Yournael Jacatra IX – Waarheen?

Gerard T. vliegt een dag eerder terug naar Nederland, ik heb nog gastcollege voor de boeg. Na het uitchecken hangt hij een poosje rond in de lounge, waar hij verzucht dat hij er doodmoe van is. Waarvan? Van het feit dat je kunt knokken wat je wilt, maar dat ze – de grootboekhouders van de Nederlandse literatuur – gewoon geen oog hebben voor de Indische literatuur. Hij, Gerard T., loopt al jaren mee, en heus, er is geen andere mogelijkheid om aandacht te vestigen op de Indische literatuur dan door het in gang houden van het kwartaaltijdschrift Indische Letteren.
     
Ik plaats een kanttekening bij de progressiviteit van het blad. Er wordt veelvuldig teruggekeken en te weinig serieus onderzoek gepleegd naar wat er nu geschreven wordt. Bovendien is het nogal suf je neer te leggen bij de dominantie van de grootboekhouders der Nederlandse literatuur.
     
‘Luister,’ zegt hij: ‘ik ben gepromoveerd op een proefschrift over Daum. Weet je wie mijn promotor was? Ton Anbeek! Ik slaagde cum laude en die Anbeek bestaat het om maar één alineaatje over Daum op te nemen in zijn overzichtswerk.’
     
‘En helemaal niets over Hella Haasse, als ik me niet vergis.’
     
‘Is dat zo? Nou, is dat dan geen bewijs voor zijn onverschilligheid voor de Indische literatuur?’
     
‘Nee, want Hella Haasse schrijft nauwelijks Indische literatuur.’
     
‘Maar haar bekendste boeken zijn Indisch, niet?’
     
‘Ja, zo worden ze genoemd, en ook die van andere totoks, het zijn altijd de totoks die de aandacht krijgen. Hoe zou dát nou komen? Stellen jullie je die vraag weleens in Indische Letteren?’
     
‘In ons tijdschrift is alle ruimte voor de meest diverse geluiden.’
     
‘Goed, maar waar blijven jullie nou met dat overzichtswerk? Met een voltallige redactie van Indische Letteren moet het toch mogelijk zijn om zoiets samen te stellen? Als je dat doet en bovendien je best doet om dat werk dan te promoten, dan is de kans veel groter dat de grootboekhouders de Indische literatuur serieus nemen dan wanneer je blijft hangen in die veilige club van de Indische Letteren.’
     
‘Alfred, het is helemaal niet zo erg hoor om bij een club te horen, het is juist erg prettig.’
     
‘Nou, maak dan eens een vuist samen.’
     
‘Alfred, het interesseert ze niet.’
     
‘Dan zorg je ervoor dat het ze wél gaat interesseren. Waarom nemen jullie geen plaats in een commissie als er moet worden gediscussieerd over een nieuwe Nederlandstalige literatuurgeschiedenis?’
     
‘Bert Paasman zit in zo’n commissie.’
     
‘In zijn eentje zeker.’
     
‘Ik ben niet gevraagd, want ik ben verbonden aan een instituut. Men neemt alleen mensen van universiteiten, ik weet ook niet waarom.’
     
‘Het gaat om een verandering van perspectief.’
     
‘Ja, en dat ligt bij hun, hoe je het ook wendt of keert. Ik maak me daar niet langer meer druk om,’ besluit Gerard T. trots.

lezing

Waar we over spraken: op 17 januari 1997 vond er in het gebouw van de Eerste Kamer een studiedag plaats, georganiseerd door de Nederlandse Taalunie. Een groep Neerlandici en literatuurwetenschappers discussieerde er over de uitgangspunten van een nieuwe geschiedenis van de ‘Nederlandstalige’ literatuur. Vanaf het jaar 2004 zal dit omvangrijke overzichtswerk deelsgewijs moeten verschijnen.
     
Het project was nog niet begonnen of men stuitte al op de volgende ‘problemen’: hoort de Vlaamse literatuur al dan niet bij de Nederlandse? Moeten Surinaamse auteurs opgenomen worden? En: is er nog wel sprake van een Indische literatuur?
     
Met andere woorden: als men daarmee al moeite heeft, dan zal men ook geen oog hebben voor de Tweede Generatie Indische schrijvers, al is die groep nog zo bekend. Groter nog lijkt de moeite die men heeft met het loslaten van het halsstarrige denken aan de Nederlandse literatuur. En dat zit dan te vergaderen over de NederlandsTALIGE literatuur.

Ik ga een beetje verder met mopperen in die trant wanneer ik de volgende ochtend achter een tafel in een smoorhete collegezaal aan de Universitas Indonesia mijn gastcollege geef. Kees Groeneboer, mijn gastheer, heeft me verzocht om onder andere over mijn bloemlezing te vertellen en daar begin ik mee, te verhalen over het beeld van de Indo in de koloniale literatuur.
     
Of de studenten mijn eerdere lezing op de conferentie helemaal hebben begrepen, weet ik niet. Misschien was het wel een onzinnige lezing, eentje die je in Den Bosch moet geven en niet in Jakarta, en had ik beter iets voor kunnen lezen uit eigen werk.

Ik heb voor de studenten wat exemplaren meegenomen van Vogels rond een vrouw, gratis door mijn uitgever ter beschikking gesteld. Ik lees eruit voor en de vragen die enkele studenten aan het einde stellen gaan over de rol van de Indo in de onafhankelijkheidsstrijd (van een jongen), over de rol van de njai in het oude Indië (van een meisje) en over bijgeloof (van een ander meisje).
     
De vragenstellers zijn degenen die helemaal vooraan zitten. Van Widjajanti, die met me mee is gekomen, begrijp ik later dat dat vaak de beste studenten zijn.
     
En studente overhandigt me als dank voor mijn aanwezigheid een pakje. Dat maak ik pas later open, naar Indonesisch gebruik. Het is een T-shirt met de naam van de faculteit erop. Eerder was mij al een oorkonde overhandigd en een ander geschenk: een schitterend pennenbakje van djatihout.

