Het moeten nakijken van redactioneel gekriebel in de kantlijn van een tekst die ik maanden terug schreef is een straf. Wat redacteuren op mijn taalgebruik hebben aan te merken, weet ik onderhand wel en het kan me nauwelijks meer boeien, zelfs niet ergeren. Hier en daar wenst men een grammaticaal correcte komma. De ene keer ga ik akkoord, de andere keer niet. Erger is het wanneer men een puntkomma voorstelt. Ik haat puntkomma’s. De puntkomma is namelijk punt noch komma. De puntkomma is al even erg als de broekrok. Broek noch rok. Alice die de hoer wilde spelen, alleen voor mij, ik haatte dat. Het is gruwelijk om in de fantasie van een ander te moeten figureren. Een soort puntkommaseks krijg je dan. Toen ik vanmiddag mijn tekst doornam, moest ik wederom verveeld vaststellen dat het gevoel voor andermans tekst niet bij redacteuren moet worden gezocht. Nu moet ik dat gepeuter ook nog gaan invoeren en per e-mail terugsturen. Je hebt te maken met het soort mensen dat zich verkneukelt bij het idee aan het jaarlijks nationaal dictee, een werkelijk gênant schouwspel voor de creatieve geest. Ik denk dat ik die uitgevers voortaan maar carte blance geef. En in geen geval mijn werk teruglees na publicatie. Dat doe ik toch al jaren niet meer. Wie schept, kijkt niet terug. Hij denkt aan de prooi van zijn volgende schepping. In de liefde schijnt het ook zo te werken. Maar daar is het zo, dat mensen zichzelf aldoor corrigeren. Amusant is dat.