De coming out van een ouwe Haagse gabber op een dinnerparty

Ik heb een uurtje geslapen, ben daarna nog een half uur in het ligbad gaan soezen en heb me toen gekleed. Het wasgoed wordt je hier fraaier gestreken en zachter dan waar ook ter wereld terugbezorgd: een weldaad. Op de uitnodiging van de ambassadeur en zijn vrouw de barones wordt als kleding casual gesuggereerd. Dat scheelt een stuk in de tropen, maar toch trek ik een wit overhemd aan op mijn spijkerbroek en draag een antraciet dun colbert van casual Italiaanse snit. Geen stropdas. Die draag ik nooit, ik haat stropdassen, de stropdas is het belachelijkste kledingstuk dat een man maar kan dragen. Praktisch gezien dient het nergens toe, zoals een sjaal. De strop zou dateren uit de tijd dat de Vikingen Brittannië onveilig maakten: ze lieten de mannen met stroppen rond de nek lopen, zodat die, als ze even praatjes kregen, in een handomdraai aan een boom gehangen konden worden. Zijn stropdasdragende mannen masochisten?
     
De telefoon gaat. Een baliemeisje meldt in het Engels dat de secretaris inmiddels is gearriveerd en beneden op mij wacht in de lobby. En dat ik me niet hoef te haasten.
     
Sigaretten mee. Aansteker. Een pen. Visitekaartjes. Wat nog meer? O ja, een doos boeken, meegesjouwd all the way from patria.
     
De secretaris van de ambassadeur is een van de geestigste mensen die ik heb ontmoet op de conferentie. Hij zal zijn humor ook wel hard nodig hebben om zich staande te kunnen houden in de wereld der diplomaten.
     
Maar nu toont hij een ander gezicht. Op de achterbank van de Jeep begint hij me aan een hoogst serieus interview te onderwerpen. Over mijn schrijverschap. Over mijn afkomst. Over mijn verhouding met de pers.
     
De chauffeur rijdt ons door het donkere Jakarta naar de ambassadeurswoning. Achter het hek staan veiligheidsmensen, ik weet niet of ze gewapend zijn. Eén van hen loodst ons naar binnen. We worden dus niet binnengelaten maar binnengeloodst, alsof er elk moment een stel militanten vanuit de boomkruinen rond de woning hun molotovcocktails naar onze koppen kunnen gaan gooien.
     
Het huis is een oud-koloniaal gebouw, perfect opgeknapt en onderhouden: een doolhof van grotere en kleinere vertrekken, gangen, brede trappen. Er staat beeldhouwwerk, er hangen schilderijen, er liggen tapijten op de marmeren vloer, we komen in het verkeerde vertrek terecht, waarschijnlijk dat van de ambassadeur, en worden dan haastig door de Indonesische huisbediende naar de kamer van de barones gebracht.
     
De bediende draagt witte kleding, zoals in tempo doeloe. De bediende maakt zich onzichtbaar, zoals in tempo doeloe. Ik ben geen kind uit tempo doeloe en heb de neiging om Indonesische bedienden als broertjes te beschouwen. Een probleem.
     
De vrouw des huizes komt binnenstappen. Ze toont ons trots haar vleugel en haar boekenkast, ze is van het entamerende culturele soort. Wanneer even later de ambassadeur binnenkomt in gezelschap van de schrijver Jacob Vreedenbregt, vraag ik deze collega of het waar is dat hij op gegeven ogenblik zoveel personeel had dat hij iets moest gaan verzinnen en daarom een jongen maar de hele dag vlinders liet vangen.
     
‘O, je bedoelt wat ik toen zei in dat programma van Adriaan van Dis?’
     
‘Ja.’
     
‘Ja, dat is zo. Tenminste: dat wás zo.’
     
De ambassadeur komt nog even terug op zijn openingstoespraak op de conferentie en zegt een beetje tobbend dat helaas lang niet iedereen van zijn humor is gediend.
     
Tijd voor de gastvrouw om mij de tuin te laten zien. Brede marmeren veranda. Op het gazon staan verspreid ronde tafeltjes op hoge poten. Partylights. Geen zwembad hier, waarschijnlijk de enige villa zonder zwembad.
     
Zou wat zijn geweest toch, een zwembad in de tuin van de ambassadeurswoning. Alle gasten te water en ik loop dan rond het bad terwijl ik lees uit Fantasia: De fenomenale meerval.
     
De ambassadeursvrouw heeft me die ochtend op de conferentie naar mijn wensen geïnformeerd en ik heb om een katheder gevraagd. Die heeft ze me beloofd maar er niet voor kunnen zorgen. Het lijkt haar veel leuker om de boel wat meer ontspannen te houden, misschien kun je een beetje rondlopen terwijl je voorleest?
     
‘Hm,’ zeg ik, peinzend over het narrenschap dat de schrijver tegenwoordig overal wordt opgedrongen. Dat krijg je ervan als die vervelende Hollandse cabaretiers met hun boeken de ‘literaire’ toptien bezetten.
     
‘Waar wil je staan?’
     
‘Waar ik nu sta, hier op de veranda, dan schuifel ik wel wat heen en weer en heb ik goed zicht op de mensen.’
     
‘Goed,’ zegt de gastvrouw handenwrijvend. Ze is enthousiast, misschien is de verveling hier in de villa achter de hekken voor haar wel net zo groot als voor de vrouwen van de bestuurders in tempo doeloe, waar ik aldoor aan denken moet hier. Maar mensen zoals zij houden op zijn minst het culturele leven een beetje gaande.
     
We spreken het draaiboek nog wat door en dan komen de gasten binnendruppelen. Er worden er 70 verwacht, buiten de groep meisjes die die middag op het toneel van de aula hun zangtalent hebben laten horen.

indonesisch zangeresje

Zij zullen de avond openen met hun lieftallig gezang. Wanneer de gasten met hun voorgerecht klaar zijn, zal ik mijn act tonen, want zo noemt men dat tegenwoordig vanuit het ingebakken idee dat schrijvers artiesten zijn, clowns of zo, in elk geval geen schrijvers zoals dode schrijvers, want alleen dode schrijvers die nog worden gelezen zijn pas echte schrijvers: die hebben het tenminste altijd over anderen en niet over jou. Zo leef je als het ware schrijvenderwijs toe naar grafsteen, plaquette en een bladzijde of voetnoot in een overzichtswerk van de een of andere onbenul die zijn hele leven niet buiten zijn leeskamer is geweest en bij het aanvaarden van zijn professoraat nog ontmaagd moest worden.
     