Kees Groeneboer, academisch adviseur van de Vakgroep Nederlands,
ontvangt me nog even in zijn kantoor met zijn stafmedewerkers om zich heen. Hij laat me op verzoek zijn boek zien waarnaar zo veelvuldig wordt verwezen in wetenschappelijke teksten: Weg tot het Westen; Het Nederlands voor Indië 1600-1950; Een taalpolitieke geschiedenis. (Leiden: KITLV, 1993).
     
Kees G. zit al voor de tweede maal zes jaar achtereen in Indonesië. Als ik de studenten zo om me heen meemaak, dan kan ik me goed voorstellen dat hij zich hier lekker voelt. Ze hebben een adat, een manier van doen, die je niet in Holland aantreft. Je ziet het wel deels bij Indo’s doorschemeren, maar die zie je zelden in een groep om je heen, ze gaan op in de massa, maken zich cultureel onzichtbaar, zoals ik dat deed in mijn vroegste werk.
     
Widjajanti en ik worden teruggebracht naar de stad door de chauffeur van Kees Groeneboer.
     
Wij zijn als enigen van het vijftal achtergebleven in het hotel. Zij een Peranakan-Chinese van de zevende generatie, ik een Indo van de tweede generatie in Nederland, van de derde generatie in Indonesië. Haar thema is de geschiedenis en de plaats van de Peranakan-Chinezen. Zelfs na zeven generaties word je hier nog niet als een volwaardig Indonesiër beschouwd. Chinezen lijken daarvoor de schuld vooral bij zichzelf te zoeken. Peranakan-Chinezen laten zich nog minder horen dan Indo’s. Complexe geschiedenissen schrijf je ook niet zomaar even op.

Voor mijn vertrek vertelt Widjajanti me dat toen de overheid had besloten om de betjaks te weren uit de binnenstad, ze geen raad wisten met al die fietstaxi’s. Na langdurig overleg is toen besloten om ze allemaal in zee te gooien.
     
Onlangs verscheen dan opeens een reportage op de Indonesische televisie over die betjaks op de bodem van de zee. Vegetatie had zich om die honderden fietstaxi’s geslingerd, vissen zwommen in een paradijs van gespaakte wielen en legden hun eieren in de holten van de zadels, waarop eens de arme jongens zaten en zich het zweet uit het lijf fietsten om je voor een paar centen van de ene naar de andere wijk in de stad te brengen. Nu die betjakrijders helemaal niks meer te vreten hadden, moesten die filmbeelden van de vissen in hun eigen pretpark de algemene opinie wat verzachten.

De taxichauffeur zegt dat hij dagen van 20 uur maakt om zijn gezin te kunnen onderhouden. Het vliegveld van Jakarta blinkt tegenwoordig meer dan dat van Singapore. Ik drink er een kopje cappuccino voor drie Amerikaanse dollars. Een Singaporese jongeman naast me aan de bar vraagt me om een vuurtje. Hij ziet er gesoigneerd uit.

Waar gaat de reis naar toe, wil hij weten.

Naar Holland.

Nooit van gehoord.

Nederland.

Nooit van gehoord.

Amsterdam.

Nooit van gehoord.

In de buurt van Parijs.

Ah, Paris!

Mijn tante vertelde me 12 jaar terug dat mijn grootvader regelmatig naar Parijs ging. Op een dag kwam hij terug naar Soerabaja en liet er twee jonge Parisiënnes een juwelierszaak openen. Ging toen weer eens failliet.

Het maakt weinig uit waar je zit als je een rusteloze Indo bent.

birney terug in vliegtuig

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Van schildpadden, vissen en vogels

Bij nader inzien is op een balkon voor je uit zitten dromen misschien toch niet mijn liefste bezigheid of ledigheid. Zet me op een boot en ik ben gelukkig. Zo gingen ze vroeger ook naar Indië. Vast en zeker erfelijk meegekregen.
     
Alle congresgangers en studenten hebben zich verzameld aan de rede van Marina Ancol. Het weer is schitterend, na een paar regenachtige dagen. Er liggen twee boten, een grote en een kleine. Waar de loopplanken zich splitsen, staat een man, aan wiens voorkomen ik direct zie dat hij een Indo pur sang is.
     
Ik wil de loopplank op die naar de grote boot leidt, maar de oude Indo houdt me tegen.
     
‘Meneer, die boot is voor de studenten.’
     
‘Ja, daar wil ik juist bij.’
     
‘Voor de gasten hebben we een aparte boot, meneer.’
     
‘Ja, maar daar wil ik niet in.’
     
De oude Indo maakt een spijtig gebaar. Dan krijg ik hulp van een paar vriendjes: de secretaris van de ambassadeur en de bebaarde boekhouder van de Indische Letteren.
     
‘Ook wij zitten liever tussen de studenten, meneer!’
     
‘Is dat uw wens, heren?’
     
‘Jazeker.’
     
‘Geaccepteerd. Gaat uw gang.’
     
Terwijl applaus voor onze actie van boord klinkt, waar de studenten waarschijnlijk al een uur op vertrek zitten te wachten, flikkeren wij drietjes bijna de gammele loopplank af, het water in.

Varen. Ben je blij, dan is het mooi op de boeg. Varen. Ben je droevig, dan is het mooi op het achterplecht.
     
Aan boord is het een schoolreisje. De secretaris, de boekhouder en de schrijver gaan om de haverklap op de foto met een stel studenten.
     
De boottocht gaat naar Pulau Onrust, waar in vervlogen tijden gehavende VOC-schepen werden hersteld. We blijven er niet lang, misschien een half uur, het is er heet, we gaan weer aan boord en varen door, langs Pulau Kelor (voorheen Kerkof, zonder h) naar Pulau Bidadari (voorheen Purmerend). Geen idee waarom we het eiland met het kerkhof overslaan. Misschien is de zondag geen goede dag om er voet aan wal te zetten, ik weet het niet.
     
Rond het hete middaguur komen we aan op Pulau Bidadari. Er staan, zoals in jaren zestig in Nederland, glazen ranja klaar. Ik voel me een jochie en ik verdenk de secretaris en de boekhouder ervan zich ook zo te voelen.
     
Ik krijg gezelschap van een studente met de naam Nane. Ze viel me al op onderweg, omdat ze een boek zat te lezen. Het is zeldzaam om iemand in het openbaar een boek te zien lezen in Indonesië, zelfs onder studenten.
     
