Ik was voor het eerst dit jaar op het plein. De banken waren vrijwel onbezet, de helft van de stadsbevolking lag waarschijnlijk op het strand. Ik koos een bankje uit en miste direct een sigaret. Dat is het wat het betekent om niet meer te roken: elke aan een sigaret gelieerde herhaling moet je steeds weer doden. Er hing een ouderwetse Hollandse dorpssfeer, moeders met kinderwagens, spelende kinderen, fietsers rond het plein, nergens een onvertogen woord, een goddelijke tranquillizer in de lucht. Na een uur verveelde ik me, miste het manuscript waarin ik eerder op de dag had zitten krassen. Om de tijd te doden verstuurde ik wat sms-jes naar vriendinnen. Geen antwoord. Wel sms-jes van andere vriendinnen. Eén wil over een dag of tien komen koken. Ze is goed in zalm en aubergine op de gril. Een ander wil me morgen eten brengen in een klassieke rantang. Er wordt goed voor me gezorgd. Afgelopen donderdag had ik het genoegen met het fenomeen thuiszorg kennis te maken. Een Indiase vrouw in een gele rok en een paarse bloes zeulde op haar slippers de stofzuiger achter zich aan mijn huis door. Ze liep moeilijker de trap op dan ik, had nogal last van de warmte. Ze gebruikte suiker in de thee. Dat is geen goede gewoonte. Ik heb toch maar Kawabata’s Duizend kraanvogels uit de kast gehaald, een boek dat een ‘waarschuwing is tegen de vulgaire bezigheid die de theeceremonie vandaag de dag is geworden.’ Het verscheen in 1951, mijn geboortejaar.