Het verloren lied 14
De avonden kwamen waarop mijn grootmoeder het spook van haar verdwenen echtgenoot in ons huis aankondigde. Ik bespeurde grootvader in de stilte, zijn handen in de duistere schaduwen rond het gordijnoog zo kil boven het voeteneinde van mijn bed. Grootmoeder had aan tafel verteld van de doden, dat die alle huizen van familieleden langsgaan om afscheid te nemen van de levenden. Dat ze heel lang konden blijven treuzelen bij hen die ze liefhadden: nachtenlang aan hun voeteneinde zitten en heel langzaam zichtbaar worden.
Ik trok de dekens strak om me heen, die avonden, die nachten van verlamming. Er mochten geen kieren zijn waardoor grootvaders geest naast me in bed kon kruipen.
`Als je je hoofd onder de dekens stopt,’ zei grootmoeder, `dan kan hij jou niet zien, maar jij hem ook niet. Als je het toch waagt te kijken, kan hij zomaar voor je staan, meer dan levensgroot. De doden, zij zijn groter dan de levenden, zij houden hun adem langer in dan wij. Altijd, Michael.’
Meer lezen over de jaren zestig volgens Alfred Birney?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek bij: BolCom