Ze heet eigenlijk Anneke, zoals mijn moeder. Op mijn vraag waarom ze een Nederlandse voornaam heeft, antwoordt ze dat haar grootvader een Nederlander was.
     
‘O, en wat was hij, die grootvader, wat deed hij?’
     
‘Ik weet niet. Iets bij KNIL.’
     
‘Officier bij het KNIL?’
     
‘Mijn familie vertelt niet veel over hem.’
     
‘Hm, komt wel meer voor,’ mompel ik.
     
‘Wat zegt u, meneer?’
     
‘Ik bedoel: onder Indo’s in Nederland wordt ook vaak gezwegen over voorouders.’
     
‘Waarom, meneer?’
     
Lastige vraag. Moet je het hele Indoschap gaan verklaren, wat al een klus is wanneer je, zeg, een Nederlandicus voor je hebt.
     
‘Waarom wordt bij jou thuis gezwegen over jouw grootvader, Nane?’
     
‘Dat weet ik niet.’
     
‘Ik weet het dus ook niet. Ik weet alleen dat er vaak wordt gezwegen over voorouders.’
     
‘Waarom, meneer?’
     
‘Hm. Nou, het is dan vaak zo, dat er kinderen kwamen zonder dat de ouders met elkaar waren getrouwd.’
     
‘Ah, ik begrijp het. Dus misschien waren mijn grootvader en grootmoeder niet met elkaar getrouwd?’
     
‘Misschien.’
     
‘Is dat erg?’
     
‘Ik vind van niet. Jij?’
     
‘No problem.’
     
‘Maar als jouw grootvader een Nederlander was, dan is jouw moeder eigenlijk een Indo.’
     
‘Nee, zij is geen Indo.’
     
Hier maak ik een fout. Herstel: ‘Als jouw grootvader met zijn vrouw was getrouwd, dan had jouw moeder zijn naam gedragen. En dan was zij een Indo geweest.’
     
‘Ja. En dan ik een Indokind.’
     
‘Ja, zo zit het.’
     
‘Veel van mijn vrienden en vriendinnen hebben Nederlandse voorouders. Maar die kennen zij niet.’
     
Ik doe er het zwijgen toe. Want ze herinnert me aan de geschiedenis van de Indo en meer dan ooit besef ik dat een Indo niets anders was dan een Euraziaat die toevallig door zijn of haar vader is erkend. Een halfbloed, zoals dat toen heette, met de status van een Europeaan. Een bevoorrecht wezen, voor een poos.
     
Het meisje dat naast me loopt door de tuinen van Bidadari, is evenveel Indo dan ik, als je de bloedband bekijkt. Je moet hier in Indonesië alleen niet de fout maken de Indo als een gemengdbloedig persoon te zien. Want dan kun je meer dan tien procent van Java als Indo bestempelen.
     
Het is ingewikkeld, ook door wat Jugiarie zei. Voor mij. Niet voor Nane. Zij is Indonesisch, met ook nog Chinees bloed in zich, net als ik. Waar komt het op aan? Op een dak boven je hoofd, te eten hebben, en de rest is luxe. Ik kom uit een rijk land, waar het leven koud is. Nane komt uit een arm land, waar het leven warm is. Ik denk dat het goed leven is in Indonesië. Zij denkt dat het goed leven is in Nederland.
     
Ik heb er geen zin in over deze dingen van gedachten te wisselen. Wil ze niet gaan pootjebaden? Hm. Ik trek mijn sandalen uit, stroop mijn broekspijpen op en wandel de zee in. Zij doet hetzelfde. Ik heb iemand beloofd om schelpen te zoeken, mocht ik ergens op een strand terechtkomen.
     
Nane heeft een scherp oog voor de mooiste schelpen. Ik vind er nauwelijks een die het aanzien waard is. Maar ze geeft me al die schelpen mee, een beetje lacherig, het heeft iets belachelijks voor haar om schelpen te zoeken en die mee te nemen naar Nederland.
     
Ze wijst me op een inktvis die ligt te slapen. Ze maakt een prikkende beweging naar het dier en het schiet weg. Dan ziet ze kleine visjes zwemmen en probeert die met de hand te vangen.

Ik ga zitten op de aanlegsteiger en drink van mijn fles aqua. Nane heeft een visje gevangen, ik houd de fles omhoog. Ze rent naar me toe en stopt het visje in de fles. Mineraalwater is niks voor een zeevisje. Ik vul de fles snel met zeewater, maar het is al te laat: het visje is stervende.
     
Nane krijgt hulp van Johnny, de gitarist die de meisjes op het podium en op de veranda begeleidde. Samen vangen ze een kleine zwarte vis met snorharen, zo te zien een meervalachtige.
     
Nou had ik gedacht met mijn catfish dinner in Iowa afscheid van die vis te hebben genomen en zit ik alsnog een besnord visje in een plastic fles gade te slaan. Johnny vangt er nog eentje en nu hebben we een stel van die kleine gitzwarte meervalachtige visjes.
     
Nane wil de visjes niet teruggooien in het water, ook niet het halfdode. Ze neemt de fles mee en zet die op een tafeltje waaromheen ik met haar en een paar andere studentes ga zitten.
     
We proberen te spreken over literatuur. De schrijver heet Kahlil Gibran, van wie Nane een boek leest. Libanees schrijver, mateloos populair onder jongeren in Indonesië. Waar schrijft hij over? Over de liefde.

Ik laat de studenten alleen, dwaal wat over het eiland. In de verte staan huizen op palen. Ik loop erheen en krijg gezelschap van een paar jongens die dagelijks de campus in Depok bewaken. Ze vertellen me dat het vakantiehuisjes zijn. Met een van hen loop ik een eindje de plankiers op om de vakantiehuisjes te bekijken.
     
Wanneer ik me omdraai, zie ik boven een groepje hoge bomen zwarte vogels vliegen. Geen raven, ze zijn veel groter, bijna arenden. De jongen vertelt me hoe ze heten, ik vergeet het, ik denk alleen terug aan 12 jaar geleden, toen ik een raaf zag vliegen boven het graf van mijn grootmoeder.
     
Ik loop terug naar de centrale uitspanning. Daar ontdek ik een klein bassin waarin twee enorme schildpadden zwemmen. Jonge schildpadjes zwemmen in een provisorische quarantainebak met een bodem van horrengaas.
     
