Op de terugweg van de avondwinkel stond Naomi er nog. Ze had me weer zien aankomen en deed weer of ze me niet zag. Maar ik sloeg haar op de schouder en begon een praatje. Over haar hond, die ze al zes jaar blijkt te hebben maar die ik nooit zag op het plein in de zomer. Ze heeft allemaal zevens op haar kerstrapport. Haar favoriete leraar is de geschiedenisleraar, omdat die wel leuk uit de hoek kan komen. We moesten ons gesprek beëindigen toen haar vriendinnetje naar buiten kwam met twee opgerolde pizza’s. Dat vriendinnetje schijnt mij nogal ‘eng’ te vinden. Ik weet dat van mijn zoon. Ze zei het een keer in een groepje op het schoolplein, terwijl Naomi zweeg. Ik ontweek het enge vriendinnetje door direct de winkel binnen te vluchten voor een paar blikjes cola. Ik ben nog altijd verslaafd aan cola. Toen Naomi me groette, deed ze haar best om nonchalant te klinken. Ik heb geen idee wat ons in elkaar aantrekt. Mogelijk heeft ze geen vader meer. Of ze vindt jongens van haar leeftijd gewoon ‘stom’. Ze is geen verleidelijke Lolita, nog niet, daar is ze te bedeesd voor. Is ze dat over een jaar nog niet, dan zal ze het nooit worden. Haar gezicht lijkt op dat van mijn literair agente: een hopeloze vlinder, die ontkent door haar vader te zijn misbruikt, terwijl haar zusters dat beiden wél zijn. Ik moet er niet aan denken dat Naomi stelselmatig door haar vader wordt misbruikt.