De liefde en de dood
F. van den Bosch schrijft in zijn laatste verhalenbundel Aan de oever van ooit en nooit meer hoe een Zweeds familielid van hem samen met mijn grootvader de bankiers van Surabaya voor de gek hielden door hen een goudmijn voor te spiegelen ergens op Borneo. Mijn grootvader nam mooie vrouwen mee op zijn schip tussen Java en Borneo, waar hij en zijn compagnon niet meer dan een baggerschuit hadden liggen… We hebben er hard om moeten lachen, toen het nog niet op papier stond en we elkaar ontmoetten op een feestje, – een bejaarde kwajongen genaamd Frits ploft naast me neer op de sofa, kruipt samenzweerderig dicht tegen me aan en vraagt me of mijn grootvader soms Willem heette. We wisselen lacherig schelmenverhalen uit. Frits houdt zichzelf wakker door de askegel van zijn sigaret als een soort zandloper tussen zijn nicotinevingers te houden. Later ontdek ik Oom James als een steeds terugkerende figuur in zijn verhalenbundels. Oom James wil niet slapen in zijn bed, hij verkiest de sofa, bang voor oorlogstaferelen in zijn nachtmerries. Op een avond wordt hij onwel. Frits en een nichtje van Oom James brengen hem naar zijn bed, waarin hij sterft, terwijl zij de liefde bedrijven op de sofa tussen blauwe kussens met oranje vogels. Wanneer ik op de Pasar Malam Besar in de rol van interviewer op het podium de schrijver F. van den Bosch aan die scène herinner, begint hij te huilen. Anders dan Oom James stierf hij niet in bed. Hij lag ernaast.