Een van de reuzenschildpadden probeert aldoor bij de jongen te komen, nadert de quarantainebak van onderen en geeft het dan een zetje. Er is een ogenblik waarop ik beide reuzenschildpadden samen zie.
     
Nane, die bij me is komen staan, wil ze ook samen zien. We zien ze een voor een bovenkomen, met de kop half boven water ademhalen en dan weer ondergaan. Nane zal ze niet samen te zien krijgen. Ook niet de andere meisjes die nieuwsgierig een kijkje komen nemen.
     
‘Misschien krijg je ze samen te zien als je die twee zwarte visjes teruggeeft aan de zee,’ zeg ik tegen Nane.
     
Nee, die wil ze meenemen naar huis.
     
Ik zeg dat ze daar dood zullen gaan.
     
‘Er is genoeg vis in de zee,’ zegt ze droog.

We lunchen met bord op schoot. Ik kijk naar de handen van de studenten om me heen, naar hoe ze hun lepel beroeren bij het eten van de rijst, de tahoe en de kip. Ze hebben die Indische manier van eetbestek hanteren: de lepel is zowel een stuk eetgerei, waarmee ze lijken te spelen, als een verlengstuk van hun fraaie tanige vingers.
     
Na de lunch zoek ik de heren op aan een tafel onder een grote overkapping. Gerard T., Jaap Harskamp en vooral Olf Praamstra willen alles weten over die dekselse Birnies. Wanneer ik begin over mijn grootvader, de enfant terrible in de familie, geef ik ze een ander beeld dan het bekende dat ze hebben van die plantersfamilie uit Oost-Java. Al vertellende begin ik me onderhand af te vragen hoeveel kinderen die man eigenlijk op Java heeft achtergelaten.
     
Misschien zit er ergens een nichtje van me tussen de studenten en sta ik samen met haar op een foto te wachten op kura-kura timbul: het ogenblik dat de reuzenschildpad zijn teug van de buitenlucht komt nemen en dan weer kopje onder gaat in zijn lange, dromerige leven.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Nieuwe Indo’s in Depok, kikkers en leguanen

In verband met een ophanden zijnde excursie wordt de laatste conferentiedag geopend met een lezing over VOC-grafzerken in Jakarta. De Kepala Program Studi, het Indonesische studiehoofd die de lezing verzorgt, spreekt zoals ik dat vroeger aardige oudere Indo’s hoorde doen: zachtjes, met veel ja’s ertussen. Ik luister niet naar wat hij zegt, ik hoor alleen de muziek van zijn Nederlands.
     
Een heel ander geluid komt van een meneer die al 30 jaar in Londen woont. Een rijzige man, die zijn Nederlands op een Britse manier ten gehore brengt: met de handen uiteen op de katheder, de schouders naar achteren, spreekt hij monter de zaal toe. Geen lezing, nee, hij komt gewoon 20 minuten reclame maken voor de Britisch Library. Laat een ordner de zaal rondgaan met een overzicht van boeken, manuscripten en particuliere handschriften, die alle gaan over het Nederlands-Indonesisch conflict, dat dus nog altijd geen oorlog genoemd wordt.
     
De man, Jacob Harskamp, beweert dat zijn afdeling van de deftige bibliotheek nú al kan wedijveren met de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en dat naar zijn verwachting de collectie van de Britisch Library die van de KB in de toekomst waarschijnlijk zelfs zal overtreffen! Komt u dus allen naar Londen wanneer u zich stort op die dramatische periode die leidde tot de onafhankelijkheid van Indonesië en het deficit van Nederland als wereldnatie.
     
Even testen in de koffiepauze: ‘Meneer Harskamp, mijn naam is Alfred Birney, en ik heb twee boeken geschreven die bij u op de plank thuishoren. Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis. Geeft u mij uw kaartje, dan laat ik ze u toesturen.’
     
‘Hoeft niet, die hebben we al. Maar eh… gesigneerde exemplaren voor in mijn privé-boekenkast zijn natuurlijk altijd welkom,’ zegt de Amsterdamse Londenaar breeduit grijnzend.

Tijd voor woede. Iemand genaamd Jugiarie Soegiarto, voor wie alle studenten een beetje bang schijnen te zijn, komt haar gal spuwen over het medium film, in het bijzonder de hantering van de camera vanuit Nederlands gezichtspunt. Hoe tal van vooroordelen en stereotyperingen in oude filmbeelden worden onderstreept, eenvoudig door de keuze van de cameramensen, de hand van de regisseur en door simpele censuur. Ze noemt een hele rits filmmakers, allen Nederlanders, en daartussen zit één Indo.
     
Wanneer ik Jugiarie in de lunchpauze vraag of de filmbeelden van die ene Indo misschien afweken van die van zijn totokcollega’s, krijg ik een ontwijkend antwoord. Misschien omdat ze mijn vraag niet positief kan bevestigen en zij tenslotte tegen een Indo-Belanda zit te praten.
     
‘Over Indo’s gesproken,’ zegt Jugiarie. ‘Weet je dat hier in Depok een hele wijk vol zit met mensen die zich Indo noemen? Terwijl er helemaal geen Indo tussen zit! Ze geven hun kinderen Hollandse voornamen zonder dat ze Nederlandse voorouders in de familie hebben. Dat doen ze alleen omdat ze in Depok wonen! Je weet: Depok was vroeger een Hollandse kolonie, waar veel Indo’s zaten. Nou, die lui die daar tegenwoordig wonen die noemen zich alleen daarom al Indo, terwijl ze net zo donker zijn als ik!’
     
‘Ik ben ook zo donker als jij.’
     
‘Ja, maar jij komt uit Nederland, jij hebt een Nederlandse moeder.’
     
‘Dus de kleur telt niet.’
     
‘Hier in Indonesië wel. Kijk maar naar de televisie. Acteurs, in films, in televisiereclames, presentatoren – het zijn allemaal Indo’s. Ze zijn allemaal licht van huidskleur.’
     
‘Is dat voldoende om Indo te zijn tegenwoordig?’
     
‘Wij noemen dat Indo. Het heeft feitelijk niets meer te maken met afkomst. Maar ze voelen zich wél meer dan de Indonesiër.’
     
