Alfred Birney schrijver, webfreak, gitarist

alfred birney is uit het jaar van de kat

Auteur    Bibliografie    Boeken    Contact    TABs    Sitemap   


Doch er is een drawback – 3

Gelukkig hebben we de brief nog als lapmiddel tussen fictie en non-fictie. Rabina bracht de dames Anne Busken Huet en Sophie Potgieter in elk geval voldoende gesprekstof, waaraan een ‘geheime’ brief voorafging. Maar hoe kwam het dat deze dames uit literaire kringen zich verlaagden om ook maar met één woord te reppen over zo’n eenvoudige vrouw uit Oost-Java? Om antwoord te geven op de vraag hoe Rabina in Europese kringen verzeild was geraakt, moet ik terug naar de 12e oktober 1852, toen mijn overgrootvader George Birnie uitzeilde richting Nederlands-Indië, via Kaap de Goede Hoop.

George Birnie’s eigen overgrootvader was halverwege de achttiende eeuw via een Schots regiment in Nederland aan komen waaien en het leger ontvlucht door een Nederlands meisje te huwen. Hun enige zoon was een ondernemende geest, nam in Deventer een dweilenfabriek over van een Zwitser en breidde die uit met de productie van tapijten, zeildoek en andere ‘nuttige bekleding’. Ook hij huwde een Nederlands meisje, Aleida, bij wie hij drie zonen verwekte.

De eerstgeborene Gerhard David kwam bij zijn vader in de Deventer fabriek te werken. Op een dag vroeg de raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpennick hem zijn Smyrnatapijt te repareren. Moeder Aleida is toen net zo lang op het tapijt gaan zitten puzzelen tot ze de manier van knopen had gevonden. Naar haar bevindingen construeerde de jonge Gerhard David een getouw en ontwikkelde een product dat onder de naam ‘Deventer handgeknoopt tapijt’ de wereld zou gaan veroveren. Hij legde zich toe op het ontwerpen van tapijten, maar kwam te sterven toen hij pas 20 was.

De jongste zoon, Johan Willem, zou na het overlijden van de vader in 1830 de fabriek voortzetten. Eén van zijn eerste daden was het dagloon niet meer op de zaterdag maar op de donderdag uit te betalen, één dag voor de belangrijkste marktdag. De arbeiders konden nu niet meer direct de kroeg in duiken en na een weekendje doorzakken de maandag verstek laten gaan, zodat er na de dinsdag geen geld meer was om vrouw en kinderen te eten te geven. Ook begon hij met het heffen van premie, waarmee ziekte- en begrafeniskosten konden worden betaald. Verder werden sterke drank uit de fabriek geweerd, een portier aangesteld en geldboetes geheven op te laat komen, waarvan kleding en brandstof werden gekocht, die weer onder de 300 werklieden werden verloot. Johan Willem spoorde de arbeiders aan om lid te worden van de godsdienstige gemeente waartoe zij behoorden, charterde een verwarmde zaal en een dominee om hen godsdienstonderwijs te laten volgen en stelde, in de Schotse traditie, de zaal tevens ter beschikking aan leden van andere ‘gezindheden’.

Al deze maatregelen brachten een redelijke orde in de fabriek, waar allengs minder werd gezopen, gevloekt, geboerd en scheten gelaten en zo geviel het dat onze Johan Willem werd gelauwerd met ridderkruizen, want Koning Willem III was er als de kippen bij om aandelen te kopen toen de fabriek werd omgezet in een maatschappij.

Maar God had de brave man nodig. Hij stuurde in 1848 een donkere wolk uit Schotland naar de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten en liet hem daar een poosje hangen. Orders bleven uit. Johan Willem kon ze niet meer in de ogen kijken, de werklieden die nog altijd zo braaf zonder de jeneverfles onder de oksel op tijd kwamen en zondags psalmen en gezangen uit de minder schorre strotten lieten komen in het vrome zaaltje met het preekgestoelte, de gasverlichting en de warme oliekachel. De fabriek draaide zo slecht, dat hij deze enigszins opgevoede lui nu niet eens meer regelmatig kon betalen.

De gekwelde Johan Willem, terneergeslagen door de tegenvallende opbrengsten van zijn fabriek, ontvluchtte de stad, stak de grens over naar een plas bij Bentheim in Duitsland en verzoop zich er in het koude water. Ironischerwijs verdween direct daarop de donkere wolk boven de fabriek en begonnen de orders weer binnen te stromen.

Johan Willem liet negen kinderen na, bij twee vrouwen. Onder hen zat mijn overgrootvader George. Hij was 17 en leek geenszins van plan de fabriek voort te zetten, zelfs niet toen de fabriek beter liep dan ooit tevoren. Hij volgde een opleiding aan de bestuursacademie te Delft, zoals indertijd velen deden met oog op een loopbaan in Nederlands-Indië, en was 21 jaar oud toen hij uitzeilde om in de kolonie aan de slag te gaan.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007