s, die zonder uitzondering gitaar speelden of voordeden dat ze het konden.

Waar mijn broertje en ik op letten wanneer we een foto zagen van een Indo met gitaar: speelt hij de akkoorden alleen bovenaan bij de kop van de gitaar of laat hij zijn vingers ook in de hoogste regionen dicht bij de klankkast jongleren? Dat laatste was toen een teken van virtuositeit. Wanneer Indo’s met de gitaar op de foto gingen, zorgden de showbinken ervoor dat ze hun vingers hoog onderin lieten dansen, een beetje wegkijkend van de camera, de gedachten elders om elke schijn te mijden dat hier werd geposeerd.

De besten speelden jazz. Die grepen akkoorden die vreemd waren en duister klonken. Dat deden de oudere Indo’s, die zich het liefst stilletjes in een achterkamer met alleen hun gitaar terugtrokken.

De radio liet op de zondagochtenden dixieland uit de polder horen. Het was moeilijk een buitenlandse zender te vinden waarop je de gitaar in haar volle glorie kon horen. Mijn vader klaagde erover. Hij sprak niet alleen van krontjong, maar bovenal van Hawaiian-muziek. Ze schenen ook in Den Haag te zitten, een paar van die Hawaiian-orkestjes, waarin vaak vrouwen een vooraanstaande rol opeisten, de gitaar plat op schoot, de snaren beroerend met een lipstickkoker als ze geen flessenhals of metalen bar hadden. Ik kreeg ze nooit live te zien, maar wanneer ik eens een Hawaiian-nummer op de radio hoorde, viel mijn mond open om al het moois dat je met een gitaar kon doen.

Terwijl vriendjes en kennissen in gevecht waren met hun instrumenten, toonde mijn vader weinig oog voor hun geploeter. Hij had een gitaar en droomde van Amerika. Ik had een speelgoedauto met een afgebroken wiel en droomde van een gitaar.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Hey, speel jij gitaar?

Op gevoel (3) Hey, speel jij gitaar?

melis stokelaan 1951 Den Haag Zuid-West, jaren vijftig. Lange lanen, eindeloze portiekwoningen, men plant rijtjes jonge bomen die zielig zijn vergeleken met de rimboe waarover mijn vader spreekt. Hier geen tijgers in de struiken rond onze nieuwbouwwoning, geen krokodillen in de zeven sloten die ons huizenblok van Loosduinen scheiden, zelfs geen vleermuizen die je met een jachtgeweer onder het dak vandaan kunt schieten. Wij kinderen doorkruisen een baksteenjungle, we spelen tikkertje en verstoppertje in de zijstraten. Op de lanen kom je elkaar snel tegen. Hollanders zijn groot en sterk maar niet gevaarlijk, ze kunnen me niet inhalen wanneer ze jacht op me maken. Indo’s zijn vaak kleiner maar gevaarlijk, ze kunnen allemaal vechten. Nog erger is dat ze allemaal gitaarspelen. Er ligt bij hen immer die ene borende vraag op de lippen: ‘Hey, speel jij gitaar?’

De een of andere vreemde Indo uit een zijstraat monstert me nadat hij mij de gevreesde vraag heeft gesteld.

‘Tuurlijk,’ antwoord ik.

Hij kijkt onderzoekend naar mijn vingers. ‘Hoeveel liedjes kun jij al spelen? Speel jij Hello Mary Lou?’

‘Nee, nog niet.’

‘Je moet spelen A D E. Weet je?’

‘Ja.’

‘Maar mijn oom, hij speelt C F G, dat is moeilijk, met barré. Hij zit in een band. Zeg, zit jouw vader in een band?’

‘Nee, hij speelt alleen.’

‘Waarom alleen? Zeg, ik woon in de Zwartsluisstraat, kom langs op woensdagmiddag en neem je gitaar mee, ja? Nummer 9.’

Hij wandelt rustig verder, ik kijk hem na, ik zie aan zijn houding dat hij echt gitaar kan spelen. Dát moet mijn lichaam ook gaan zeggen, zó moet ik voortaan over straat lopen.

Eerst snel naar huis rennen, waar mijn moeder opendoet en me toesnauwt dat ik buiten hoor te spelen met dat mooie weer. Ik verzin een smoes, wacht mijn kans af en sluip de verboden slaapkamer in. Ik onderzoek de toets met de positiestippen op de hals van de gitaar en vraag me af hoe lang het zou duren voordat je die snaren ingedrukt kunt houden zonder pijn te krijgen aan je vingertoppen.

‘Ga weg bij die gitaar! Die vader van je vermoordt je nog!’

De Zwartsluisstraat… Die moet ik mijden. Straks roept die Indo me nog naar binnen. Ik moet elke Indo mijden totdat ik op zijn minst Hello Mary Lou kan spelen.

