Het begon een poos geleden al met de een of andere staatssecretaris die vond dat schrijvers zich voortaan als ondernemers moesten gedragen. Dat hebben we natuurlijk een tijdje tegen kunnen houden, maar de nieuwe lichting komt inderdaad met bedrijfsplannen, dat zie je ook aan hun boeken. In het eerste hoofdstuk gaat de hoofdpersoon – een schrijfster – een kantoor binnen en overhandigt de een of andere malloot een visitekaartje waarop enkele trefwoorden staan. Seks. Religieuze stroming. Religieuze uiting. Relatie. Verkrachting. Ontvoering. Therapie. Botsing van culturen. Of wenst u een whodunit? Ik kan halfbloot op de cover. De uitgever pijpen? Geen bezwaar. Deadline? Weekendje Rome en ik heb het manuscript klaar. De redacteur gaat mee. Maar in Rome aangekomen blijkt de schrijfster banden te hebben met Al Qaida. De redacteur is echter al helemaal in haar ban geraakt en aarzelt: zal ook hij de wapens opnemen tegen een stel Americanos waaronder zich toevallig zijn schoonouders bevinden, van wie de dochter, zijn echtgenote dus, een jaar terug onder raadselachtige omstandigheden spoorloos is verdwenen? Geeft u maar snel een standaardcontract voordat feiten en fictie door elkaar gaan lopen. Ik moet overigens dringend naar een vergadering.
Ik gun dat soort schrijvers alle bestaansrecht, alle hitlijsten, een miljoenenverkoop en wat al niet meer, maar laat mij alsjeblieft de kunstenaar uithangen. Ja, ik weet het: het is een scheldwoord. Nou ben ik mijn hele leven al uitgescholden, dus dat kan ik wel hebben. Maar ik heb echt geen zin in gedoe met BTW en bedrijfsplannen en hoe ik mezelf in de markt denk te gaan zetten. Hou op man, ik ben geen ondernemer, ik ben een kunstenaar, ik ben luimig, om niet te zeggen manisch-depressief, onvoorspelbaar, ik heb geen idee wat ik morgen zal gaan doen en dat boeit me ook helemaal niet. Toch krijg ik het toch maar mooi voor elkaar steeds weer met een verhaal, een artikel of een boek te komen. Ik dien de cultuur, stelletje idioten!
Maarrr… ze blijven me voor een ondernemer houden. Zoals ze me voor een Indiaan houden, of een Indonesiër, of een Eskimo, in elk geval niet voor een Nederlander. Ooit moest je naar de Kamer van Koophandel toe – als je dat al wilde – nu komt de Kamer naar jou. Want op de eerste juli van het vorige jaar heeft de overheid – u weet wel: dat stelletje boekhouders daar aan het Binnenhof – de nieuwe Handelswet ingevoerd. Op 1 juli, die gluiperds, toen iedereen op het strand lag! Ik ga u niet vertellen wat die nieuwe Handelswet behelst. In het kort komt het er voor mij op neer dat ik me moet laten inschrijven bij het Handelsregister. De Kamer van Koophandel is intussen gemoderniseerd, dat zie je aan de wervende koppen in hun brief:
Uw inschrijving is zo geregeld.
Wat moet u doen?
Meer weten?
Enzovoort.
Over de kosten ga ik niet leuteren. Nee, het gaat hierom:
Het Handelsregisternummer van uw onderneming moet u op uw briefpapier, offertes, facturen, websites en e-mailberichten vermelden.
Ja, u leest het goed! Probeert u nou eens voor de lol via domaintools achter mijn verblijfplaats te komen. U krijgt hooguit te lezen waar de host van deze website zit. In Amerika lopen ze jaren op Nederland voor. Daar hebben ze natuurlijk al lang narigheid gehad met allerlei bekende mensen die werden lastiggevallen omdat hun gegevens zomaar opvraagbaar waren. Als je je website onderbrengt bij mijn host, dan kan je aanvinken of je je privé-gegevens buiten beeld wilt hebben. Dat kost niets extra. Voordelen: geen stalkers aan de telefoon, geen idioten aan de deur, geen ongevraagde manuscripten en overige post en ga zo maar door. Over bommeldingen zal ik het nog maar niet hebben. Dat is de goden verzoeken, niet?
Aanstonds is mijn bewuste keuze voor een Amerikaanse host totaal zinloos geworden. Want met je Handelsregisternummer op je website ben je in no time op te sporen. Alles ligt voor het grijpen, tot en met je telefoonnummer. En geloof me: ik heb in het verleden heel veel last gehad van onverbeterlijke stalkers aan de telefoon. Dag en nacht. Opgeschoten meiden, oorlogsslachtoffers, schrijvers-in-spe, ex-tehuisklanten, mensen die hun verhaal wilden verkopen, lezers, fans, mensen van vroeger, hijgers etc. Week in week uit. Totdat ik wel een geheim nummer moést nemen. Maar dan… De een of andere radio-omroep laat je nummer lekken en van lieverlede neem je een 06-nummer. En dan nu dit. Hallo daar, mijn naam is Alfred Birney en u bent hierbij uitgenodigd mij dag en nacht te komen lastigvallen.
Dit snappen zelfs de Amerikanen niet met hun paranoïde nieuwsgierigheid naar je profiel en de daaruit voortvloeiende eis dat je allerlei persoonlijke informatie via het internet moet opgeven voor je een visum gaat aanvragen. Ik zal een schrijverscollectief of iets dergelijks in het leven moeten roepen om onzichtbaar te kunnen blijven. Nee, de schrijversvakbond daar was ik al uitgestapt. Die bekijkt de zaak nog eens van alle kanten, zal de boel aankaarten als het allang niet meer hoeft, loopt hopeloos en chronisch achter op de ontwikkelingen op het internet, publiceert verhalen in dat muffe kwartaalblaadje van suffe schrijvers die nog maar net een website hebben gelanceerd – met frames, ook dat nog – en dat dan ook hoog van de toren blazen. Terwijl het onderhand toch tijd wordt om als schrijver juist het internet vaarwel te zeggen.