‘Net als vroeger dus?’
     
‘Ja, net als vroeger. Ze gedragen zich net als Indo’s in de koloniale tijd. Je moet die meisjes uit die wijk horen in de bus. Zitten altijd bij elkaar en ze gooien expres Nederlandse woorden door hun Indonesisch, om te laten zien dat zij ánders zijn dan wij.’
     
‘Een soort omgekeerd petjôh dus?’
     
‘Zo zou je het kunnen noemen. Zoals jullie nu en dan wat Maleis door jullie Nederlands doen, zo doen zij nu en dan wat Nederlands door hun Bahasa.’
     
‘Maar aan wie spiegelen zij zich dan?’
     
‘Aan de Indo van vroeger. Ze hebben hier hun eigen kerk. Ze gaan bij elkaar op bezoek. Ze proberen iets in stand te houden dat er niet meer is.’
     
‘Een subcultuur in stand houden. Is dat erg?’
     
‘Het is aanstellerij.’

kampus depok indonesia

Het hoofd Culturele Zaken van de ambassade geeft die avond, wanneer de conferentie ten einde is, een cocktail buffet bij haar thuis in de wijk Kemang. Op de uitnodiging staat mijn achternaam in de oude spelling geschreven: Birnie. Misschien heeft het hoofd Culturele Zaken dat opzettelijk gedaan omdat ik haar naam op de dinnerparty ten huize van de ambassadeur even was vergeten. Of omdat ze onnadenkend vasthoudt aan de originele familienaam. Ik zelf schrijf namen niet zo snel fout, ben weer reuzegoed in het vergeten van namen, maar niet van gezichten, personen, wat zij zeggen, doen. En daarom schrijf ik, dames en heren.
     
Het eten dat de gastvrouw laat serveren is Europees. Dat is weer eens wat anders dan dat eentonige Indonesische eten in het hotel, al is het behoorlijk van kwaliteit. Onze gastvrouw heeft pasta laten maken, salades, en er ligt brood. De Indonesische bedienden zijn onzichtbaar, net als in de ambassadeurswoning en net als in het leeuwendeel van de koloniale letteren.
Ik raak in gesprek met Olf P., niet over zijn lezing maar over de Birnies in verband met zijn proefschrift over Busken Huet. Ik begin zijn droge humor te leren kennen.
     
Hij vraagt me of ik al op het Ijen Plateau ben geweest, dat door de oudste broer van mijn grootvader in cultuur is gebracht, en ik zeg nee. Hij legt me uit hoe je er het beste heen naar toe kunt gaan, waar je kunt slapen in een oud koloniaal hotel eer je omhooggaat enzovoort. Hij heeft de plek bezocht, met vrouw en kinderen.
     
Er komt iemand aanwaaien wiens houding lichtelijk anders is dan die van de overige gasten, die over het algemeen enige eruditie uitstralen. Ik raak met de jongeman in gesprek en hij blijkt een restaurateur te zijn. Hij is net aangekomen, heeft heerlijk geslapen in het vliegtuig omdat hij voor het eerst sinds een half jaar een nacht had zonder een baby aan zijn zijde. Hij is gekomen om onderzoek te plegen naar de toestand van allerlei cultureel erfgoed in diverse musea in Indonesië. Hij glundert wanneer hij zegt dat hij, en hij alleen, alles mag aanraken dat achter vitrines ligt: batik, wajangpoppen, beelden, noem maar op.
     
Ik loop met hem de tuin in om het zwembad van de gastvrouw te bewonderen. Het bad is omgeven met een schitterende flora, bijna surrealistisch zo midden in de helse stad Jakarta. Er zwemt een kikker in.
     
Op het gazon, ergens in een rustige hoek, zit de secretaris van de ambassadeur met enkele vrienden. Ik stel de restaurateur aan hem voor, want ik moet ertussenuit kunnen knijpen. Gerard T. is nog altijd ziek, hij zal goed moeten slapen omdat ons morgen een excursie wacht naar twee van de 1000 eilanden voor de kust van Jakarta. Onder het mom ‘samen uit, samen thuis’ blijf ik stand-by voor als hij een taxi laat komen.
     
De secretaris zegt dat hij nog geen kikker in zijn zwembad heeft gehad. Dat het waarschijnlijk geen kikker is geweest die ik zag, maar een pad. Hij vertelt dat hij ook nog nooit een tokèh heeft gehoord. Wel heeft zijn vrouw bij het weghalen van ongerechtigheden in haar gazon bijna eens per ongeluk de staart van een leguaan afgeknipt. Het beest joeg haar de stuipen op het lijf, maar inmiddels zijn ze nu wel gewend aan leguanen in de tuin.
     
‘We hebben allemaal een zwembad in de tuin,’ zegt de secretaris. ‘Anders is het hier niet uit te houden in Jakarta.’
     
Kan ik me voorstellen, al klinkt het oneerlijk. Hoe houden die miljoenen arme mensen het uit in hun minuscule krotten langs de autowegen? Kunnen die armelui houden van mensen die het hier in hun stadsvilla’s zo goed hebben? Er liggen evacuatieplannen klaar, voor als er weer ernstige rellen uitbreken en de volkswoede zich richt op blanken en Chinezen.
     
De secretaris maakt zich zorgen. Aanstonds zal een grote mate van zelfbestuur worden ingevoerd in Indonesië. Hij is bang dat allerlei patsers dictatortje zullen gaan spelen in hun ‘eigen gebiedjes’. Hij zegt het zonder dédain, hij meent het.
     
Elke discussie die je aangaat naar aanleiding van dit soort toestanden leidt tot het uitroepen van de democratie als ideale staatsvorm. De democratie is wellicht de intelligentste staatsvorm die er bestaat. Ook in een democratie heerst macht, een sterkere dan in welke dictatuur dan ook. Het is een geleide macht die zichzelf reproduceert zonder dat de machthebbers daar erg in hebben. Men vermoordt anderen zonder er weet van te hebben.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Een Indische bladzijde

archipel Toen ik vanwege een blessure aan mijn linkerhand mijn carrière als gitarist vaarwel moest zeggen en me volledig aan het schrijven kon gaan wijden, hadden de bekendste namen van mijn aanstaande collega’s uit de Indische tak van de Nederlandse letteren hun debuten al het licht doen zien. Ik noem er enkele: Marion Bloem met Geen gewoon Indisch meisje, Frans Lopulalan met Onder de sneeuw een Indisch graf en Ernst Jansz met De overkant.