Pikant toch: een stel bruine meisjes zingt op de veranda, begeleid door een bruine jongen op de gitaar. Bruine bedienden gaan rond met de schalen en een bruine nog geen dode schrijver zal een lichtvoetig verhaal gaan voorlezen op deze lichtvoetige avond in een tuin dat bevolkt wordt door een Europees publiek.
     
Mevrouw de dode schrijfster Madelon Szekely-Lulofs laat in haar beroemde en overgewaardeerde roman Rubber uit 1932 op een of ander partijtje een stel Indo-muzikanten opdraven als Indo-behang. Ik weet niet of men er na een slordige 70 jaar al achter is dat Indo’s ook al een jaar of honderd boeken schrijven, maar ik vermoed toch dat dat enkele figuren in het publiek zou verbazen. Waren ze volkomen van mijn achtergrond op de hoogte geweest, dan zouden enkele me beslist hebben gevraagd om ook eens die gitaar van die jongen tussen de zingende meisjes over te nemen.
     
Uiteraard krijgen ze mijn verhaal De jongen met de gouden vingers uit Fantasia te horen, speciaal voor deze avond geselecteerd. Gevoelige romanfragmenten bewaar ik voor intiemere avonden. Dit verhaal is eenvoudig voor te dragen: lekkere spanningsboog, een beetje muziek, een beetje liefde, een beetje geweld plus een beetje Indo-geschiedenis uit de jaren zestig. Wat zou dit publiek nog meer wensen? Toch geen verhaal over Indië mag ik hopen, of praat ik hier voor een neokoloniaal publiek?
     
Ik zweet me ongans bij het voorlezen van mijn verhaal, beweeg me zo’n beetje met de snoerloze microfoon over de veranda tussen de ranke zuilen, het publiek is schimmig bij de partylights in de tuin. Had ik de podiumervaring van Anneke Grönloh maar. Ik probeer de techniek van de artiest in praktijk te brengen, mijn ogen te laten zwerven zodat iedereen het gevoel heeft dat je ze aankijkt. Maar er zit ook publiek achter me.
     
In de tuin, recht in mijn gezichtsveld staat één man met een bierbuik en een glanzende halfkale schedel me aldoor zichtbaar genietend aan te kijken. Hij wordt mijn favoriet tussen het publiek, ik kom steeds weer bij hem terug en zie zijn hoofd steeds roder worden van de pret.
     
Zodra het verhaal uit is en het applaus wegsterft boven de miljoenen daken van Jakarta stormt de man met de halfkale glanzende schedel op me af en grijpt me bij mijn schouders.
     
‘Jongen,’ zegt hij, ‘je hebt me in je hart gesloten! Weet je dat ik die tijd waarover jij vertelde zélf heb meegemaakt? Ik kom uit Den Haag, ik was zélf zo’n gabber en het is écht zo wat je vertelde! Jemig, er waren altijd vechtpartijen tussen de Indo’s en ons. Ja, ik zeg maar ‘ons’, want stond wél aan de andere kant, begrijp je? En het is precíes wat jij zei: dat het ging om onze meisjes! Die liepen allemaal van ons weg om met de Indo’s te gaan dansen! Nou, en dan kreeg je inderdaad knokpartijen, ha ha, wat een tijd was dat! Maar het is nu voor het eerst dat ik het van de ándere kant heb gehoord!’
     
De man staat even later glunderend aan mijn tafel, waar ik mijn boeken signeer. Of ik erin wil schrijven: Voor Harry, die ouwe Haagse gabber.
     
Opeens komt er vanuit het niets een Indo aan mijn tafel staan. Hij is leraar in Jakarta en een liefhebber van Indorock en vraagt me of er nog een exemplaar van mijn verhalenbundel over is. Nee, helaas. Ander boek? Hij aarzelt.
     
‘Gaat het allemaal over Indorock, wat je schrijft?’
     
Ik kan het niet helpen, maar ik moet lachen. ‘Nee, zelfs niet altijd over Indo’s.’
     
‘Waarom niet?’
     
‘Dat vertel ik morgen op de conferentie wel. Ben je daar dan?’
     
‘Spijtig, maar ik moet lesgeven.’
     
Ik wil met hem spreken over zijn leven als Indo hier in Jakarta, maar het wordt druk rond de tafel en hij verdwijnt geruisloos terwijl ik mijn boeken signeer. Geruisloos dus.
     
Nog een Indo, een vrouw, aan mijn tafel. Ze zit in Jakarta omdat haar Hollandse man hier zijn werk heeft. Hoewel ze een generatiegenote van mij is, begint ze zich nu pas in haar Indoschap te verdiepen. Daarvoor moest ze eerst toevallig in Indonesië terechtkomen.
     
Ze verbaast me dat ze nog geen enkele schrijver van de Tweede Generatie heeft gelezen. Scholieren zouden moeten leren hun schrijvers te zoeken. Daar heb je dan wel leraren voor nodig die wat verder kijken dan naar wat hen voorgeschreven wordt.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Rijst en poëzie

Ik ben nog altijd verbaasd over de enorme hoeveelheden warm eten die Indonesiërs ‘s morgens tot zich kunnen nemen. Een bordje nasi goreng als ontbijt kan ik nog wel aan – is ook wel een aardige Indische gewoonte – maar geen vol bord rijst met gepaneerde inktvis, tahoe goreng, garnalen met petehbonen, sajoer lodeh, telor asem, kroepoek, dendeng en wat dies meer zij.
     
Widjajanti is het gewend, al kiest ze beter haar gerechten bij elkaar dan sommige mensen om ons heen. Ikzelf neem een American breakfast, wat zoveel betekent als twee witte boterhammen met een omeletje en een kop koffie.
     
We gaan met ons vijven in twee taxi’s naar Depok, het beroemde plaatsje buiten Jakarta dat veel Indo’s herbergde in vroegere tijden en dat inmiddels aan de wereldstad is vastgegroeid. Daar, in Depok, ligt de Pakultas Sastra, de letterenfaculteit met de mooiste campus die ik ooit heb gezien. Gebouwen in laatkoloniale stijl omgeven met varens, palmen en loofbomen. Glooiende gazonnen. Achter de aula van de letterenfaculteit stroomt de Tjiliwoeng, de rivier die, in deze spelling, zoveel voedsel heeft gegeven aan verhalenvertellers uit de koloniale letteren.

De airco in de nok jaagt een koude wind door de hoge aula en dwingt je je colbert aan te houden. Er is één spreekgestoelte, waarop je vanaf je de halvemaanvormige stoelenrijen neerkijkt. Hier geen gedwaal langs tientallen zalen zoals in Iowa, waar je elkaar hooguit herkende aan de naamplaatjes die je op de borst droeg. Op dit symposium ook geen gedoe met drie eetzalen, met al dan niet door de organisatie betaalde maaltijden: er is hier één keuken en alle bezoekers eten gezamenlijk. Een rijk land als Amerika kent geen gezellige eetcultuur, al vreet een kwart van de bevolking zich veel te vet aan steaks, donuts en panpizza’s.

