Pasen. De hel. Jarenlang de herinnering aan die afgrijselijke dag waarop mijn vader mijn vingers lam sloeg. Ik moet een jaar of zeven, acht zijn geweest. Het hinderde mijn vader al lang dat ik niet zelfstandig mijn schoenveters kon strikken, maar op die memorabele paasdag heeft hij zich laten gaan, een riem gepakt, mij gelast mijn vingers op de rand van het granieten aanrecht te leggen en de zweep erover gehaald. Met brandende vingers mocht ik nog eens proberen mijn veters te strikken. Dat ging niet. Het ritueel met de zweep herhaalde zich tweemaal. Mijn vingers zwollen zodanig op, dat zelfs mijn vader wijselijk even de keuken verliet. Mijn tweelingbroer sloop naar binnen en strikte snel mijn veters. Ik heb dit verhaal verwerkt in één van mijn boeken. De onschuld van een vis. Het hielp niet. Je kunt de dingen een plaats geven in proza, poëzie, muziek – de pijn van de herinnering blijft. Merkwaardig… mijn vader overleed enkele weken voor Kerstmis. Hij leefde in Spanje, ik had hem al meer dan tien jaar niet gezien. Het bericht was geen bevrijding voor me, integendeel. Twee maanden later lag ik met een hartinfarct in het hospitaal. Maar dan: Pasen… weg is de hel! Zelfs geen herinnering aan mijn bebloede vingers, waarmee ik nog twee weken in het verband heb gelopen. Geen wrok naar mijn vader ook. Als het zo is dat je een dode niets kwalijk kunt nemen, ligt hierin dan misschien het antwoord waarom wij, mensen, niets van de geschiedenis leren?