Ik heb een uurtje geslapen, ben daarna nog een half uur in het ligbad gaan soezen en heb me toen gekleed. Het wasgoed wordt je hier fraaier gestreken en zachter dan waar ook ter wereld terugbezorgd: een weldaad. Op de uitnodiging van de ambassadeur en zijn vrouw de barones wordt als kleding casual gesuggereerd. Dat scheelt een stuk in de tropen, maar toch trek ik een wit overhemd aan op mijn spijkerbroek en draag een antraciet dun colbert van casual Italiaanse snit. Geen stropdas. Die draag ik nooit, ik haat stropdassen, de stropdas is het belachelijkste kledingstuk dat een man maar kan dragen. Praktisch gezien dient het nergens toe, zoals een sjaal. De strop zou dateren uit de tijd dat de Vikingen Brittannië onveilig maakten: ze lieten de mannen met stroppen rond de nek lopen, zodat die, als ze even praatjes kregen, in een handomdraai aan een boom gehangen konden worden. Zijn stropdasdragende mannen masochisten?
De telefoon gaat. Een baliemeisje meldt in het Engels dat de secretaris inmiddels is gearriveerd en beneden op mij wacht in de lobby. En dat ik me niet hoef te haasten.
Sigaretten mee. Aansteker. Een pen. Visitekaartjes. Wat nog meer? O ja, een doos boeken, meegesjouwd all the way from patria.
De secretaris van de ambassadeur is een van de geestigste mensen die ik heb ontmoet op de conferentie. Hij zal zijn humor ook wel hard nodig hebben om zich staande te kunnen houden in de wereld der diplomaten.
Maar nu toont hij een ander gezicht. Op de achterbank van de Jeep begint hij me aan een hoogst serieus interview te onderwerpen. Over mijn schrijverschap. Over mijn afkomst. Over mijn verhouding met de pers.
De chauffeur rijdt ons door het donkere Jakarta naar de ambassadeurswoning. Achter het hek staan veiligheidsmensen, ik weet niet of ze gewapend zijn. Eén van hen loodst ons naar binnen. We worden dus niet binnengelaten maar binnengeloodst, alsof er elk moment een stel militanten vanuit de boomkruinen rond de woning hun molotovcocktails naar onze koppen kunnen gaan gooien.
Het huis is een oud-koloniaal gebouw, perfect opgeknapt en onderhouden: een doolhof van grotere en kleinere vertrekken, gangen, brede trappen. Er staat beeldhouwwerk, er hangen schilderijen, er liggen tapijten op de marmeren vloer, we komen in het verkeerde vertrek terecht, waarschijnlijk dat van de ambassadeur, en worden dan haastig door de Indonesische huisbediende naar de kamer van de barones gebracht.
De bediende draagt witte kleding, zoals in tempo doeloe. De bediende maakt zich onzichtbaar, zoals in tempo doeloe. Ik ben geen kind uit tempo doeloe en heb de neiging om Indonesische bedienden als broertjes te beschouwen. Een probleem.
De vrouw des huizes komt binnenstappen. Ze toont ons trots haar vleugel en haar boekenkast, ze is van het entamerende culturele soort. Wanneer even later de ambassadeur binnenkomt in gezelschap van de schrijver Jacob Vreedenbregt, vraag ik deze collega of het waar is dat hij op gegeven ogenblik zoveel personeel had dat hij iets moest gaan verzinnen en daarom een jongen maar de hele dag vlinders liet vangen.
‘O, je bedoelt wat ik toen zei in dat programma van Adriaan van Dis?’
‘Ja.’
‘Ja, dat is zo. Tenminste: dat wás zo.’
De ambassadeur komt nog even terug op zijn openingstoespraak op de conferentie en zegt een beetje tobbend dat helaas lang niet iedereen van zijn humor is gediend.
Tijd voor de gastvrouw om mij de tuin te laten zien. Brede marmeren veranda. Op het gazon staan verspreid ronde tafeltjes op hoge poten. Partylights. Geen zwembad hier, waarschijnlijk de enige villa zonder zwembad.
Zou wat zijn geweest toch, een zwembad in de tuin van de ambassadeurswoning. Alle gasten te water en ik loop dan rond het bad terwijl ik lees uit Fantasia: De fenomenale meerval.
De ambassadeursvrouw heeft me die ochtend op de conferentie naar mijn wensen geïnformeerd en ik heb om een katheder gevraagd. Die heeft ze me beloofd maar er niet voor kunnen zorgen. Het lijkt haar veel leuker om de boel wat meer ontspannen te houden, misschien kun je een beetje rondlopen terwijl je voorleest?
‘Hm,’ zeg ik, peinzend over het narrenschap dat de schrijver tegenwoordig overal wordt opgedrongen. Dat krijg je ervan als die vervelende Hollandse cabaretiers met hun boeken de ‘literaire’ toptien bezetten.
‘Waar wil je staan?’
‘Waar ik nu sta, hier op de veranda, dan schuifel ik wel wat heen en weer en heb ik goed zicht op de mensen.’
‘Goed,’ zegt de gastvrouw handenwrijvend. Ze is enthousiast, misschien is de verveling hier in de villa achter de hekken voor haar wel net zo groot als voor de vrouwen van de bestuurders in tempo doeloe, waar ik aldoor aan denken moet hier. Maar mensen zoals zij houden op zijn minst het culturele leven een beetje gaande.
We spreken het draaiboek nog wat door en dan komen de gasten binnendruppelen. Er worden er 70 verwacht, buiten de groep meisjes die die middag op het toneel van de aula hun zangtalent hebben laten horen.

