Playboy

hat logo meneer b Het is bijna 16 weken geleden dat mijn hart een aanval kreeg te verwerken van een door onzichtbare wezens afgevuurde raket in naam van de goden die de eeuwige herhaling moeten bewaken. Tijdens mijn vrijwel drie weken durend verblijf in het hospitaal is er geen dag voorbijgegaan waarop ik geen bezoek kreeg. Mijn zoon was het trouwst: hij kwam, op één ongelukkige dag na, elke dag. Mijn sensei kwam tweemaal langs. De jiujitsuleraar is geen Japanner maar een Hollander uit een roemrucht jiujitsugeslacht, geen groot leraar, wel een uitstekend vechter en voor het overige een jongensachtige loltrapper. Hij nam voor mij een Playboy mee, een blad dat mij aansprak toen ik een jaar of zestien was. In die tijd rustte er algemeen een taboe op het blad en hing er onder ons jongens een sfeer van geheimzinnigheid omheen. Nu, veertig jaar later, bestaat het blad nog steeds. De onbereikbare, sexy vrouwen zijn meisjes geworden, de foto’s gewaagder, ze laten hun geslachtsdelen zien, waar ik liever kleding zie. Het blad is met mijn tas meegereisd naar mijn huis. Toen ik het gisteren wilde weggooien, bladerde ik het nog even snel door. Mijn oog viel op een verhaal van redelijk niveau. Aandacht noch energie had ik om het verhaal van de mij onbekende Tony D’Sousa te lezen. Treffend vind ik dat zijn verhaal helemaal niet voorkomt in de inhoudsopgave. Het verhaal doet hooguit dienst om de onbenulligheid van het blad enige allure te geven. Literatuur als waaier voor het pokdalige smoel van zijn eigen pooier.