De jaarlijkse Pasar Malam Besar is op handen, ik zie het aan de bedrijvigheid in de keuken van mijn achterburen een straat verderop. Ze hebben de keuken in een uitbouw achter één van de huizen, die al langer dan een eeuw meegaan. Ooit woonde een familielid van me in die straat. Verder terug in de tijd liet de romanschrijfster Dé-lilah in haar debuutroman Gecompromitteerd (1897) haar heldin er een poosje bivakkeren. Men hield er toen nog huisbedienden op na. Thans zijn de huizen veelal opgesplitst in appartementen. Ik denk dat men toen alle parterres van een uitbouw is gaan voorzien, zeker weten doe ik dat niet. Ze zien er uit als veredelde schuren, er zijn mensen die erin slapen. Maar mijn Chinees-Indische buren gebruiken de uitbouw alleen om te koken, en dan éénmaal per jaar gedurende enkele weken. Dat gaat dag en nacht door en ik weet na acht, negen jaar niet altijd niet wat er nou precies gebakken wordt. Dat het voor een toko op de Pasar Malam Besar is, staat buiten kijf. In het begin slenterde er nog een oude man rond, die om de haverklap door zijn vrouw met de mattenklopper naar binnen werd gejaagd. Toen hij was verdwenen had ze het rijk voor zich alleen, maar ik zie haar nu ook niet meer, misschien ligt ze op sterven of is ze al dood. Het gaat nu heel hard met de Indische mensen van het eerste uur, het lijkt wel alsof ze het leven uit rennen. Inmiddels doet onze – tweede – generatie nog haar best de Indische cultuur dynamisch te houden, zoals met het uitbrengen van de jaarlijkse boekenkrant Indisch Anders. Ik bespreek hierin Theodor Holmans nieuwste roman Tjon. De krant is gratis in toko’s, kiosks en dergelijke verkrijgbaar.