Het verloren lied 10
Grootmoeder sliep op een opklapbed in de huiskamer. Haar aanwezigheid maakte de atmosfeer oud. Het luidsprekerdoek voor de radio, met de houtgesneden tierelantijnen, leek een muffe geur te verspreiden, de ivoren knoppen voor volume en afstemming voelden plotseling vettig aan.
De avonden waren bedrukt en vol raadselachtige gesprekken. Het sleutelgat was een koele ster in de duisternis van de gang, de kokosloper een pijnbank onder mijn knieën: de drie-eenheid werd allengs hechter, een spookachtig front als op de reusachtige beschilderde borden van de bioscopen in de stad: streken van zwarte, diepblauwe en rode verf in golven langs de omtrekken van hun hoofden. Mijn moeder maakte beweging, soms, gaf iets lichts aan haar gebaren. Ze zit dan op de rand van de sofa, de rug gehold, en is minutenlang bezig haar lange blonde haar op te steken. Bedreven trekt ze een voor een de haarspelden tussen haar lippen weg.
`Ze is niet bij de les,’ hoorde ik grootmoeder zeggen, `het interesseert haar allemaal niets, Richard. Zet haar op een schip, laat haar zingen in een bruin café of haar laarzen verkopen in wijk 7 en ze keert nooit weerom.’
Zulk venijn deed me heel snel wegsluipen van het sleutelgat voor mijn moeder gepikeerd de huiskamer ontvluchtte naar de keuken.
Meer lezen over de jaren zestig volgens Alfred Birney?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek bij: BolCom


