Het verloren lied 17
We hadden ons plekje op de onderste trappen in de portiek. We zaten er na schooltijd, de voordeur van Maria in onze rug, totdat ze door haar moeder naar binnen werd geroepen. Maria zei nooit veel, scheen me soms zelfs niet eens te horen, maar ze luisterde naar mijn mondharmonica. Verder deed ze weinig anders dan van tijd tot tijd haar kniekousen optrekken. Ze waren wit op de zondag, gebloemd door de week. Ze zat stijf rechtop, onder brave eerbied voor haar weerbarstige moeder, strik in het haar op de zondag, speldjes met vlindertjes door de week. Met haar handen vormde ze een kommetje in haar schoot en waakte stil over haar buideltje met snoepjes, waarvan ze me er steeds een gaf voor elk liedje dat ik op mijn mondharmonica speelde. Ze was streng, keurde uitvoeringen af als de noten niet helemaal leken. Soms was ze geraffineerd, afhankelijk van haar voorraad snoepjes. Dan vroeg ze om iets als Olé Guapa, een beroemde tango die zelfs mijn moeder niet op de accordeon kon spelen. Maar met Island in the sun of Catch a falling star verdiende ik moeiteloos mijn snoepjes. We kregen wel eens ruzie, als mijn mondharmonica onder de snoepkruimels zat en vals begon te klinken. Dan sliep ik niet eerder voor ik met een breinaald alle kruimels uit de klankpoorten had gepeuterd.
Meer lezen over de jaren zestig volgens Alfred Birney?
Bestel het boek bij: BolCom
Related posts:
- Het verloren lied 19
- Het verloren lied 4
- Het verloren lied 18
- Het verloren lied 8
- Het verloren lied 6