Het symposium wordt geopend door de ambassadeurs van Nederland en België. Beide heren beschikken over een humoristische spreekvaardigheid, die je je slechts aankweekt bij het afstruinen van de ene verplichte borrel na de andere. Het accent van de Nederlandse ambassadeur is identiek aan dat van Rudy Kousbroek, ook zijn humor lijkt op dat van deze treiterkous.
     
De secretaris van de ambassadeur en ik zijn naast elkaar komen te zitten. We zijn de enigen in de hele zaal die bijna voortdurend zitten te lachen over de beschaafde dronkemanstirade die de Nederlandse ambassadeur afsteekt. In zijn satirisch bedoelde bijdrage aan het symposium, dat vandaag in het teken staat van De Taal en Cultuur der Nederlanden, geeft de Nederlandse ambassadeur zijn persoonlijke studieadvies aan hen die het Bahasa Indonesia onder de knie willen krijgen. Leer eerst de woorden die gelijk zijn aan het Nederlands, dan heb je er al zo’n 2000. Daarna de woorden waarvan je alleen de klinkers moet veranderen om tot een andere betekenis te komen.
     
Voorbeeld van Cyberney: cèbok (waterschepje waarmee men zich reinigt na de ontlasting), còbek (holle wrijfsteen om kruiden fijn te wrijven).
     
Ik zou me kunnen voorstellen dat als zo’n man een boek schreef, hij meteen kon worden ingedeeld bij het ambtenarenproza van A. Alberts, F. Springer, A.M. Pino, H.J. Friedericy… allemaal schrijvers die een grote mensenkennis aan de dag leggen, die over een grote taalvaardigheid beschikken, die degelijke boeken schrijven maar altijd zelf op de achtergrond blijven. Ze schijnen niet te lijden aan neurosen, ze lijken allemaal gezond en in orde, ze produceren proza die de koningin zonder het schaamrood op de kaken in haar gouden koets kan lezen. Het is de diplomatiek gemaskeerde literaire middelmaat die heel even bekoort en dan vervelend wordt.
     
De ambassadeurs van Nederland en België schrijven geen literatuur, als hofnar buitengaets doen ze het goed. Ze steken elkaar de loef af met hun humoristische voordrachten en je krijgt heimwee naar ze wanneer een woordvoerder van de Taalunie zijn houterige tekst komt opdreunen.
     
Dan wordt opeens de conferentie opgeluisterd met een poëzieshow van de studenten van de vakgroep Nederlands. We krijgen een fraai uitgevoerd harmonicaboekje uitgereikt, waarop Nederlandse gedichten en Nederlandstalige songteksten staan afgedrukt. Perkament papier, hard zwart omslag met zilverkleurig opdruk. Rond het vouwboekje een met drie kralen versierd koord, zo stijlvol vergeleken met die onoverzichtelijke programmering op shabby stencils vol liefdeloosheid aan elkaar geniet in de kopieerkamer van de Universiteit van Iowa.
     
Is het waar dat de zin voor schoonheid toeneemt naarmate een land armer is?
     
Twee meisjes komen op en dragen eenvoudige poëzie voor van Toon Hermans en Rienk Ratsma. Een jongen voegt zich bij hen met een akoestische gitaar en ze zingen een populair liedje van Clouseau: Laat me niet alleen. Andere meisjes komen op en brengen moeilijker poëzie, van Hans Lodeizen, Paul van Ostaijen, Bernlef.

studenten

Halverwege de opvoering is het podium vol met meisjes, uniform gekleed in zwarte broek en T-shirt, en ze zingen een liedje van Marco Borsato. Ze gaan weer af, er verschijnt een duo, dan een trio enzovoort. Hun show, tot in de finesses ingestudeerd, steelt de harten van de conferentiegangers.
     
Als ik de jongens zie spelen op hun gitaren en de meisjes zachtjes zie wiegen bij het zingen, denk ik terug aan die Indische avondjes in de jaren zestig, hoe het toen zo gewoon was als er werd gezongen bij een gitaar. Daarom ervaar ik de voordracht van deze groep studenten als Indisch, niet als Indonesisch.
     
Ze zingen contemporaine Nederlandse liedjes, die over enkele jaren weer vergeten zullen zijn. Niet één Maleis liedje zit er bij, want hier staat de vakgroep Nederlands. Ook op muziek gezette poëzie laten ze horen. Maar waarom niet één gedicht van een Indische dichter? Of van een Indische dichter die Indonesiër werd: Resink bijvoorbeeld. Ik begrijp dat niet, op een symposium dat voor een belangrijk deel in het teken staat van de koloniale literatuur. Hier valt kennelijk nog veel missiewerk te verrichten.

Het eten wordt geserveerd. Een lange rij studenten gaat met het bord in de hand langs de tafels. Conferentiegangers krijgen voorrang. Als je geen voorrang neemt, dan komen studenten je verzoeken om voorrang te nemen. Het is onfatsoenlijk voorrang te weigeren, want jij bent hier te gast. Het eten is ook betaald, nogmaals: je bent hier te gast. In Indonesië gaat dat zo, in Amerika niet. In Indonesië zorg je voor elkaar; in Amerika zorg je voor jezelf. Dat betekent niet dat Indonesiërs lievere mensen zijn dan Amerikanen.
     
De hinderlijkste opmerking die ik ken van belanda’s die ooit Indonesië bezochten of er zelfs leefden, is: ‘Ik begrijp maar niet dat zulke lieve mensen in staat zijn om opeens zúlke gruwelijke dingen te doen!’
     
Lynchpartijen zijn gruwelijk en zullen inderdaad nooit die factor van westerse beschaving halen waarmee B-52 bommenwerpers in naam van God en het Witte Huis met hun carpet bombing een paar honderdduizend Irakese soldaten meters diep het woestijnzand in boren en het filmmateriaal in geheime archieven wordt gestopt zodat CNN die niet kan uitzenden.
     
Aardige, lieve, bruine mensen moeten aardig, lief en bruin zijn. Ook ik trouwens, want ook ik ben bruin. Indo’s horen niet meteen met de vuist op tafel te gaan slaan, want dat past niet in het beeld wat de Hollander van de Indo heeft. Wat wél in hun beeld past is de grilligheid die de Indo soms aan den dag weet te leggen. Zoals zomaar ineens verdwijnen.
     
Laat ik nou eens lekker aan dat beeld voldoen en de benen nemen. Want ik heb de hele nacht niet geslapen, mijn tijdklok is zodanig in de war dat ik soms opeens Engels begin te speken, en vanavond wacht mijn eerste optreden in de woning van de ambassadeur.

