George Birnie en Conrad Busken Huet maken zich op om in september 1875 samen met hun gezinnen naar Europa terug te keren. Om een of andere reden gaat de gezamenlijke reis niet door. De dood van Potgieter snijdt, zoals Anne aan Sophie schrijft, bovendien de laatste fysieke band door die Busken Huet nog met Nederland heeft. De vriendschap tussen George Birnie en Busken Huet is een goeddeels zakelijke en de scheiding van het tweetal is nauwelijks pijnlijk te noemen. Busken Huet komt uiteindelijk in Parijs terecht, waar hij de laatste tien jaar van zijn leven zal slijten.
George Birnie heeft zijn huis in Batavia verkocht, gelegen aan de westkant van het Koningsplein, waar ook de familie Couperus, onder wie de latere schrijver Louis nog als jochie, van 1872 – 1878 woont. Het beheer van de onderneming in Djember wordt aan neef Gerhard David overgedragen en George vertrekt, dus zonder de Busken Huets, met Rabina naar Europa.
Om Rabina aan die andere wereld te laten wennen, trekken ze eerst naar Napels. Ze logeren er een maand of negen in Hotel de Russie aan de Corso Vittoria Emanuela nr. 8. De kinderen zitten, neem ik aan, dan bij hun tantes in Deventer.
‘Zeg Rabina,’ vraagt George op een dag, ‘wil je vanavond niet meegaan naar de Opera?’
‘Opera, opera, watte geven? Faust? Ouwe man met dikke boek (buik). Dank je hartelijk.’
George schreef in één van zijn brieven dat het bijna niet mogelijk is zich straffeloos te onttrekken aan het milieu waarin men geboren is, of waarin men later meer dan een halven menschenleeftijd heeft doorgebracht.
Het liefst was hij vanuit Italië linea recta terug naar Djember gegaan, maar het leek hem onvermijdelijk de familieonderneming vanuit Nederland te moeten gaan leiden. Uiteraard zag hij al voor zich dat hij een probleem zou krijgen met zijn vrouw in Nederland. De vraag waardóór dat probleem kon bestaan, hoeft onderhand niet meer gesteld worden. Racisme is natuurlijk niet langer incidenteel te noemen. Zo veel zijn we de laatste honderd jaar wel opgeschoten.
In de zomer van 1876 krijgt de bijna 32-jarige Rabina eindelijk het moederland van haar man te zien. Aanvankelijk wonen ze in Velp. In 1880 betrekken ze een door George aangekocht familiehuis aan de Brink te Deventer.
Zoals George met zijn baard een opvallende verschijning was in Djember, zo was Rabina dat nu in het Overijsselse. Bij een wandeling op De Brink in Deventer riep een straatjongen naar haar: ‘O, wat ben jij vies!’
‘Ik heb bruine huid,’ antwoordde Rabina, ‘maar heb gewassen. Ik niet vies, jij niet gewassen, jij vies.’
Een dergelijke scène zou niet hebben misstaan in het proza van Dé-lilah. Helaas heb ik zelfs in haar proza, dat 2000 bladzijden telt, geen voorbeeld kunnen vinden van hoe Javaanse vrouwen zich bewogen in burgerkringen in Nederland. En als je het al niet bij de volkomen onterecht vergeten Dé-lilah kunt vinden, dan vind je het waarschijnlijk verder nergens.
Bronnen:
Joop van den Berg: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza. Amsterdam: Uitgeverij De Buitenkant; Uitgelezen boeken, katern voor boekverkopers en boekenkopers, jrg. 6 nr. 2, juni 1996. Of, verkort, in Indische Letteren, 12e jaargang, nummer 2, juni 1997: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza.
Elisabeth Birnie. De Birnies. Twello, 1992 (eigen beheer)
J.J.P. de Jong. De waaier van het fortuin. Den Haag, SDU: 1998
Olf Praamstra. Gezond verstand en goede smaak, de kritieken van Conrad Busken Huet. Amstelveen: 1991. Bij het ter perse gaan van dit nummer beschikte ik nog niet over de jongste biografie van Olf Praamstra over Conrad Busken Huet en ik kon dus nog niet nagaan of hij de onderhavige brief van Anne Busken Huet misschien (in zijn geheel) heeft geciteerd, wat overigens het geval is. De brief van Anne Busken Huet ontving ik in 2001 per e-mail van Olf Praamstra, de biograaf van Conrad Busken Huet.
© Dit artikel verscheen eerder in De Gids van mei 2007