Het spijt me, dank u, het spijt mij ook

hat logo meneer b Het was voor het eerst dat ik het Japanse winkeltje binnenging in de winkelstraat bij mij om de hoek over de brug. Ik had de eigenaar, een jongeman van 35, vaker op straat gezien en zowel hij als ik hadden bij het passeren de ogen neergeslagen. In het gewone verkeer kijk je als man naar een vrouw, je kijkt van een man weg, maar de ogen neerslaan is wat anders. Ik was nog niet binnen of de Japanse jongeman vroeg me of ik Indo was. Hij wachtte amper op antwoord en begon zich te verontschuldigen voor wat de Japanners de Indo’s hadden aangedaan in WO-II in Indonesië. Ik glimlachte hem toe en zei dat ik van de Tweede Generatie was en in het geheel niet met wrok rondliep jegens de Japanners. Zoals er veel Hollanders van mijn generatie zijn die niet met wrok rondlopen jegens de Duitsers. Sterker, mijn tante had een kind van een Japanse soldaat, dus het deugde allemaal al niet in mijn familie, zei ik hem en hij moest er erg om lachen. We namen in sneltreinvaart de geschiedenis van Japan, Amerika en Nederland en Overzeesche Gebiedsdeelen door en kwamen toen pas ter zake. Dat had niet veel om het lijf, ik had alleen wat Japans briefpapier nodig. Later besefte ik dat in oosterse culturen men meer aansprakelijk is op het gedrag van de voorouders dan in westerse culturen. Zo werd ik eens op een lezing in Indonesië door studenten ter verantwoording geroepen voor mijn vaders oorlogsverleden.