Er was geen regen

hat logo meneer b Er is niets fijners dan bij zware regen in je bed te blijven liggen. Ik heb medelijden met al die mensen die vroeg in de ochtend eruit moeten om mee te draaien in de krankzinnige economische molen, al is mijn leven zwaarder, zeker nu uitgevers ons schrijvers tot schrijfvee hebben gedegradeerd. Terwijl de regen viel en ik naar het plafond staarde, klonk David Crosby’s ‘What are their names’ (1971) in mijn hoofd. Meerstemmig klinken de woorden: ‘I wonder who they are, the men who really run this land, And I wonder why they run it with such a thoughtless hand…’ De muziek komt dan net op toeren. Aanvankelijk plukt iemand wat aan de snaren van een gitaar, een tweede en derde vallen in, ze vinden een eenvoudig motief en wanneer de hele band eenmaal draait, ben je deelgenoot van een commune die een mantra zingt. Die leidt naar een climax en ebt traag weg. Mooi. Muziek die als een orkaan op je afgevuurd vind ik een gruwel. Net als die studente van hierachter in de tuinkamer. Ik denk dat ze een jongen uit de kroeg had meegenomen. Ze hieven de glazen, ze trok haar broek uit en vroeg hem om cunnilingus. Het hele ritueel voltrok zich zo snel dat ze de tijd niet hadden de gordijnen te sluiten. Even later was ze alleen, ze keek televisie en at snacks. Het was zomer, een jaar terug. Het was warm, er was geen regen nodig om dit samenzijn zo armzalig te maken.