Herschrijven

hat logo meneer b Hugo Claus noemde schrijvers eens kruideniers, zo angstvallig als ze met hun teksten kunnen omgaan. In die tijd werkte ik nog met een schrijfmachine. Ik gebruikte correctiestrips om fouten met de hamertjes weg te tikken. Woorden verfde ik weg met correctielak, hele zinnen plakte ik af met langwerpige strips, waar ik dan een verbetering overheen typte. Toch was dat niet het echte kruidenieren. Bij het ware kruidenieren knipte je stukken tekst uit afgekeurde bladzijden, verzamelde ze en gaf ze met plakband of papierlijm her en der een nieuwe plek. Op die manier kreeg je een manuscript met bladzijden ongelijk in dikte en grootte. Een dergelijk pak papier kon je met recht een ‘ruwe versie’ noemen. In een kopieerinrichting liet ik er een duplicaat van maken en dat ging ik dan met een pen te lijf. Zo’n pen moest het lang zonder dop kunnen stellen, dus nooit uitdrogingsverschijnselen tonen, soepel en vloeiend kunnen schrijven en niet direct bezwijken onder een nijdige doorhaling. Ragfijn gepriegel in de kantlijn, ook dat moest zo’n pen aan kunnen. Ik heb nu zo’n pen. De middagtemperatuur maakte het me op deze nazomerse dag nog mogelijk om in de zon op mijn balkon in mijn manuscript te zitten wroeten, krassen en schrappen. Het schrappen van woordjes is flauwekul. Zinnen schrappen schept al meer bevrediging. Hele bladzijden doorscheuren is goed voor de ademhaling. Maar het grootste genot ligt in het herschrijven. Je verbetert het universum dat je ooit schiep en al te lang aan zijn lot hebt overgelaten.