Een taxi zonder airco rijdt me in het chaotische verkeer terug naar de stad. Op de vluchtstrook langs de onafzienbare route staan venters in de brandende zon hun tijdschriften, snacks en drankjes te verkopen. Sommigen dragen geen hoeden maar hebben doeken om hun hoofd gewikkeld. Langs de wegen is geen plaats meer voor nóg een warung waar mensen hun uitzichtloze bestaan proberen te lenigen met het verkopen van hun producten of het repareren van bromfietsen, auto’s en televisies – nergens ligt rommel op straat, alles gaat in de recycling: kinderen maken speelgoed van colablikjes en proberen dat te verkopen aan passanten, oudere jongens en meisjes op bromfietsen dragen doeken voor hun monden, want de stank van uitlaatgassen is niet te harden.
     
Jakarta vreet je op. Nederland spuwt je uit. Wie mocht denken dat het vol is in Nederland, die hoeft maar een dagje door Jakarta te tuffen in een taxi waarin kakkerlakken wonen, omdat zelfs voor deze insecten geen plaats meer is in de honderdjarige Hollandse riolering, die ligt te verrotten onder de fundamenten van koele wolkenkrabbers.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Conferentiegangers

Ik word wakker met het idee dat ik op maandagochtend zes uur Nederlandse tijd van huis ben weggegaan. Het is nu dinsdagavond zeven uur Indonesische tijd, in Nederland loopt de zomertijd nog, geen idee hoelang ik wakker ben geweest.

     
Enfin, ik heb een paar uur bijgeslapen, heb honger, verlaat mijn hotelkamer, ga de trappen af want de lift is zo klein als een doodskist. Ik loop de gang door naar het restaurant en zie door de ramen een man met een mij bekend voorkomende kop in zijn eentje aan een tafeltje zitten eten.
     
Dat moet één van die Boekhouders van de Indische Letteren zijn.
     
Ik zwaai hem toe, nogal schijnheilig want Cyberney is zijn vriendje niet. Evenwel, zo ver weg van patria ben je blij als je alvast één conferentieganger aantreft, al is dat dan een boekhouder van de Indische Letteren. Bovendien eet ik niet graag alleen in een restaurant.
     
De man, grijs en bebaard, kijkt me nogal verdwaasd om niet te zeggen idioot aan, denkt: wie is die gozer die daar zo naar me loopt te grijnzen?
     
Die gozer stelt zich voor als zijnde Alfred Birney, ook wel gespeld Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, MacBirnie, McBirnie, MacBerney en ga zo maar door; mijn alias is Cyberney, van Sie Birney en Cyber Ney, of van Sie, zich noemende ‘Birnie’, in reversie Birnie, zich noemende ‘Sie’ – het is wat met die namen bij die Indo’s, niet?, nou dag, hoe maak je het, wij hebben elkaar al eens gezien tijdens die middag in Leiden.
     
‘Ach ja, wij hebben ons toen aan elkaar voorgesteld!’
     
‘Nou nee, dat ook weer niet precies, we hebben elkaar zo’n beetje aangekeken, zo was het.’
     
‘Hoe dan ook! Zeg, kom erbij zitten, pak een bord, schep op wat je wilt, je kunt hier eten zoveel je wilt, de keuken is voortreffelijk, echt, ik was hier al eerder, mijn vriend Olf Praamstra zit ergens in een luxe hotel in het zuiden van de stad, nou ik zit liever gewoon in een gewoon hotel weetjewel, lekker middenin de stad, hier in Menteng is het zo schitterend, ja ik ben al een paar dagen eerder aangekomen, Olf en ik hebben een auto gehuurd en hebben twee dagen gereisd door West-Java, na een weekend in de buurt van Puncak, logeerden we ergens in Bogor, een verschrikkelijke nacht, het is de regenrijkste plek op aarde en het sterft er van de muggen, enfin, Olf kreeg een uurtje slaap, ik helemaal niks, maar mooi, erg mooi daar…’
     
De man oogt bij nader inzien jongensachtig en is verrassend dynamisch, ik verdenk hem er onmiddellijk van dat hij van mooie vrouwen houdt, wat geen schande is maar van hem helaas opeens een mens van vlees en bloed maakt, erg vervelend voor als ik hem nog eens wil gaan honen in mijn Yournael van Cyberney.
     
Wanneer ik eenmaal bij hem aanschuif met mijn bordje nasi, ikan en atjar, begint hij direct zijn cv op te ratelen, zijn publicaties te noemen, gaat dan in één adem door met allerlei wetenswaardigheden te melden over de stad, want docenten vergeten nogal eens uit hun rol te stappen.
     
Allengs ontwikkelt zich toch een dialoog en dat zal zich nog dagenlang voortzetten, overwegend aangenaam, soms kibbelend, vooral wanneer het gaat over die vermaledijde canonisatie van de Indische literatuur.

Die eerste avond maak ik na het eten een wandeling over straat, loop langs de warungs en stalletjes tot waar het luguber wordt en schimmig. De website van de ambassade, die ik bezocht voor mijn vertrek, raadt zulke avondwandelingen in je eentje af. Men ziet mij hier doorgaans gauw aan voor een Ambonees of Menadonees, wat dan ook, in elk geval iets Indonesisch – toch keer ik maar terug naar het hotel en zoek het zwembad op in de tuin achter het restaurant.
     
Het 25-meterbad is zo ondiep dat niemand erin verdrinken kan. Een klaterende kunstmatige waterval overstemt het gezoem van muggen, wat een nadeel is. Ik laat me onderuitzakken op een plastic stoeltje en adem de tropische lucht in, ik denk aan mijn vader, mijn grootmoeder, mijn overgrootvader… die heeft meer dan honderd jaar geleden hier in de buurt een huis bewoond aan het vermaarde Koningsplein. Een bezoek aan dat huis, mocht het er nog staan, interesseert me weinig. Slechts een tocht door de Oosthoek van Java, langs de plantages van mijn voorouders, is al dat mij trekt in Indonesië. Híer ben ik beroepshalve, toevallig, op uitnodiging van de ambassade. En toch denk ik aan mijn voorouders met een vreemde weemoed, terwijl een vleermuis in arabesken over het water scheert, onophoudelijk, onvermoeibaar. Ik krijg het gevoel hier voor heel lang te kunnen wonen, net als tijdens mijn verblijf twaalf jaar eerder in Surabaya, desnoods mijn hele leven, elke avond naar de rusteloze kolong kijken en wachten tot hij in duikvlucht eindelijk een insect van het water kan snoepen en ik tevreden kan gaan slapen.