Zij zullen de avond openen met hun lieftallig gezang. Wanneer de gasten met hun voorgerecht klaar zijn, zal ik mijn act tonen, want zo noemt men dat tegenwoordig vanuit het ingebakken idee dat schrijvers artiesten zijn, clowns of zo, in elk geval geen schrijvers zoals dode schrijvers, want alleen dode schrijvers die nog worden gelezen zijn pas echte schrijvers: die hebben het tenminste altijd over anderen en niet over jou. Zo leef je als het ware schrijvenderwijs toe naar grafsteen, plaquette en een bladzijde of voetnoot in een overzichtswerk van de een of andere onbenul die zijn hele leven niet buiten zijn leeskamer is geweest en bij het aanvaarden van zijn professoraat nog ontmaagd moest worden.
Pikant toch: een stel bruine meisjes zingt op de veranda, begeleid door een bruine jongen op de gitaar. Bruine bedienden gaan rond met de schalen en een bruine nog geen dode schrijver zal een lichtvoetig verhaal gaan voorlezen op deze lichtvoetige avond in een tuin dat bevolkt wordt door een Europees publiek.
Mevrouw de dode schrijfster Madelon Szekely-Lulofs laat in haar beroemde en overgewaardeerde roman Rubber uit 1932 op een of ander partijtje een stel Indo-muzikanten opdraven als Indo-behang. Ik weet niet of men er na een slordige 70 jaar al achter is dat Indo’s ook al een jaar of honderd boeken schrijven, maar ik vermoed toch dat dat enkele figuren in het publiek zou verbazen. Waren ze volkomen van mijn achtergrond op de hoogte geweest, dan zouden enkele me beslist hebben gevraagd om ook eens die gitaar van die jongen tussen de zingende meisjes over te nemen.
Uiteraard krijgen ze mijn verhaal De jongen met de gouden vingers uit Fantasia te horen, speciaal voor deze avond geselecteerd. Gevoelige romanfragmenten bewaar ik voor intiemere avonden. Dit verhaal is eenvoudig voor te dragen: lekkere spanningsboog, een beetje muziek, een beetje liefde, een beetje geweld plus een beetje Indo-geschiedenis uit de jaren zestig. Wat zou dit publiek nog meer wensen? Toch geen verhaal over Indië mag ik hopen, of praat ik hier voor een neokoloniaal publiek?
Ik zweet me ongans bij het voorlezen van mijn verhaal, beweeg me zo’n beetje met de snoerloze microfoon over de veranda tussen de ranke zuilen, het publiek is schimmig bij de partylights in de tuin. Had ik de podiumervaring van Anneke Grönloh maar. Ik probeer de techniek van de artiest in praktijk te brengen, mijn ogen te laten zwerven zodat iedereen het gevoel heeft dat je ze aankijkt. Maar er zit ook publiek achter me.
In de tuin, recht in mijn gezichtsveld staat één man met een bierbuik en een glanzende halfkale schedel me aldoor zichtbaar genietend aan te kijken. Hij wordt mijn favoriet tussen het publiek, ik kom steeds weer bij hem terug en zie zijn hoofd steeds roder worden van de pret.
Zodra het verhaal uit is en het applaus wegsterft boven de miljoenen daken van Jakarta stormt de man met de halfkale glanzende schedel op me af en grijpt me bij mijn schouders.
‘Jongen,’ zegt hij, ‘je hebt me in je hart gesloten! Weet je dat ik die tijd waarover jij vertelde zélf heb meegemaakt? Ik kom uit Den Haag, ik was zélf zo’n gabber en het is écht zo wat je vertelde! Jemig, er waren altijd vechtpartijen tussen de Indo’s en ons. Ja, ik zeg maar ‘ons’, want stond wél aan de andere kant, begrijp je? En het is precíes wat jij zei: dat het ging om onze meisjes! Die liepen allemaal van ons weg om met de Indo’s te gaan dansen! Nou, en dan kreeg je inderdaad knokpartijen, ha ha, wat een tijd was dat! Maar het is nu voor het eerst dat ik het van de ándere kant heb gehoord!’
De man staat even later glunderend aan mijn tafel, waar ik mijn boeken signeer. Of ik erin wil schrijven: Voor Harry, die ouwe Haagse gabber.
Opeens komt er vanuit het niets een Indo aan mijn tafel staan. Hij is leraar in Jakarta en een liefhebber van Indorock en vraagt me of er nog een exemplaar van mijn verhalenbundel over is. Nee, helaas. Ander boek? Hij aarzelt.
‘Gaat het allemaal over Indorock, wat je schrijft?’
Ik kan het niet helpen, maar ik moet lachen. ‘Nee, zelfs niet altijd over Indo’s.’
‘Waarom niet?’
‘Dat vertel ik morgen op de conferentie wel. Ben je daar dan?’
‘Spijtig, maar ik moet lesgeven.’
Ik wil met hem spreken over zijn leven als Indo hier in Jakarta, maar het wordt druk rond de tafel en hij verdwijnt geruisloos terwijl ik mijn boeken signeer. Geruisloos dus.
Nog een Indo, een vrouw, aan mijn tafel. Ze zit in Jakarta omdat haar Hollandse man hier zijn werk heeft. Hoewel ze een generatiegenote van mij is, begint ze zich nu pas in haar Indoschap te verdiepen. Daarvoor moest ze eerst toevallig in Indonesië terechtkomen.
Ze verbaast me dat ze nog geen enkele schrijver van de Tweede Generatie heeft gelezen. Scholieren zouden moeten leren hun schrijvers te zoeken. Daar heb je dan wel leraren voor nodig die wat verder kijken dan naar wat hen voorgeschreven wordt.
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. 