Wat ons moet hebben gecharmeerd in de solopartij van Jeff Beck’s Hi Ho silver lining, is de hoekige stijl, wat warse toon en terloopse onverschilligheid die de Britse gitarist ten gehore bracht. Rebelse stijl, zoiets. We wisten toen niet dat Jeff Beck eerder, in 1965, de plaats van Eric Clapton bij de Yardbirds had ingenomen en dat hij het was die die vreemde gitaargeluiden voortbracht, die wij thans kennen als distortion, het overstuurde geluid waarmee Jimi Hendrix aan de haal zou gaan en grote hoogten zou bereiken op bijvoorbeeld Who knows met zijn Band of Gypsys (1969/70). De elektrische gitaar had toen nog vele geheimen, er waren geen leraren die wisten wat die popmusici allemaal deden, en het verschijnsel video bestond nog niet als middel om alles af te kijken. Maar ik weet nog dat ook in 1976 vooraanstaande Haagse gitaristen avonden lang konden bomen over Jeff Beck’s uitvoering van Charles Mingus’ Goodbye Pork Pie Hat en veel toeschreven aan overdubs meer van dat soort trucs in de opnamestudio. Ze dachten toen nog dat Jeff Beck, zoals de meeste popgitaristen, met een plectrum speelde. Dat hadden ze mis. Geen plastic tussen zijn vingers en de snaren. Wat ze wel begrepen was dat Jeff Beck geen spervuur van noten nodig had, die supersnelle gitaristen lieten horen, om muziek te kunnen maken. Jeff Beck lijkt wat mij betreft zijn lyrische gevoel te verbergen onder het smerige gitaargeluid waar hij patent op heeft. De schoonheid erin ontdekken heeft iets van oesters leren eten.