Alfred Birney schrijver, webfreak, gitarist

alfred birney is uit het jaar van de kat

Auteur    Bibliografie    Boeken    Contact    TABs    Sitemap   


Het verloren lied 6

radio-antenne Op een avond in het voorjaar werd ik wakker van de deurbel. Er waren boodschappers aan de deur, ze klonken bezorgd. Ik hoorde mijn ouders haastig vertrekken, ze vergaten zelfs een blik in mijn kamer te werpen om te kijken of ik wel sliep. Ik ging uit bed en gluurde door de gordijnen naar beneden. Grootvader had een zwarte Citroën, een Traction Avant, maar hij zat niet achter het stuur. Vreemd: twee mannen met witte hoeden lieten mijn ouders alleen voorin stappen en spraken ze nog even toe door de raampjes. Het zag er geheimzinnig uit.

De mannen namen hun witte hoeden af en keken de zwarte Citroën na, die zij eerder hadden bestuurd. Het drong tot me door dat het de leden van grootvaders trio waren. Ik herkende ze opeens van de showfoto bij mijn grootmoeder thuis op het dressoir.

Ze staken de weg over naar de telefooncel bij de kruising. De wind speelde met hun open regenjassen. Ze droegen hun artiestenkostuums, zo te zien. De eerste, een blonde man, ging de telefooncel binnen. De tweede, een donkere man met een snor, bleef buiten wachten en ik zag hem aldoor turen in de richting van ons huiskamerraam. Zag hij mij gluren?

Toen de blonde man weer naar buiten kwam zochten ze een plek uit de wind. Ze zetten hun hoeden weer op, plantten elk een schouder tegen de glazen zijwand en rookten een sigaret in het vale licht van de telefooncel, de hoofden samenzweerderig gebogen bijeen. Even later reden ze weg in een taxi, die hen kwam oppikken, een zwarte Mercedes.

Ik kroop terug in bed en maakte me klein, gespitst op de radio in de huiskamer. Ik dacht geruis te horen, de klank van een verlaten radioweg ergens in de lucht.

Terwijl het grote gordijnoog me aan bed gekluisterd hield, liet de druppelende kraan in de keuken de tijd met een verlammende traagheid verstrijken. De avond liet mijn kamer stilaan uitdijen, de gang werd een lange tunnel met de huiskamer oneindig ver weg. Het huis, al te lang verlaten, vulde zich met de onzichtbaren van de nacht. Toen begon onverwachts de radio te spelen.

Er klonk een knarsend intro van violen en zachte blazers, een klein dwalend orkest dat eindelijk een halte had gevonden. Het bracht een zangeres met een lied, haar stem klonk hoopvol en droevig tegelijk. Ze klonk zo alleen, toch was haar lied oneindig mooier dan een psalm of gezang uit de zuivere kelen van een voltallig kerkkoor. Ik vouwde mijn handen en sloot mijn ogen om me te laten vertellen dat alles goed was. Ergens anders was het goed.

Maar iets deed haar stem beven en ze werd weggetrokken door een machtige hand, heel diep de radio in. Een zenuwachtig morsesignaal probeerde de muziek te verjagen en het lied dreigde helemaal weg te golven in een zee van ruis. De stem werd weggedrongen, het begeleidingsorkest stribbelde tegen en kwam sterk naar voren. Er waren uithalen van zachte blazers hoorbaar, de stem kwam terug maar zonder te willen strijden, gelaten voor wie of wat haar wilde wegjagen. En plotseling was ze helemaal terug, zo helder alsof ze in levenden lijve in de huiskamer stond te zingen.

Ik sprong uit bed en snelde de gang door naar de radio. Ik legde mijn oor tegen de luidspreker en moest aldoor mijn hand aan de zenderknop houden om het lied niet te laten ontsnappen. Zolang de zangeres er was kon mij niets gebeuren, want ze omsloot alles om me heen, het huis, de straat, het park, de hele wereld, alles wat ver en tegelijk zo dichtbij was en zich niet liet grijpen in de zwaarte van de nacht.

Het lied verdween, tegelijk met de dwaalzender. De radio liet weer een zacht geruis horen. De zenderplaat met al die toverachtige namen van buitenlandse radiostations verspreidde zijn warme gele licht. De afstemwijzer hing in de buurt van Radio Monte Carlo. Ik liet hem daar en bleef ineengedoken in grootvaders lievelingsstoel zitten wachten op de thuiskomst van mijn ouders.

Ik staarde naar buiten, over de boomtoppen van het Zuiderpark, en stelde me de zangeres voor op een wolk. Ze stond er met uitgebreide armen, haar voeten in de iriserende randen, de kin geheven naar het oneindige. Eén, twee frasen had ik onthouden en als ik ze neuriede kreeg ik heimwee, niet naar het lied van die oudejaarsavond maar naar dat andere op de bodem van mijn herinnering.

Ik neuriede voor me uit tot ik grootvaders zwarte Citroën terug zag komen. Mijn vader zat achter het stuur, mijn moeder had plaats moeten maken naast hem voor grootmoeder. De zwarte Citroën werd beneden geparkeerd en zou er nog heel lang blijven staan.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek bij: BolCom