Vanaf mijn bed volg ik een bokswedstrijd op de televisie, die ik met wat geknutsel aan de antenne aan de praat heb gekregen. Pencak-beoefenaren omlijsten een sigarettenreclame, het is bijna oneerbiedig. Er volgt een kung fu-film, ik val in slaap, wordt een uur later wakker gebeld door mijn tweelingbroer George, die beroepshalve in Cairo zit, ooit een tussenstation onderweg naar Nederlands-Indië.

Zijn wij in de verkeerde tijd geboren, George, of worden wij maar geplaagd door een genetisch ratjetoe aan geërfde herinneringen?

Ik slaap goed, hoor geen gebeden in de vroege ochtend. Toch pak ik mijn tas nog niet uit, ik voel me een gevangene in deze kamer met die blinde muur.
     
Op verzoek krijg ik in de middag een andere kamer toegewezen op de eerste etage aan de straatkant, zodat ik kan volstaan met twee trappen in plaats van tien, een tamelijk groot verschil in de warmte. Er staat een tweepersoonsbed in plaats van een stel eenpersoonsbedden. De doucheslang is lang genoeg om als sproeier boven de wc te gebruiken. Dat was in die andere kamer ook zo en ik vraag me af of men dat zo bewust heeft aangelegd, voor wie liever zijn kont wast dan zo’n beetje met pleepapier gaat zitten vegen.

     
Niets is perfect. De kamer heeft een smeedijzeren hek voor het balkon, waarschijnlijk tegen inbrekers. Het is er vol straatrumoer, mooi zo. Gerard T. wenst een rustige kamer, ik het tegendeel, ik wil voelen dat ik in een smerige overbevolkte stad zit, ik ben hier niet op vakantie.

Als je maar lang genoeg op je balkon zit en naar het voorbijrazende verkeer kijkt, naar de taxi’s, de bussen, de bemo’s, de bromfietsen, de straatventers met hun ingenieuze karren, de meisjes in schooluniform, de vele passanten op het trottoir, dan zie je in één uur het hele Jakartaanse leven aan je voorbijtrekken, een leven dat moordend is.
     
Het pandemonium overstemt de dagelijkse gebeden uit de moskeeën, maar dan alleen overdag, want in de vroege ochtend hoor ik het nu van de overkant komen, tweestemmig, exclusief het kraaien van schorre hanen met hun door de luchtverontreiniging aangetaste strotten.
     
Op mijn nieuwe kamer werkt de koelkast, er zijn geen mieren, ik krijg gezelschap van een jonge tjitjak die de lawaaierige airco opzoekt om er muggen te vangen. Iemand van de huishoudelijke dienst bezorgt me een dubbelstekker, zodat ik mijn laptop kan aansluiten. Maar ik zal er niet op werken, ik hanteer liever pen en papier op mijn stoel op het balkon, waar ik me als een gekooide aap verbaas over wat er dagelijks op de Jalan Teuku Cik Ditrio aan mijn oog voorbijtrekt. Ik ben geen reiziger, ik ben een toeschouwer. Zet me ergens neer en ik zie een verhaal.

Ik maak een fout voor iemand met een jetlag; ik val in de middag in slaap en zal deze hele week niet meer in mijn gewone doen raken.

Rond zeven uur tref ik Gerard T. in het restaurant. Ook andere conferentiegangers schuiven aan: een leraar Nederlands, gestationeerd in Maleisië. Een lerares Nederlands, wonend in Sydney. Een Chinees-Indonesische vrouw genaamd Widjajanti, die in Semarang het culturele leven gaande houdt.
     
Gerard T. ziet er ziek uit. Een verkoudheid opgelopen tijdens zijn uitstapje met collega Praamstra in een huurauto met airco, een soort luxe vrieswagen, wat niet gezond is als je veelvuldig uitstapt om het natuurschoon in de brandende zon te aanschouwen. Hij zal met zijn verkoudheid maar eens vroeg naar bed gaan. Ik geef hem paracetamol mee, na veel aandringen, want de man is op zijn minst eigenwijs te noemen, wat niet verbazingwekkend is voor iemand die jarenlang bezig is geweest de, overigens door mij verafschuwde, Paatje Daum een Verzameld Werk te bieden.

Er zijn zwemmers in het zwembad met de tropische tuin. De gekooide zangvogels slapen. De kolong laat zich niet zien. Het wordt eens tijd om me voor te bereiden op mijn lezingen.
     
Morgenochtend om negen uur, volgens de christelijke jaartelling op donderdag 26 oktober 2000, zal het driedaagse Symposium 30 jaar Studie Nederlands in Indonesië aan de Universitas Indonesia worden geopend. Twaalf uur later is mijn optreden in het huis van de ambassadeur gepland.

De siësta van zoëven zal me straffen, mijn jetlag gaande houden: ik blijf de hele nacht wakker liggen.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Welkom in Jakarta

De lucht boven Jakarta is grauw, totdat ik beneden me uitgestrekte visvijvers zie verschijnen, kamponghuisjes, autowegen. Dan herinner ik me weer de armoede die ik zag destijds in Surabaya, toen ik er met de trein binnen kwam rijden: kilometers lange armzalige krotjes langs de spoorlijn. Die hebben ze hier meer dan daar, nou, welkom in Indonesia dan maar weer.

Achter de douane staat geen chauffeur te zwaaien met een bordje met mijn naam erop. Hij zal wel vertrokken zijn, ik ben immers uren te laat. Op Schiphol nog heeft de secretaris van de ambassade mij via mijn contactpersoon van het Vertaalfonds laten weten dat zijn chauffeur desnoods urenlang zou wachten. Indonesian style. En dat het met een beetje staartwind wel mee zou vallen.
     
Niks staartwind, we kregen neuswind. En ook niks geen Indonesian style, die chauffeur is in dienst van een Hollander.
     
Ik sta buiten met mijn tassen, Jakarta Airport is weinig veranderd, het ziet er hooguit wat schoner uit en de auto’s, die zijn nieuwer. Natuurlijk krijg ik een horde taxichauffeurs om me heen, ze vragen me waar ik vandaan kom, hoe het met Ajax gaat en waar ik naartoe moet. Ik zeg dat ik naar Hotel Marco Polo moet en dat ik zal worden afgehaald, maar besef te laat dat ik de naam van het hotel natuurlijk nooit had moeten noemen. Want waar is die afhaler dan, meneer? Ik speur om me heen naar een auto met een CD-nummerbord en de jongens speuren met mij mee. Ze beginnen alvast tegen elkaar op te bieden om mij mee te kunnen nemen. De goedkoopste prijs is tweemaal de normale prijs, het doet er niet toe want ik heb toch geen rupiahs op zak. Die verkochten ze eventjes niet op Schiphol…
     
Ik vraag ze of ik ergens kan bellen want mijn GSM blijkt hier niet te werken. Bellen zonder belkaart is ook hier lastig, maar voor een dollar wil een taxichauffeur mij zijn telefoonkaart wel lenen en geeft me de secretaris van de ambassade aan de lijn. Die zegt dat zijn chauffeur onderweg is, er al had moeten zijn, dat ik geen taxi moet nemen, die vragen echt veel te veel, enzovoort.
     
