Maanziek
Er werd gisteren een compleet bed bij me afgeleverd, maar ik was te moe om het in elkaar te zetten. Ik ging voor mijn doen vroeg naar bed, om vier uur in de ochtend, maar kon de slaap niet vatten. Het oude matras, vochtig en smerig riekend, dat zo veel vrouwen heeft ontvangen in tien, misschien wel vijftien jaar, was mijn vriend niet meer. Ik stond tijdig op om mijn zoon te ontvangen, maar zijn afwezige gedrag maakte me humeurig. Ik maak me zorgen over zijn neiging tot afzondering na gisteren een uurlang te hebben gesproken met zijn mentor op een ouderavond. Mijn zoon bood me aan te helpen het bed in elkaar te zetten en wees me op de volle maan. Ik wilde hem eerst niet geloven, ik dacht dat ik mij altijd zeer bewust was van deze maanstand, maar nu zat ik er toch naast. Ik zei tegen mijn zoon dat ik vast maanziek was. Hij moest erom lachen. Toen hij was vertrokken naar de sportschool en ik me naar de hoofdstraat repte voor een maaltijd, riep Susie me toe vanaf de fiets. Ik herkende haar eerst niet. Ik kuste haar aldoor op haar wangen en hield haar stevig vast. Susie is een internetcontact, ik zou haar niet in mijn nieuwe bed willen. Ik wil momenteel helemaal niemand naast me in mijn nieuwe bed. Ik wil alleen zijn, maar ik wil niet dat mijn zoon alleen is. Zijn eenzaamheid is de afgrijselijkste spiegel die hij me kan voorhouden.