      Deze titels verschenen halverwege de jaren tachtig, een opvallende periode die bol stond van publicaties van Indische schrijvers van de zogenoemde Tweede Generatie. Marion Bloem thematiseerde het Indische identiteitsconflict, Frans Lopulalan portretteerde de Molukse vader en de Molukse gemeenschap in Nederland en Ernst Jansz componeerde een Vatersuche met een compilatie van brieven, anekdotes en een reisverslag.

      Had ik aan die boeken nog wat toe te voegen? Wellicht, maar ik was er nog niet aan toe. Je moet maar durven, zo openlijk over dergelijke thema’s te schrijven. En je moet maar willen.

      In zekere zin koesterde ik vooroordelen jegens mijn gekleurde generatiegenoten. Waren zij in staat om ook over iets anders te schrijven dan hun Indische achtergrond? Ik huldigde de kunstzinnige opvatting dat wil iemand schrijver zijn, hij of zij ook non-autobiografisch werk moest kunnen schrijven. Schrijven was immers een kunst, je moest desnoods een boeiend verhaal over een theelepeltje kunnen neerpennen.

      Met deze opvatting zette ik me feitelijk af tegen mijn eigen generatiegenoten, misschien wat eigenaardig omdat het gebruikelijker is je af te zetten tegen een voorgaande generatie.

      Ongetwijfeld zal ik indertijd onder de indruk zijn geweest van schrijvers die een ogenblik uit het leven van een mens kunnen opblazen tot een heel verhaal of boek, zoals Samuel Beckett, Patrick Modiano en Marguerite Duras. Schrijvers bij wie het er in eerste instantie niet om gaat een verhaal te vertellen maar om een al dan niet beredeneerde beleving uit te beelden. Mij trok dus zo ongeveer het tegenovergestelde van de Indische letteren, waarin juist de vertelkunst op de eerste plaats komt.

      Toen ik begon aan het boek dat later mijn debuut zou worden, Tamara’s lunapark uit 1987, had ik alleen een gevoelsmatig idee van wat het moest worden. Iemand hopeloos laten dolen in schemerige locaties met veel kunstlicht. Een zwartwit-film in de geest van Orson Welles, maar die achterwaarts verteld wordt. Ik slaagde er heel lang in om autobiografische elementen uit mijn leven verborgen te houden, totdat ik in het zesde hoofdstuk mijn held in een kindertehuis terecht liet komen. Hier faalde ik in mijn poging om puur non-autobiogafisch werk te schrijven. Maar goed, wat zou het, ik had toch maar mooi mijn Indische achtergrond onzichtbaar weten te houden.

      Mijn aanstaande uitgever vroeg me waarom ik mijn held geen Indische identiteit had meegegeven. Ik vond het niet ter zake doen, zei ik. Het boek had het helemaal niet nodig. Waarop hij zei dat ik met mijn achtergrond hoe dan ook Indisch was, en dat ik het daarom dus net zo goed wél had kunnen doen.

      Ik voelde nog niet dat er iets zinnigs zat in wat hij zei en ik zal hem wel meewarig hebben aangekeken.

      Mijn eerste boek werd behoorlijk goed ontvangen. Maar… waarom schrijf je niet over je Indische achtergrond? wilden journalisten weten. Want zo’n vraag lok je kennelijk uit met een foto van een Indo op de achterflap van een boek.

Waarom deed ik zo moeilijk over mijn Indische identiteit? Ik verzweeg dat ik mezelf niet wilde profileren als Indisch schrijver. Omdat dat een beperking in zou houden. Men zou voortaan alleen nog Indische boeken van me eisen. Bovendien dreigde het gevaar van onderschatting. De koloniale én de postkoloniale literatuur worden in Nederland nog altijd niet voor vol aangezien. Beroemde titels als Max Havelaar en De stille kracht staan op zichzelf, zoals alle meesterwerken, daar heb ik het niet over. Maar de Indische tak als geheel wordt in vrijwel elk belangrijk literatuuroverzicht genegeerd. Wie bedenkt dat de geschiedenis van Nederland, Indië en Indonesië pas in 2001 voor het eerst een verplicht eindexamenvak wordt op de middelbare scholen, die zal niet vreemd opkijken dat men wat betreft de aandacht voor de Indische literatuur hopeloos achterloopt.

      En dan bestaat er ook nog zoiets als een raciale – ik zeg niet racistische – manier van lezen. Wanneer een totok een Indisch boek schrijft, laten we zeggen Hella Haasse of F. Springer, dan kan zij of hij in een volgende boek naar believen het volgende boek een geheel andere achtergrond meegeven. Andersom ligt het anders. Een Indo die eerst schrijft over hoe ellendig het kan zijn om als gekleurde in een modderpoel als Nederland te moeten leven en opeens in een volgend boek juist over een boerenliefde in de polder gaat schrijven, wordt dan niet meer serieus genomen. De door de pers gewenste thematiek is dan immers verdwenen.

      Bent u een Indo? Schrijft u dan dáárover. Jullie de toko, wij het warenhuis. Totoks die toevallig in Indië hebben gezeten of er zijn geboren, stoppen we wel in het pleziervaartuig van de Nederlandse literatuur.

      Maar ik wenste van meet af aan de vrijheid die niet-Indische schrijvers ook hebben, dus elk thema te kunnen kiezen dat mij de moeite waard leek. Ik kreeg mijn zin, maar werd daarmee wél een moeilijk te plaatsen auteur. Ik hoorde immers niet thuis in de Indische toko, ook niet in het warenhuis, er waren géén kaartjes voor het pleziervaartuig voor mij weggelegd, dus ik moest maar eens een eindje gaan wandelen.

      Nou, met genoegen.