Ik neem een jongen zonder taxi en zonder ander werk dan het sjouwen van tassen van hopeloze aankomers mee naar MacDonald voor een colaatje. De jongen laat me een rijtje bankbiljetten zien van allerlei Europese makelij. Ik stop er een Hollands tientje tussen.
     
‘Wél inwisselen vóór 2002, want dan gaat de Euro in en daarna is-ie niks meer waard.’
     
‘Ik heb een vrouw en kinderen thuis, wij zijn zo arm.’
     
‘Waarom wissel je dan dat geld niet in? Je hele portemonnee zit vol met Europees geld, jongen.’
     
‘Souvenir, mister.’
     
‘Van souvenirs kun je niet eten. Wissel ze in en geef je vrouw en kinderen te eten.’
     
‘Ja meneer, goed meneer. Wilt u een taxi?’
     
‘Nee, ja, nee, misschien, weet ik nog niet. Ik heb hoe lang ik weet niet meer geslapen, ik kan nu niet denken. Ik ga wel aan de weg staan wachten.’
     
Hij pakt mijn tassen op en loodst me naar buiten, waar het warm is en tochtig. Ik ga achter een paal staan om geen kou te vatten. Een taxichauffeur haalt zijn identiteitsbewijs tevoorschijn: ‘Kijk meneer, ik ben christen, ik ben te vertrouwen, ik breng u naar Hotel Marco Polo.’
     
‘Hij is goed, meneer, een waar christen,’ zegt mijn jongen, de sjouwer.
     
‘Ben jij ook christen?’ vraag ik hem uit verveling.
     
‘Nee, ik ben moslim. Maar wij hier maken geen ruzie, wij vechten alleen tegen gouvernement, meneer.’
     
Zie ik daar geen witte auto met een CD-kenteken wegrijden?
     
‘Eh… ik moet even bellen, jongens.’
     
De VVV neemt graag een Amerikaanse dollar aan voor mijn tweede telefoontje naar de ambassade en ze laten het bankbiljet van hand tot hand gaan.
     
‘Lelijk hè, die dollar?’ zeg ik.
     
‘Ja, maar nieuw. Veel geld waard.’
     
‘Ons geld is veel mooier.’
     
‘Ja? En is Nederland ook zo mooi?’
     
‘Nee, dat niet.’
     
Ze vragen me niet waarom ik dan niet in Indonesia kom wonen, zoals men mij dat twaalf jaar terug herhaaldelijk vroeg, en beginnen ongegeneerd op de Suharto-kliek te kankeren. Toen ik die naam twaalf jaar terug eens liet vallen in het huis van mijn tante, dook iedereen bijna van schrik onder de stoelen.
     
‘Hallo weer, met Alfred Birney… zeg ik word onderhand bingoeng van dat wachten hier, ik ben al 30 uur wakker en ik heb honger, zal ik dan maar een taxi nemen naar het hotel? Ik heb dollars bij me.’
     
‘Nee, u dient fatsoenlijk te worden afgehaald.’
     
‘Ja maar met zo’n neus…’
     
‘Hoezo, bent u verkouden?’
     
‘Nee, ik bedoel de neus van de Boeing, maar ik sta hier intussen al twee en een half uur op uw chauffeur te wachten. Nou weet ik wel dat ik geen Nobelprijswinnaar ben, evenwel…’
     
‘Hij komt hoor, echt! Ik verzeker het u!’
     
‘Hoe ziet de auto er dan uit van uw chauffeur?’
     
‘Hoe die eruit ziet? Nou, gewoon als een auto.’
     
‘Goed, wat voor kleur heeft die auto?’
     
‘Eh, wit.’
     
‘En verder?’
     
‘Tja, zo’n Jeep zeg maar, zo’n Japans Jeepmodel.’
     
‘O, dan ligt hier de bron van het misverstand.’
     
‘Hoe bedoelt u?’
     
‘Nou, ik keek eerder uit naar zoiets als een, ik zal niet zeggen zesdeurs maar dan toch wel een vierdeurs-Mercedes.’
     
‘O nou, die had ik u graag geboden, maar ik ben de ambassadeur niet, ziet u.’
     
‘Neemt u mij vooral niet kwalijk, meneer.’
     
‘Nee hoor, en neemt u mij ook vooral niet kwalijk. Kijk, het is hier een gekkenhuis momenteel met die conferentie en al dat erbij komt kijken.’
     
‘Zal ik anders maar wachten tot de volgende gasten hier arriveren? Die zouden in de avond om acht uur met een KLM-toestel arriveren, heb ik begrepen.’
     
‘Eh nou, daar weet ik nu even niets van. Meneer Birney, nog even geduld en u wordt dan echt afgehaald, heus, houdt moed, neem een verfrissing zou ik zeggen, of nee, kijkt u vooral uit naar een witte Jeep met een cd-kenteken.’
     
Ik hang op en zie buiten overal witte Jeeps rijden. Zonder cd-kenteken.
     
‘Meneer, wilt een taxi? Ik breng u naar uw hotel.’
     
‘Straks, misschien… Nog éénmaal kijken of die chauffeur er al is.’
     
Drie taxichauffeurs, plus twee sjouwers en een oude man die Nederlands verstaat maar niet wil spreken, vergezellen mij terug naar de aankomsthal. Na enig gezoek vinden ze de chauffeur van de secretaris ergens verstopt tussen een menigte afhalers. De chauffeur is klein van stuk, heel klein, en het bordje met mijn naam heeft hij niet boven zijn hoofd gehouden maar voor zijn buik…
     
De christen onder de taxichauffeurs heeft hem voor mij gevonden en komt zich nu daarover bij mij beklagen: als hij hem niet voor mij gevonden had, dan zou ik in zijn taxi zijn gestapt, hij is immers christen: ‘U toch ook, zijn wij beiden geen christen? Geeft u me wat geld meneer, ik heb zo lang op u gewacht.’
     
Hij wandelt mee tot aan de witte Jeep, maar ik weiger hem schadeloos te stellen. Ik ben weliswaar gedoopt, maar dat kan ik ook niet helpen, heb me trouwens ooit laten uitschrijven uit het kerkelijke register opdat althans een minuscuul deeltje subsidiegeld naar een ander doel kon gaan, nogal naief van me, een tamelijke omslachtige administratieve onderneming bovendien. En nu dan moet ik in Indonesië gaan spelen wat ik niet meer wilde zijn. Want je bent hier nog altijd moslim, christen dan wel communist. Nergens in geloven, gelooft men niet. En ik ook niet, nu ik er even over nadenk.

