Alfred Birney schrijver, webfreak, gitarist

alfred birney is uit het jaar van de kat

Auteur    Bibliografie    Boeken    Contact    TABs    Sitemap   


Folkies (2)

logo alfred birney Mijn vader had me het huis uit getrapt vanwege werkschuw gedrag en ik overwinterde bij een vriend in Rotterdam in een kamer die nooit werd gestofzuigd. Het verder propere herenhuis bood uitzicht op een saai plantsoen en in die hoedanigheid volop gelegenheid om na te denken over de zin van het leven en meer van die onzin. Het was in een tijd waarin de bomen tot bijna in de hemel groeiden: je nam een baantje voor zes weken bij een uitzendbureau, liet je ontslaan en leefde vervolgens van een wekelijkse uitkering. De uitkering verhuisde mee, maar ik haalde mijn geld alleen op als dat echt nodig was, want je moest er zo vroeg je bed voor uit en het was ook wel gênant om je hand op te houden.

Mijn gastheer, obligaat studerend aan de sociale academie, en ik leefden op een portie bami speciaal, nee bami extra per dag, ter waarde van drie gulden en vijftig cent. Die haalden we in een louche souterrain bij een Chinees wiens gezicht we nooit zagen achter een solide schuifluikje dat onvriendelijk snel open- en dicht ging. Om een lang verhaal kort te maken: de pastic bakjes waarin de bami extra werd verpakt zouden in de lente een plastic Euromast in de keuken vormen, wat de verhuurster reden gaf ons eruit te schoppen, maar dat doet er allemaal niet toe, het gaat om de muziek en niet over de afwas en wat daar allemaal aan gedoe uit voort kan komen.

We kregen veel bezoek van Jan, een jongen die gebukt ging onder zijn onvermogen een meisje te krijgen, wat hij met name weet aan zijn bril, die was uitgerust met zo’n beetje de dikste glazen die je maar kon krijgen. Je zag hem nooit zonder gitaar op schoot, een flattop met een rinkelende klank. Een mager meisje vergezelde hem in haar eeuwige Indiase jurk, die rook naar jasmijn en waarin kleine spiegeltjes zaten geweven met een reflectie die Jan er aan herinnerde dat zij zijn zusje wilde zijn en niet meer dan dat. Ze zong tweede stem op de ballades die Jan uit de Britse folkhoek haalde, want al wat Amerikaans was deugde niet.

De folkavondjes in de stoffige kamer met plakkerige rookstoelen en stapels boeken begonnen steevast met een ballade van de Britse groep Pentangle: There lived a lady by the North Sea shore… En eindigden op mijn verzoek met een instrumentaal nummer van Jan zelf. Dan draaide hij zijn rug naar me toe, zodat ik niet kon zien wat hij deed. Bovendien zette hij zijn gitaar in een andere stemming. Enfin, grote Jan kwam, grote Jan ging, grote Jan kwam, grote Jan ging, en op een dag kwam de boze lente en ik zag Jan nooit weer, zelfs niet op een podium. Jaren later hoorde ik dat Jan blind was geworden. Was voorzien. Karma. Daarom speelde hij zo veel gitaar, om later van de muziek te kunnen leven. Maar folk verkoopt niet. En talent doet niet ter zake. Wat dan wel is geloof ik bami, televisie en gemeubileerde kamers.

Haagsche Courant, vrijdag 31 oktober 2003