Merkwaardig klusje (1)
Ik hik tegen een deadline aan en aangezien ik een hekel heb aan stress kan ik maar beter ophouden met aanhikken en aan het werk gaan. Het klusje is het bespreken van een boek voor een in de zomermaanden te verschijnen boekenkrant die in een grote oplage door het land zal worden verspreid. Het boek is een roman van een collega, van wie ik weet dat hij ooit weigerde een roman van mij te bespreken. Het proza van de schrijver in kwestie, een generatiegenoot, staat ook wel zo ongeveer diametraal op dat van mij. Ik noem het babbelproza, wat hij schrijft. Ik ben meer de stylist, om zo zeggen. Mijn collega in kwestie haat dat. Helaas ben ik ook serieus. Een boek bespreken kost me een week werk. Eerst goed lezen. Dan erover schrijven en ook nog laten doorschemeren wat je ervan vindt, want dat hoort bij het vak. Toevallig heb ik een bloedhekel aan recensenten, zoals elke schrijver die heeft. Recensenten zijn namelijk gemankeerde schrijvers. In het ergste geval wonen ze op hun 40e nog bij hun moeder. Knaapje nog, van die dingen. Bevlekken tegenwoordig de webpagina’s van Wikipedia, om toch maar het idee het hebben althans iets voor te stellen. Gelukkig ben ik bekend genoeg om niet voor recensent te worden aangezien wanneer ik me eens bezondig aan het bespreken van andermans boek. Overigens zijn er landen waar juist schrijvers elkaars werk bespreken, omdat schrijvers nu eenmaal de beste lezers zijn, zoals musici de beste luisteraars zijn, enzovoort.
Ik schreef ooit een lyrische recensie over een boek van F. van den Bosch. Hij was een vriendje van me en net overleden. Maar was hij geen vriend en nog in leven, dan had hij ook die lyrische recensie gekregen. Het was nog in de tijd dat ik geloofde in integriteit en al dat gekraai meer van die enge journalisten met hun vriendjes en vriendinnetjes onder politici en overige machtsgeile idioten. Heb je eenmaal een blik achter de schermen kunnen nemen, dan lees je geen krant meer, heus. In de Surinaamse en Antilliaanse literaire hoek hebben ze dat al lang door. Daar steekt men gewoon de loftrompet, ook over de grootste bagger. Komen ze elkaar tegen, dan zeggen ze dat het weer helemaal niks was en slaan ze elkaar op hun smoel. Misschien hoort het zo ook wel te gaan. En misschien wordt het zelfs wel van minderheden verwacht: dat ze elkaar een beetje helpen. Wij leven immers in een racistische maatschappij, het staat alleen niet zo geschreven. Dus misschien moet ik dat boek van mijn collega morgen maar eens lekker in het zonnetje op mijn balkonnetje wat luchtigjes doorbladeren en in de avond 600 maal hosanna schrijven, want dat is het aantal woorden dat de komende vrijdag van mij wordt verwacht.
Stel dat ik het zo doe, ben ik dan een gecorrumpeerd mens? Iemand die het hoofd boog voor de vileine terreur achter de schermen? Of ben ik gewoon wijs en nog net niet de boeddha die zijn handen op zijn buik vouwt en de wereld vriendelijk toelacht?