De rit naar het centrum duurt anderhalf uur en gaat over tolwegen die in handen zijn van het gevreesde en thans belasterde syndicaat. De chauffeur spreekt in Bahasa Indonesia tegen mij, ik spreek in een mengeling van Engels, Nederlands en Indonesisch tegen hem. Bij elk tolhuis begint hij te mopperen op het syndicaat en vraagt mij dan het tolgeld aan de ambtenaar overhandigen, dat is handiger want hij heeft zijn stuur links in plaats van rechts, nogal onhandig in Indonesië. Misschien hebben ze de Jeep gewoon uit Nederland laten komen?
     
De chauffeur overhandigt me een mapje proza. Een welkomstbrief, een bulletin, een uitnodiging. Leuke openingszinnen:

Welkom in Jakarta! Ik hoop dat Uw vliegreis naar wens verliep en het vervoer naar het hotel ook probleemloos is gegaan.

Ook in de komende periode is geen verbetering verwachtbaar in de instabiele toestand waarin Indonesië zich bevindt.

The Ambassador of the Kingdom of the Netherlands and *** request the pleasure of the company of…

… de schrijver die men niet verwacht heeft in het hotel. Verwondert me niks. Ik bel de secretaris van de ambassade. Hij wordt nu echt bijna boos en zegt dat hij de vorige dag nota bene persoonlijk een kamer voor me is komen regelen. Ik moet denken aan die pianist uit Ishiguro’s roman The unconsoled. Hij komt aan in een stad, waar hij kennelijk wordt verwacht, maar er is niemand die hem opvangt. Wordt een zwerftocht…
     
‘Wenst u zelf een kamer te boeken, meneer?’ wordt mij vanachter de balie gevraagd.
     
Ik knik. Ga me een beetje lopen zwerven. Ik ben de pianist niet.
     
Een jongen in wit uniform brengt me naar een kamer op de vijfde verdieping. Uitzicht: blinde muur.

     
Toch eerder iets voor Jean Paul Sartre. In de schacht tussen de muur en mijn venster galmt moslimgezang. Dat lijkt me juist weer aardig voor Salman Rushdie. Zou dan fijn hier zijn boekenweekgeschenk een contrapunctieve ondertoon mee kunnen geven, ditmaal tegen het intellectuele Westen, waar-ie vandaag of morgen ook wel schoon genoeg van zal hebben.

     
Even testen. Televisie. Werkt niet. Koelkast. Werkt niet. Radio. Werkt niet.

     
De natuur werkt wel. In een mum van tijd zit de salontafel onder de kleine mieren die op mijn colablikje afkomen. Maar wat zou het, ik gooi de balcondeur open en de broeierige zuurstofarme tropische stadslucht vol koolmonoxide, riooldamp, krêtek, kruiden en zweet slaat me tegemoet. Mijn lichaam voelt zich erin thuis, ik zet de airco aan en val in slaap.

* * *

alfred birney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Een neus voor vliegen

De witte Jumbo van Singapore Airlines met het getal 1000 op zijn kop heeft een gaatje in zijn neus, veroorzaakt door een onduidelijke vogel met kamikazeneigingen. Ik ben terug op Schiphol, ditmaal om in oostelijke richting te vliegen. KLM zette me eerder niet op het gewenste vliegtuig naar Amerika omdat het bijna volle maan was en zijn zusje North West Airlines vloog niet op tijd terug naar Nederland omdat de piloot niet uit zijn nest kon komen.
     
Singapore Airlines blijkt nu ook last van kuren te hebben, maar verslaat KLM/NorthWest toch met klantenbinding. Hun baliepersoneel van mooie, fijngebouwde blonde meisjes biedt ons passagiers consumptiebonnen aan plus een snelcursus vliegtuigneuskunde. De meisjes in de lucht zijn ook mooi en fijngebouwd, maar bruin. Eigenaardig, die apartheid. Vinden de imagebuilders van Singapore Airlines die sarongs niet passen bij blanke meisjes?
     
Ik eet nootjes en drink cola van mijn consumptiebonnen aan een bar waar je toevallig mag roken in Schiphols huichelachtig rookvrije en schone labyrint. De barkeeper doet zijn best om zijn homoseksuele geaardheid met een soap act te etaleren en zegt dat er niks boven cybersex gaat. Leest hij Cyberney dan-nie? Zijn humor heeft een bittere ondertoon, misschien is hij eenzaam thuis, waar-ie aldoor over spreekt: zijn pc, zijn kabelmodem, zijn webcam.
     
Ik ga naar een land waar eenzaamheid niet lijkt te bestaan, ik ben er al 12 jaar niet meer geweest sinds ik er een bezoek bracht aan het graf van mijn peranakan-Chinese grootmoeder. Ik herinner me dat ik daar in Indonesië nooit alleen was. Eenzaamheid voelt anders daar, minder alleen. Toch is het leven er oneindig harder dan hier in Nederland.

Na het urenlange gehang aan de bar ga ik eens kijken naar hoe het met de neus van de witte Jumbo is gesteld. Een nieuwe neus was niet voorradig op het vliegveld en is ijlings uit de fabriek gekomen. Toch niet uit een speelgoedfabriek? De glanzende witte snoet scharniert als een deur op de toet van de plane en moet de radargevoelige elektronica beschermen.
     
De mecaniciens krijgen hem niet dicht. Is er al een rol plakband onderweg?
     
Ik sta aan de gate en monster mijn medepassagiers. Fronsen zij hun wenkbrauwen vanwege het nerveuse gestuntel van twee inderhaast opgetrommelde mecaniciens van Lufthansa, of vanwege de vertraging? Ik zal mijn aansluitende vlucht in Singapore missen, dat is zeker. De chauffeur van de secretaris van de Nederlandse ambassade zal mij in Jakarta tevergeefs opwachten.
     
We mogen al instappen. Nou dank u, gaat u gerust voor. De passagiers slenteren wat weifelend naar de slurf. Een klein groepje blijft bezorgd staan. Wie onderweg is, is onderweg en moet zich oefenen in niet daar willen zijn waar hij of zij niet is, nietwaar? Ach overgrootmoeder, was ik maar een wijze Chinees, een oude uit een antieke dynastie. Zet me met een penseel en rijstpapier aan de goudvissenvijver en laat mij luisteren naar het zingen van de hofdames van mijn heer, die me morgen de strot zal laten afsnijden omdat een haartje van mijn penseel in de inkt op het perkament is achtergebleven.
     