      In mijn tweede boek, Bewegingen van heimwee uit 1989 besloot ik om eens mijn tehuisverleden te gaan thematiseren, juist om van die zogenaamde pure fictie los te kunnen komen. Wat gebeurde er? Er sloop een Indische vader als bijfiguur in. Feitelijk beschreef ik mijn eigen vader. De bladzijden die ik aan hem wijdde bleken later de voorbode te zijn op Vogels rond een vrouw uit 1991, mijn derde roman.

      Toen ik aan dat boek begon, stond mij een speurtocht naar mijn onbekende Chinese grootmoeder voor ogen. Ik maakte er een reis voor naar Java. Eigenlijk wilde ik om mijn Indische vader heen, vanwege zijn oorlogsverleden, dat zo’n zware druk op het gezin had gelegd. Dat lukte niet en zo kregen uitgever en pers dan toch nog het boek waar zij zolang op had zitten wachten: een onvervalste Indische roman van een lid van de Tweede Generatie Indische schrijvers.

      Waarom schrijf je nu opeens over je Indische achtergrond? wilden journalisten weten. Dat deed je eerst toch ook niet? Ja, het is ook nooit goed.

      Opvallend was dat juist dit boek veel aandacht kreeg. De pers, de critici en overige beroepslezers konden nu eindelijk eens een verband leggen tussen de inhoud van het boek en het portret van de schrijver op de achterkant.

      Als ik dan daar was gekomen waar ik kennelijk moest zijn, dan was ik inhoudelijk toch niet bepaald tevreden met mijn derde boek. Er moest een aanvulling op komen met een andere, minder fraaie kant van de Indische vader, namelijk zijn oorlogsverleden tijdens de Politionele Acties en de Bersiap.

      Ik schreef nu zonder enig mededogen over mijn Indische vader. Ik schaamde me er eigenlijk voor en ik hoopte dat het boek, De onschuld van een vis uit 1995, geen succes zou worden. Ik kreeg alweer mijn zin: Adriaan van Dis was mij immers met dezelfde thematiek een paar maanden voor geweest, en had alle aandacht al opgeëist.

      Twee van zulke boeken in zo’n kort tijdsbestek zouden de gangbare Nederlandse thema’s wel erg overschaduwen, je zou bijna gaan denken dat ze bang zijn dat Nederland nog altijd niet zonder de kolonie Indië kan. Nederland kan zijn geschiedenis niet vertellen zonder hun 400-jarige aanwezigheid in de Oost, maar critici willen het niet weten. De oorlog met Duitsland krijgt altijd voorrang, daarover kan nog altijd niet genoeg verschijnen.

      Wat mijzelf betreft wilde ik terug naar de literaire bron van mijn schrijverschap, moe en innerlijk geradbraakt na het schrijven van zulke gevoelige zaken als het oorlogsverleden van mijn Indische vader. Ik kreeg heimwee naar mijn geliefde verteltechniek in kreeftgang, zoals ik dat in mijn debuutroman toepaste. Zo ontstond het poëtische Sonatine voor zes vrouwen uit 1996, een boek dat werd genegeerd door de recensenten van mijn Indische boeken, uitgezonderd de recensenten die uit België komen, waar ze minder enggeestig mijn boeken het predikaat ‘Nederlands’ of ‘Indisch’ meegeven.

Het kan lang duren eer je erachter komt wat je eigenlijk bezielt om te schrijven. Soms is het voor je ontwikkeling nodig om eens flink wat te gaan lezen, zodat je je plaats duidelijk kunt bepalen. Ik kampte toevallig met geldzorgen en mijn nieuwe uitgever zocht al even toevallig iemand die een bloemlezing Indische literatuur wilde samenstellen. Mijn uitgever kende geen idealisme, hij zag er louter brood in, want elk jaar was er wel een Indisch boek in de toptien te vinden. Van totoks overigens.

      Mijn uitgever bood me een bedrag waarvan ik de eerste maanden mijn huur en mijn eten kon betalen, maar het was mijn eer te na om maar even iets in elkaar te flansen. Een bloemlezing uit de Indische letteren moest dan wel een serieuze uitbreiding zijn van wat de nestor van de Indische letteren, Rob Nieuwenhuys, al een kwart eeuw eerder met zijn bloemlezingen had gepresenteerd. Ik haalde mijn boekenkast overhoop en het bleek dat ik met de jaren veel meer Indische literatuur had gelezen dan ik had gedacht. Er zaten namen bij die gemakkelijk konden toegevoegd worden aan wat Rob Nieuwenhuys eerder had gebloemleesd. Maar dat ging mij niet ver genoeg. Ik wilde iets anders.

      Ik raadpleegde zogenaamde kenners van de Indische literatuur en vroeg hen of de geschiedenis van de Indo al eens in kaart was gebracht. Nou, als je uit de honderden geschiedenisboeken er een handjevol kon halen, dan was je knap. En in de literatuur bestond er al helemaal niet zo’n overzicht.

      Dat verbaasde me. De geschiedenis van de Indo houdt immers niet op bij de onafhankelijkheid van Indonesië, nee, die gaat door tot de dag van vandaag, ín de herinnering én in de ervaring die Indo-kinderen van hun ouders hebben meegekregen.

      Ik ben teksten gaan selecteren op hun inhoud en heb de literaire toetsing ondergeschikt gemaakt aan wat ik wilde tonen. Dat werd een heikel punt voor de kenners onder de recensenten, die me nariepen waarom die en die en die niet in de bloemlezing stonden. Hun suffige artikelen irriteerden me dermate dat ik een fel naschrift schreef in de Pasarkrant van 1999. Het is een gratis te verkrijgen krant die tot in alle Indische uithoeken gelezen wordt, dus ook door die recensenten.

      Wat is Indische literatuur eigenlijk en wie behoren daartoe te worden gerekend? Dat was het thema van een lezingenmiddag die de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde enkele maanden later in Leiden organiseerde naar aanleiding van ‘een aantal in de laatste jaren verschenen publicaties die grote verschillen van mening blootleggen…’

      Ik neem aan dat mijn eigenwijze bloemlezing Oost-Indische inkt uit 1998 ook tot die publicaties behoren. Immers twee panelleden op die lezingenmiddag hadden het boek voor Vrij Nederland en het NRC gerecenseerd en een derde lid, Bert Paasman, had me geholpen met het napluizen van biografische gegevens van enkele onbekende auteurs.

