Onbekende vrouw

hat logo meneer b Het display op mijn GSM toonde een privé-nummer toen hij overging. Ik had een dutje op de bank gedaan na een iets te drukke dag. Gewoonlijk neem ik niet op, wars van anonieme bellers, maar ik verwachtte een telefoontje van een journalist. Hij was het niet. Het was K., een dolende secretaresse. Ze moet haar adres geheimhouden in verband met de een of andere inlichtingendienst. Haar verhalen waren ooit zo duizelingwekkend, dat ik nog altijd niet weet of ze nou voor of tegen de Palestijnen heeft gevochten. Belt ze steeds met een andere simkaart? Ik had haar lang niet meer gesproken. De sfeer van onze oeverloze telefoontjes op de late avond was direct weer terug. Ze vroeg hoe het ging en ik zei dat het goed ging. Toen ik haar vroeg hoe het ging begon ze opeens over haar ouders. Ik wist niet dat ze die nog had. Ze had altijd alleen maar over haar zoon gesproken. Ik begon er opeens aan te twijfelen of ze díe wel had. Er viel een stilte. Ik ging over op een schertsende toon. Dat doet het goed bij haar. Maar scherts aan de telefoon is voor zakenlui. En flirten dreigt altijd in de richting te gaan van een afspraak ergens in een hotel. K. schijnt alleen te kunnen minnen in een hotel. Haar angst voor intimiteit is net zo groot als die van de man die zich Guy Vincent noemt in Modiano’s novellenbundel Onbekende vrouwen, waarin ik afgelopen nacht las. Heet zij eigenlijk wel K.?