Geen ontsnapping mogelijk. Op een zondagmiddag neemt mijn vader me mee naar ‘Indische kennissen’ aan de Erasmusweg. Het huis ruikt naar gebakken tahoe en ikan teri, de speelkaarten op de salontafel zijn vet. Ik denk dat ik geluk heb wanneer mijn vader me naar de slaapkamer stuurt, naar de kinderen van de familie. Ze zitten er bijeengehokt op een stapelbed. Een van hen heeft een gitaar op schoot. Een lied komt driestemmig uit hun monden en ik kijk steels naar de vingers van het meisje dat de troep begeleidt.

Na het slotakkoord reikt het meisje mij haar gitaar aan: ‘Nu jij.’

Ik grijns en maak een verontschuldigend, afwerend gebaar.

Iemand roept: ‘Wah! Hij kèn niet!’

‘Hij ken wel,’ zegt het meisje, ‘elke Indo ken. Itoe maloe, hij is verlegen.’

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Verplicht meubelstuk

Transportschip de Groote Beer, die mijn vader naar Nederland bracht.

groote beer schip

Op gevoel (2) Verplicht meubelstuk

Er zat geen gitaar in mijn vaders hutkoffer op zijn bootreis van Java naar Holland in 1950. Zo snel mogelijk na aankomst schafte hij een goedkoop ding van triplex aan, in mijn ogen een pronkjuweel, en hing het aan de muur. Mijn vader speelde niet veel. Ik herinner me maar één avond waarop ik met mijn broertjes en zusjes rond hem op bed zat om te zingen van de stencils die hij in een strenge ordner bewaarde.

Hij speelde niets uit het volksrepertoire van zijn moederland. Terang Bulan. Nina Bobo. Bengawan Solo. Niets van dat. Zijn favoriete liedjes kwamen van Jim Reeves, een Amerikaanse zanger die in de jaren vijftig populair was onder Indo’s, vanwege zijn zoetheid en weemoed. Verder ordinaire Amerikaanse liedjes, die hij ongetwijfeld van zijn geallieerde makkers moest hebben geleerd, zoals South of the Border, waarin de bezongen liefde in Mexico woont. Mexico! Mijn vader koesterde The American Dream, maar zijn hart ging uit naar Mexico, misschien omdat hij dacht dat hij daar als Indo minder zou opvallen.

Met zijn verleden op Java, zijn struggle in Holland en zijn droom in Mexico moest hij toch een sterk motief hebben om gitaar te spelen? Maar ik hoorde vaker geratel van de hamertjes uit zijn schrijfmachine komen dan muziek uit het klankgat van zijn gitaar.

Misschien speelde hij wel stilletjes, zodat we het niet hoorden. Soms zag ik dat zijn gitaar van de muur was gehaald en dus ergens in de slaapkamer moest staan. Het was verboden zijn gitaar aan te raken. Ze was nauwelijks een instrument, eerder een meubelstuk en ze kreeg die behandeling ook: regelmatig werd ze in de teakolie gezet, nogal fnuikend voor de hals, die door het vocht krom ging trekken.

Als ik eens het streng verboden gebied van mijn ouders slaapkamer betrad, viel ik op mijn knieën voor het instrument, pakte voorzichtig de hals vast zodat de gitaar niet om zou vallen en liet mijn duim zachtjes langs de snaren gaan. Die vreemde moderne gitaarstemming was betoverend en angstaanjagend tegelijk. E A D G B E… díe stemming, zo anders dan de harmonieuze krontjong- of Hawaiian-stemmingen. De klank van die open snaren roept zelfs nu nog de herinnering in mij op aan de oorlogsboeken die rond het bed van mijn ouders lagen opgestapeld, en aan die koude mariniersdolk onder zijn hoofdkussen voor als de een of andere Indonesische vrijheidsstrijder ’s nachts uit de lucht kwam vallen om hem de strot door te snijden om wat hij had gedaan, dáár, ooit, op Java.

De gitaar was een verplicht meubelstuk, omdat elke Indo nu eenmaal zo’n ding moest hebben. Dat wist ik toen niet. Ik verlangde naar de muziek uit het klankgat, als zalving voor de bloederige oorlogsverhalen die mijn nimmer zwijgende vader avond aan avond door de huiskamer liet galmen. Waarom hield die man nooit eens op met zijn slachtoffers te tellen? Waarom zweeg hij niet en speelde hij niet gewoon gitaar, zoals zijn vrienden deden? Waarom beantwoordde hij niet gewoon aan het cliché van de Indo?

