De schuldige patiënt

hat logo meneer b Ik was niet vooruit te branden gisteren. Om mijn tijd toch zo nuttig mogelijk te besteden belde ik een ex-vriendin van mijn zieke vriend en vroeg haar of ze zin had om nog eens voor die jongen te koken. ‘Ja natuurlijk,’ zei ze: ‘dat hadden we toch afgesproken?’ Ik maakte haar duidelijk dat die Hollandse afspraakcultuur, waar wij zo aan gewend zijn (ik mail wel wanneer ik schrijf wanneer ik bel voor een afspraak), niet de snelheid heeft waarmee de kanker voortwoekert in het lijf van haar ex-geliefde. ‘Ja maar hij doet ook helemaal niks hè?’ zei ze. ‘Hij is zo zelfdestructief, hij doet helemaal niks hè?’ Ik probeerde haar duidelijk te maken dat iemand met een ernstige vorm van kanker helemaal de energie niet heeft om ook maar íets te proberen. Het leek er even op dat ze het begon te begrijpen. Maar toen zei ze: ‘Hij belt ook niet op hè, om wat te vragen.’ Dat kwam me bekend voor. Je komt een ziekenhuis uit, waar ze met autobussen naartoe kwamen om je te bezoeken, maar ben je eenmaal thuis dan gaan ze wachten tot je belt. Dat doe je dan een paar keer. De een zit net in een verhuizing, de ander heeft relatieproblemen, een derde wil wel afspreken voor over twee weken. Wat mensen die daadwerkelijk langskomen gemeen lijken te hebben is dat ze zelf ooit zware tijden hebben doorstaan. Ik heb die ex-vriendin uiteindelijk maar gezegd dat als ze nou echt nog een keertje iets aardigs voor haar ex wil doen – gewoon een keertje koken, een babbeltje, als het niet te veel is gevraagd – dat ze voort moet maken. Straks staat ze te grienen bij zijn kist. En dan zal ze hem nóg de schuld geven, omdat hij vergat te sms’en wanneer ie sterven zou.