Alfred Birney schrijver, webfreak, gitarist

alfred birney is uit het jaar van de kat

Auteur    Bibliografie    Boeken    Contact    TABs    Sitemap   


Folkies (3)

logo alfred birney Suzanne had als lijflied Suzanne van Leonard Cohen, nogal obligaat, evenals haar gewoonte vrienden op thee en sinasappels te onthalen, naar de schets in het lied: and she feeds you tea and oranges… De Canadese dichter speelde als folkzanger eigenwijs walsend op nylon snaren, zijn bezongen Suzanne was een vriendin die nu met zeven poezen samenwoont en onze Suzanne een blasé Amerikaanse kosmopoliet die met haar Texaanse ouders de wereld rondde onder de vlag van een of andere oliegigant. Maar die olie interesseerde me niet, en dat doet het nu nog niet. Wat me wel interesseerde was het uitzicht van haar tuinkamer op een grote vijver. De kamer lag achter de garage, waarnaar ze was verbannen, opdat het folk- en hippievolk buiten beeld zou blijven. De moeder van Suzanne had nog nooit een Indo gezien en toen ze mij met Dave eens in de hal zag, riep ze uit: ‘Oh my God, they look like Indians!’

Enfin, de tuinkamer. Die heb ik later gebruikt in mijn roman Sonatine voor zes vrouwen, want ja, vaak is de omgeving waarin mensen zich bevinden aanmerkelijk interessanter dan die mensen zelf. Maar nu ik aan die episode terugdenk komen de Amerikaantjes toch weer mijn herinnering binnenwandelen. Steve was cool. Hij reed op een weerbarstige bromfiets die om de vijf kilometer een sleutelbeurt nodig had. Maar hij klaagde nooit, zelfs niet met pech in de nachtelijke duinen richting zijn kamer ergens in Wassenaar. Maar we zitten nu even in een drive in-woning in Voorschoten. Mijn Indische ‘broertje’ Dave was mijn held, hij had op zijn veertiende al een plaat opgenomen. Hij kon alles op het eerste gehoor naspelen, echt alles. Als Mitch er was, een droogkloot met een John Sebastian-act, dan speelde Dave een komische gitaarpartij van Arlo Guthrie (zoon van Woody Guthrie, Bob Dylan’s held), en Mitch deed dan de complete vertolking van Alice’s Restaurant, met de gevleugelde woorden: I wanna kill, I mean I wanna, I wanna kill! Intussen lieten de Americanos hun bommen als manna uit de hemel vallen op Hanoi en Haifong en wij liepen met die ban-the-bomb-speldjes op legerjasjes; die kunnen nu het museum wel in.

Op een avond waren er twee Amerikaanse vreemdelingen, al wat ouder dan wij, vijfentwintig of zo. Een van hen leek precies op de folkartiest Jim Croce. Hij zat daar maar over zijn gitaar gebogen te piekeren zonder een noot te spelen, terwijl Suzanne hem tea and oranges voerde. Ik vroeg hem waar-ie aan dacht. Suzanne fluisterde me in dat hij in Vietnam had gezeten. ‘Oh boy, zei ik, ‘sorry hoor, neem me niet kwalijk. Maar nu we het er toch over hebben… heb jij daar mensen doodgeschoten? Lijkt me niks, dat.’ Een bombardement van dodelijke blikken joeg me op de vlucht. Het sneeuwde buiten. Hij was dus zo’n Universal soldier uit het repertoire van Donovan. Die moest je bezingen. Die mocht je niks vragen.

Haagsche Courant, vrijdag 7 november 2003