      Als schrijver speel ik een enigszins dubbele rol door met de publicatie van mijn bloemlezing enige richting te geven in de canonisering van de Indisch-Nederlandse, Nederlands-Indische, de koloniale, de postkoloniale… kortom: de Indische letteren. Eigenlijk zou je je als schrijver niet moeten bemoeien met literair-wetenschappelijke vraagstukken. Maar een vuurtje opstoken is weleens nodig.

      Je blijft toch wel gewoon boeken schrijven, hè?

      Jazeker.

      Maar zijn die boeken van jou nou Indisch of niet?

      Zijn ze het in feite niet altijd? Ja, ik geef het toe: ik heb er zelf óók lang over gedaan om dit antwoord te vinden.

* * *

Lezing geschreven voor de Conferentie 30 jaar Studie Nederlands, Universitas Jakarta, 2000

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Achter de katheder en op het balkon

gerard termorshuizen Ik heb geen tijd had gehad om te eten van het buffet tijdens de dinnerparty in de ambassadeurswoning en ga in de nacht een paar keer naar beneden om in de cafetaria van het hotel lumper en ijsthee te halen. Slapen gaat met tussenpozen, ik word gepest door een paar muggen, die ik pas te pakken heb tegen de ochtend, wanneer de imam aan de overkant alweer begint te zingen, samen met de schorre hanen. Omdat ik de vorige nacht geen oog dicht heb gedaan, slaap ik uit vandaag. Als gastspreker kan ik kan me wel een spijbelochtend wel veroorloven, denk ik. Tegen de tijd dat Widjajanti achter de katheder plaatsneemt, lig ik in bad, met spijt dat ik haar lezing over Het beeld van Chinezen in de koloniale literatuur nu zal missen.
     
Ik arriveer rond de lunchpauze. De middag is warm, de airco koud. De vrouw van de ambassadeur, bewonderaar van Michiel van Kempen, geeft naar aanleiding van een langdurig verblijf in Suriname een lezing over Surinaamse literatuur. Een Indonesische vrouw begint haar lezing in het Nederlands en gaat dan in het Engels over, ze is niet te verstaan.

Gerard Termorshuizen verrast me met een nadrukkelijk Indo-perspectief in zijn lezing Persstemmen uit een koloniaal verleden. Hij vertelt dat het de pers is geweest die aan het begin staat van de Indo-europese emancipatiebeweging. Klinkt me niet vreemd in de oren. Net zoals de stelling dat de Indische pers een essentiële rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling en de bloei van de koloniale letterkunde. Klinkt me ook niet vreemd in de oren, maar wetenschappers moeten de dingen aantonen, dat vergeet ik weleens.

     
Hoewel het nog een jaar zal duren, kondigt Gerard T. alvast zijn nieuwe boek aan. Ik schiet in de lach wanneer hij zegt dat het liefst 900 bladzijden zal beslaan. En dat is dan nog maar deel 1!

Wetenschappers schrijven graag dikke boeken. Staat wetenschappelijk. Gerard T.’s nieuwe studie zal in elk geval nóg dikker zijn dat het in Nederlandse vertaling luidende Paradijzen van weleer van E.M. Beekman, dat op het ogenblik voor 30 procent van de normale verkoopprijs door Uitgeverij Prometheus op de ramsjtafel wordt gekwakt. En dat al twee jaar na verschijning…
     
Troost voor de wetenschapper is, dat hij of zij wordt betaald door universiteit of instituut, tegenover de schrijver die maar moet zien waar de centen te halen.

Na de theepauze moeten Olf Praamstra en ik op. Daarna zal de speelfilm Soekarno Blues worden gedraaid. Geen geslaagde film, maar ik heb het nog altijd liever dan Max Havelaar of Oeroeg.
     
Olf P. heeft een off day. Zijn lezing over Mina Krüseman, een feministe in Indië, gaat volledig de mist in. Er is geen touw aan vast te knopen, het is zelfs maar de vraag of iedereen wel weet over wie hij het heeft. Gerard T. zal zich later verbazen over het optreden van zijn collega, die toch uiterst ervaren is. Volgens hem werd Olf P. bijkans onbegrijpelijk doordat hij te veel van zijn tekst afweek. Volgens mij omdat hij de fles water naast zich op de katheder niet zag staan.
     
De studenten die naast het podium de tijd in de gaten moeten houden, werken hem duidelijk op de zenuwen met hun nerveus aangereikte briefjes waarop staat dat u nog vijf minuten heeft, dan wel dat uw tijd om is.
     
Omdat ik direct na Olf P. op moet en mijn tijd zie verstrijken, gaat de gezonde spanning voor mijn opkomst over in nervositeit. Die Olf Praamstra zit mij dus niet alleen theoretisch maar ook nog eens praktisch dwars. Staat tegenover dat dankzij zijn studie over Conrad Busken Huet mijn oude tante Elisabeth Birnie-Birnie op het idee kwam om het relaas van het Birnie plantersimperium in kaart te brengen. Waarop weer filmmakers op haar en mij afkwamen, waarna de verkoop van mijn boeken verdubbelde enzovoort.

Ik bedenk een truc om de spanning te doorbreken wanneer ik eindelijk achter de katheder sta. Ik begin met de toehoorders de groeten over te brengen van Bert Paasman, docent aan de UVA, waar ik eens een gastcollege gaf. En om te laten zien aan wie ik dan wel niet de groeten over heb gebracht, zeg ik, zal ik u op de foto moeten nemen.
     
Ik haal mijn klikklaktoestelletje uit mijn colbertzak en fotografeer de zaal in drie bedrijven, voor de afwezige. Men lacht. Ziezo. Ik kan gaan beginnen met mijn Indische bladzijde.

Die avond regent het. Banjir. Gerard T., Widja en ik laten een of ander evenement in de stad maar voor wat het is. We eten gezamenlijk in het restaurant van het hotel met de docenten Nederlands uit Maleisië en Australië. Ik ga naar mijn kamer, zit urenlang op mijn balkon en kijk naar de regen. Als je het mij vraagt, dan is dat misschien mijn liefste bezigheid: op een balkon voor je uit zitten dromen. Deden ze in Indië ook, maar dan op voor- of achtergalerij. Vast en zeker erfelijk meegekregen.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!