Fragment uit De Onschuld van een Vis / Indische Gezichten

De handen van de man. De verraderlijk dunne vingers. Anders dan knuisten, eeltig en rond, de knuisten van een flinke bokser. Die kunnen iets liefs hebben, iets vaderlijks. Maar niet die pezige pantomimestokken, de harde botten van de dood onder een dunne elektrische huid. Ze hebben ooit gestreeld. Hebben ze ooit gestreeld? Zeker is dat ze hebben geslagen, geknepen, geduwd. Ze hebben een vermoeide vrouw weggeduwd, uit bed, herhaalde malen. Er waren van die avonden waarop ze de slaap niet konden vatten, door angstaanjagende geluiden die uit de slaapkamer kwamen. Gekerm, gevloek, gehuil. Dierlijk gebrul. Een bonk, een nachtkastje dat omvalt. Geschreeuw. De deur die opengaat, verwijten, bedreigingen. Deur wordt hard dichtgeslagen. Plotselinge stilte, intens. Dan geruis op de gang. Nu is het hun slaapkamerdeur die opengaat. De schrik slaat ze om het hart als ze hun wanhopige moeder zien binnenkomen. Ze heeft haar eigen hoofdkussen meegenomen. Zus ligt helemaal alleen in haar eigen kamer, moeten we haar niet gaan halen? Nee, laat haar slapen, ze is nog te jong, ze hoeft het niet te weten. Hoort ze dan niets? Nee, ze hoort niets. Pas veel later komen ze erachter dat ze zich slapende heeft gehouden. Die talloze keren. Verstijfde slaap, soort schijndood met behoud van bewustzijn. De jongens schamen zich, hadden haar moeten halen. Durf jij dan de gang over? Nee, jij dan? Nee. Nou dan. Zo ging het. Zij ligt daar ademloos alleen, terwijl bij hen in de slaapkamer het soms zelfs heimelijk gezellig is als moeder bij ze komt liggen. Ze loten erom wie er op de vloer slaapt, ze lachen, maar vaak horen ze in hun schijnslaap hun moeder zachtjes snikken en gaan ze ‘s morgens bezwaard, verzwaard, naar school, ze weten niet hoe snel ze na schooltijd thuis moeten komen, fietsen zich de longen uit het lijf, ze zal toch niet dood in huis liggen nu? Nee, maar op een dag vindt moeder een mes onder Joshua’s kussen. Zijn geheim, hij zal die bruut vandaag of morgen hartstikke kapot steken als hij nog één keer aan d’r komt!

Tijd om te vluchten. Op zekere dag. Met z’n vieren. Weg, naar een schuiladres. Wat een spanning, wat een rust. Zo, hij heeft nu niet alleen de hele slaapkamer voor zichzelf, maar het hele huis. Wij zijn weg. Verdwenen. Kan-ie tegen de muren slaan, tegen de deuren schoppen.