Beetje een Bordewijkbuurt met die straatnamen, waar ik tot mijn twaalfde opgroeide. Het Oord was berucht. Je kon er niet doorheen zonder met iemand op de vuist te moeten. Een ommetje via de Hengelolaan bood uitkomst, maar dan werd het rennen naar school. In de Zijdes woonden leuke meisjes. De Gaardes waren geheimzinnig met die enorme kelders.
Van Hoogveen was je snel op de Meppelweg. Daar lagen ‘de rotsen’: een uitgestrekte rups van neergekwakte keien. Onze moeders verboden ons er te spelen, we kwamen te vaak thuis met verwondingen. Voorbij de rotsen lagen de weilanden, waar we een pact sloten met de jongens uit het Oord tegen de boerenkinkels uit Loosduinen. Over de greppels springend trokken we naar een brede sloot om er op een vlot te gaan varen. Het water was zo donker en beangstigend dat ik er later in een roman een vriendje in heb laten verdrinken.
Op een dag kwamen we thuis met wilde rabarber, geplukt achter de rotsen. Onze moeders hieven het speelverbod onmiddellijk op en stuurden ons met tassen uit op de wilde rabarber. Het hele blok smulde mee. Helaas kwam een ploegje blauwkielen onder toezicht van de politie de illegale groente wegmaaien met de zeis. En nu, vele jaren later, met de weilanden allang onder de asfaltjungle, valt de politie een enorme kelder aan een van de Gaardes binnen om de grootste hennepkwekerij uit de Haagse recordlijsten op te rollen. U begrijpt vast wel waarom de buren daar nooit de moeite hebben genomen de politie te bellen. Waren ze natuurlijk te stoned voor.
Haagsche Courant, vrijdag 8 februari 2002