Zal ik ditmaal sterven, voorouders? Je moet toch ééns neerstorten. Hoe vaker je vliegt, hoe groter de kans, zeg mij maar dat het niet zo is.
     
Ik ga als een der laatsten aan boord. Wie bang is voor vliegen die toont moed door te vliegen. Wie niet bang is voor vliegen, die toont niets bijzonders door te vliegen.
     
Mijn stoel staat helemaal achterin, een plek van niks omdat je er je leuning maar half naar achteren zetten. Slapen wordt dan nóg lastiger dan het al is in zo’n ding. Nou blijft de staart meestal wel heel na een crash, dus jouw lijk kunnen ze er dan als eerste uithalen. Scheelt toch weer tijd, je ligt dan eerder in je kist, prettig voor je nabestaanden want die hebben het als iedereen druk-druk-druk of cultiveren een burned out, in elk geval tonen ze de wereld dat ze hier niet zijn om alleen maar boter-kaas-en-eieren te spelen.
     
Ik zit naast de nooduitgang. Prettig. Minder prettig is het dat het boordpersoneel die dikke deur niet dicht kan krijgen. De vliegtuigtrap is te ver omhooggeschoten en houdt de deur in de tang. Het ongetwijfeld intelligente personeel probeert nu trekkend en rukkend de loodzware deur over het trapbordes te trekken. Verkieslijker lijkt het me om het grondpersoneel de trap onder die deur te laten zakken, maar dat zal nog wel bezig zijn met het onontbeerlijke reukorgaan aan de andere kant.
     
Enige doorgewinterde luchtreizigers naast me beginnen te verhalen over de spannendste vliegreis uit hun logboek. Noodlanding op Timboektoe. Duizend verschroeide pinguïns na een tussenstopje op de Zuilpool. Vechtende krokodil en haai op de startbaan van Surabaya. Dat soort dingen.
     
‘Volgens mij staat het vliegtuig scheef.’
     
‘O ja?’
     
‘Ja, kijk maar, zie je die lijn? Ze hebben het vliegtuig helemaal verkeerd geladen.’
     
De take off is de onzekerste die ik ooit heb meegemaakt. Het lijk wel alsof deze Jumbo een ego heeft en helemaal de lucht niet in wil. Er staat een stevige wind, het toestel trekt zo traag en hortend op, dat ik bijna echt begin te bidden voor mijn nabestaanden.
     
‘Komt dat ding nog omhoog of hoe zit dat?’
     
‘Het is die lading, ze hebben het schip veel te erg volgestouwd.’
     
‘Het schip, hè?’
     
‘Straks wordt de lucht ijler en dan vliegen we.’
     
Die profetie wordt bewaarheid. We komen te vliegen. Zal me een lekkere landing worden met zo’n scheef geladen toestel. Enfin, dat is een zorg van 12 uur later.
     
Elke stoelleuning heeft een monitor in de rug, waarop je speelfilms kunt zien, Nintendo kunt spelen én de vluchtroute kunt volgen. Kan de KLM niet aan tippen. Bovendien wordt er champagne geschonken, wat ik niet lust, en aero-rijsttafel geserveerd, wat niet te vreten is. Nou hoef je je neus maar op te halen of een stewardess komt je vragen of je misschien iets anders wilt eten. Maar de sarongs en condé’s die ze dragen geven je ook weer het gevoel in een reclamespot te zitten en je zou toch weer bijna heimwee krijgen naar die tof-horkerige Hollandse KLM-meiden.
     
Ik zal 12 uur lang muziekzenders afzappen, van jazz via klassiek naar Asian Pop, terwijl ik me kinderlijk verbaas over de landen die we bijna hautain overvliegen.

Iemand in Tajikistan ziet in de heldere nacht een vliegtuig overkomen. Ze kan niet slapen, maakt haar zusje wakker en zegt: ‘Kijk, een vliegtuig! Waar zou dat heengaan?’
     
‘O,’ zegt het zusje slaperig, ‘naar Singapore.’
     
‘Hoe weet je dat?’
     
‘Nou, dat denk ik zo.’
     
‘Misschien zit de man van je dromen wel in dat vliegtuig en gaat-ie je zomaar voorbij.’
     
‘Ja… een schrijver.’

birney in vliegtuig

‘Ja, die Cyberney, die bruine desperado op klompen uit dat land waar alles kan en mag en waar ze penalty’s missen bij het voetbal omdat ze in de kleedkamer cocaïne snuiven.’
     
‘Stortte hij maar neer, dan kwam hij met de staart in onze tuin terecht en dan konden we hem oplappen en dan mochten we met hem mee naar Holland, waar het leven zo goed is en waar ze je niet meteen voor je kop schieten als je eens met de postbode neukt.’

Blij dat ik er even vandaan ben.
     
De landing op Singapore is een harde, het toestel lijkt even op één schaats te rijden.
     
Smokkelen de Singaporezen misschien een paar stuurse Hollandse BSE-koeien mee voor hun dierentuin?
     
Fijn dat het grondpersoneel te Singapore alles zo heeft geregeld dat je direct een alternatieve vlucht naar Jakarta kunt nemen. Aangenaam ook te ontdekken dat het land, waar men je kop bijkans in de strop legt als je een sigarettenpeuk op straat gooit, een rookkamer heeft op zijn luchthaven. Fransen, Duitsers, Zweden, Hollanders en vooral Singaporezen paffen er dat het een lust is. Zelfs mannen in uniform, die zodra ze de rookkamer hebben verlaten weer je grootste vijanden zijn en je vele Singaporese dollars laten dokken als ze je betrappen met een peuk op de wc.
     
De plees bieden de bezoeker liefst drie manieren om de kont te reinigen. Dat kan hier met wc-papier, met een klassiek mandi-emmertje én met een kraanslangetje.
     
Dames en heren architecten in Negri Belanda! Houdt bij het ontwerpen van uw sociale woningbouwprojecten voortaan niet alleen rekening met de behoeften van onze mohammedanen, die de wc niet naast de keuken willen! Denkt u ook aan het kraanslangetje, waarmee u de zwijgzaamste minderheid van Nederland gelukkig kunt maken! En leert u eens uw kont te spoelen, verdomme nog aan toe! Onze ouders uit de Gordel van Smaragd zijn hier niet alleen gekomen om jullie enkel saté te leren vreten en Tjalie Robinson te leren lezen! Neemt u eens iets over van andermans pleecultuur: kijk eens naar de multiple choice die de Singaporees u biedt bij het verblijf op de vrolijke vierkante meter!
     
Ziezo. Cyberney heeft gesproken, geschreeuwd. Nog één peuk en dan het volgende toestel in naar Jakarta. Een kleinere Boeing. Smooth flight.
     

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!