Ik ben weer eens te braaf geweest
W.F. Hermans pestte zijn uitgever wel eens door zijn manuscript op de uiterste datum in te leveren. Een deadline was een deadline. Hermans was altijd ruim op tijd klaar met zijn boeken, toch wachtte hij met inleveren. Hij genoot van het idee dat zijn uitgever alle afspraken met drukkers, kranten, boekhandelaren en zo meer had gemaakt en nu zwetend van de zenuwen wachtte op zo iemand als een schrijver, die je eigenlijk nooit helemaal vertrouwen kon. Het was in een tijd waarin een deadline geen vooruitgeschoven datum was met gestolen tijd die uitgevers zich toe-eigenen voor een weekje Tel Aviv, weekendje Barcelona of waar ze ook maar heen vliegen omdat het leven zo zwaar is voor een uitgever. “Gelukkig hebben we mooie meiden achter onze telefoons zitten die al die dichters en romanciers op een nette manier afzeiken, anders kregen we die zielepoten zelf achter ons aan. Maar… ja… stel… je… eens… voor… Er kan áltijd een megaseller bij zitten! Handel is handel, boeken zijn handel, zo is dat!” Ik zit intussen even aan de kant van de media, heeft iets dubieus ja, want ik heb zonet een stuk ingeleverd over Tjon, de jongste roman van Theodor Holman. Ze zullen wel raar opkijken als ze zien hoe ik dat boek de hemel in prijs, want Alfred Birney kan zo lekker katten. Tja, en zich goed aan deadlines houden. Was ik maar zo sardonisch als die W. F. Hermans, ik had immers tot uiterlijk maandagochtend kunnen wachten. Het zou tactisch sterk zijn geweest, er zou geen tijd meer zijn om in mijn tekst te gaan zitten rotzooien. Nu hebben ze nog een weekend waarin ze me kunnen bellen om me te vragen of het boek écht zo goed was. Of er écht niet ergens een kritische nooit bij kan. Ik neem gewoon de telefoon niet op.


