Slechte nacht. De wind beukt tegen mijn slaapkamerraam. Te lang achter mijn laptop zitten surfen. Ik droom onrustig, word vaak wakker. Ten slotte kom ik in een speelfilm terecht, waarin ik een achtervolger dood moet schieten. Mijn revolver werkt. Nu zit ik levenslang gevangen in een betonnen labyrint. De dag is nog niet aangebroken wanneer ik zwetend wakker word en uit mijn bed vlucht. Sinds de aanval op mijn hart mogen sigaretten mij niet meer kalmeren. Dan maar een kartonnetje sojadrank. Wat een ordinaire speelfilm! Stellig een erfenis van het ziekenhuis, waar ik ’s avonds veel in de televisiezaal rondhing. Ik heb me trouwens vergist laatst. Het is niet zo dat ik helemaal niet heb gelezen in het ziekenhuis. Ik heb het geprobeerd. De drie musketiers van Alexandre Dumas. Kijken of ik nog een jongen was. Nee. Het hoofdkussenboek van Sei Shônagon. Paste niet in de omgeving. Iemand nam een bundel mee van artikelen die Marguerite Duras ooit uit broodnood in kranten publiceerde. Ik slaagde erin twee korte aanklachten uit te lezen. Marguerite Duras beschrijft racistische taferelen rond Algerijnen in het Parijs anno 1957. Dat is bijna een halve eeuw voordat ik iets vergelijkbaars schrijf rond Marokkanen in Den Haag. Ik las ooit in een andere pocket met geselecteerde stukken van Marguerite Duras, dat zij graag urenlang naar de zee keek in Den Haag. Ze zal Scheveningen hebben bedoeld. Ik zie ernaar uit. Als ik naar de zee kijk, dan denk ik niet. Niet denken geeft een gevoel van welzijn.