Alfred Birney schrijver, webfreak, gitarist

alfred birney is uit het jaar van de kat

Auteur    Bibliografie    Boeken    Contact    TABs    Sitemap   


Folkies (1)

logo alfred birney Ik had mijn gitaar verkocht om huurachterstand bij mijn hospita te kunnen inlossen maar kon er een lenen van een Amerikaanse jongen. Ik wandelde met hem mee naar een huis aan de Conradkade, waar zijn gitaar na een feestje was blijven liggen. Er werd niet opengedaan. Mijn metgezel, een kennis van een medekostganger, dacht dat men politie voor de deur vermoedde. Amerikaanse kinderen van kosmopolitische ouders waren vaak bang voor politie-invallen in die tijd; ze waren dat gewend in eigen land.

Hij haalde zijn schouders op en vroeg me mee naar de een of andere tent waar ik nog nooit van had gehoord. Ik voelde me wat verloren, de wind joeg duizenden herfstbladeren de brug over, we doken diep in onze jassen. Ik vroeg me af hoe hij gitaar zou spelen en bekeek zijn vingers, die zich kromden rond de revers van zijn ouderwetse loden jas, toen hij werd geroepen door twee Ierse expats aan de overkant.

We schoolden samen op de vluchtheuvel tussen de tramrails op de kruising van de Laan van Meerdervoort. De Ierse jongen droeg een gitaarkoffer volgeplakt met kleurige stickers die een reis om de wereld verrieden, zijn vriendin een vioolkoffer.

De jongens beraadslaagden waarheen te gaan. Het meisje en ik zwegen, het was op een avond in 1971, ik was twintig, zij misschien wat jonger, de jongens wat ouder. De Ierse jongen wilde naar Café Chantant aan het Noordeinde. Het was dringen geblazen daar te kunnen spelen op zaterdagavond volgens mijn Amerikaanse metgezel. Hij wist wel iets.

We liepen de laan af en sloegen linksaf bij Metropole. Uit een ambassadewoning klonk jazzmuziek, ik zag mensen in avondtoilet voor het raam en droomde er het pluche en de kroonluchters bij. Het meisje en ik liepen zwijgend achter de jongens aan. Ik hoorde ze spreken over David Crosby, die een solo-elpee had uitgebracht. Ik kende de plaat al, ik huiverde bij het laatste nummer, een soort Gregoriaans van spoken in een onwezenlijk Escheriaanse trapgewelf. De titel was I’d swear there was somebody here en vormde een verhaal zonder woorden met de elpeetitel: If I could only remember my name

De jongens doodden de tijd onderweg langs de Scheveningse Bosjes met een discussie over de betekenis van David Crosby’s lyriek. De een hield het op een hang naar reïncarnatieleer, de ander op een diep gemis zonder duidelijke voorstelling van wat dat kon zijn. Misschien bedoelden ze hetzelfde maar luisterden ze niet goed naar elkaar.

Een clandestiene folkclub lag ergens boven in een hoekhuis in het Renbaankwartier. Er was geen alcohol of marihuana, wel hete soep. Schaakborden, gedempte conversaties. Op een barkruk zat een jongen met een bebrild vollemaansgezicht, varkenslijf en worstvingers geweldig gitaar te spelen. Hij zong in het Gaelic. Ik verstond hem niet en begon een land te missen waar ik nog nooit geweest was.

Haagsche Courant, vrijdag 24 oktober 2003