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Een gitaar gesneuveld

Mijn vader A. Birnie/Birney links op de foto, zonder gitaar +/- 1948

birney links anno 1948

Op gevoel (1) Een gitaar gesneuveld

Als jongeman zag mijn vader in Soerabaja de Vliegende Sigaren van de Japanse luchtmacht zijn ouderlijk huis aan puin bombarderen, hij zag Japanse soldaten burgers onthoofden, hij werd gemarteld wegens sabotage in dienst van het zogenoemde Vernielingskorps en in een ijzeren kist onder de brandende zon te smoren gelegd, hij zag Japanse soldaten Australische krijgsgevangenen in open bamboekisten aan de haaien voeren, hij zag Punjabi-soldaten in Engelse dienst Japanse soldaten besluipen en ze de strot doorsnijden, hij hoorde over de dood van een neef aan de Birma-spoorlijn, hij hoorde hoe zijn lievelingsoom door Japanse soldaten was doodgemarteld op het landgoed van zijn vaders familie, hij verraadde de Japanse vriend van zijn zuster, die als animeermeisje aan de kost kwam, hij wees de geallieerden de weg in de hitte van de Javaanse Oosthoek, waar opstandige Indonesiërs ondersteboven hangend aan de enkels werden verhoord terwijl hij optrad als tolk en de schrijfmachine hanteerde, hij hielp de geallieerden met het platbranden van desa’s, hij zag brandende opstandige jongelingen schreeuwend van de pijn hun eenvoudige huisjes uit rennen en overhoop geschoten worden, hij leerde schieten en doorzeefde op een treinstation een vrouw en zuigeling, achter wie een Javaanse vrijheidsstrijder zich had verscholen, hij kreeg als hoofd van de afdeling Verhoor van Gevangenen in Djember de hardnekkigste zwijgers aan het praten, hij reed met een pantserwagen op een landmijn en stortte tachtig meter een ravijn in, hij kreeg het bevel van een Hollandse adjudant om het transport te begeleiden van 100 gevangenen van de stadsgevangenis van Djember naar het station Wonokromo en mocht aan het einde van de veertien uur durende rit 46 lijken van gestikte mensen uit de goederentrein slepen, hij vond een Indo-vriend terug die zichzelf voor zijn kop had geschoten nadat hij had ontdekt dat zijn meisje met een Hollandse soldaat het bed had gedeeld, hij maakte tijdens de Bersiap-tijd jongens af met wie hij nog een appeltje te schillen had, maar het ergst van alles vond hij dat tijdens de Eerste Politionele Actie de hals van zijn gitaar brak.

Het gebeurde tijdens het passeren van twee elkaar tegemoetkomende convooien. Iemand hield de loop van zijn mitrailleur niet binnenboord en hij de hals van zijn gitaar niet. De mitrailleur was van onbekende makelij, de gitaar een originele Amerikaanse Gibson, de droom van elke Indo, een instrument waar alle grootheden op speelden, een juweel waarvoor je zelfs het mooiste meisje uit de stad zou inruilen.

De gitaar had hem en zijn kornuiten vergezeld en zo lang zij leefde, leek de oorlog op een gezellig schoolreisje: beetje rondlopen, beetje keten, beetje kanen, lekker krontjongen in de desa en gluren naar de vrouwen die zich wassen in de rivier, al die schelmenverhalen die ik als kleine jongen avond na avond van hem moest aanhoren. Maar als die gitaar nou niet was gesneuveld, had ze dan mensenlevens kunnen sparen?

Ik bedoel: je verhoort een gevangene en je ziet hem aldoor gluren naar je gitaar. Dan vraag je hem wat te spelen en hij speelt de sterren van de hemel. Martel je zo’n jongen dan nog het leven uit?

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Het verloren lied 20

radio-antenne We verhuisden midden in de zomervakantie, ik was negen geworden, we vertrokken geloof ik met huurschuld, misschien omdat grootvaders toelage weg was gevallen, er werd geheimzinnig over gedaan.

Ons nieuwe huis lag in een blok naoorlogse portiekwoningen aan een asfaltweg met uitzicht op weilanden. In de verte de rotte onderkaak van Loosduinen onder een wispelturige hemel. Op de weilanden graasden paarden, geen koeien. Tussen de asfaltweg en het grasland liep een brede, modderige strook waar een reusachtige onzichtbare hand een lawine van enorme keien had doen neerkomen, ooit. Ze strekten zich uit zo ver mijn oog links en rechts reikte vanachter mijn slaapkamerraam. De jongens uit de straat noemden ze `de rotsen’, ik hoorde hun stemmen door mijn open raam komen terwijl ik speelde op mijn mondharmonica.

Meer lezen over de jaren zestig volgens Alfred Birney? Het boek telt 248 fragmenten over 320 bladzijden. Bestel het bij: BolCom