Quasimodo

logo alfred birney Je had zo’n kwart eeuw geleden drie muziekwinkels dicht bijeen in een soort driehoek. Dat waren Servaas, de Bijenkorf voor de popmuzikant, Gerritsen, de V & D voor de modale muzikant, en Goebel, de HEMA voor de folkmuzikant. Bij Servaas zag ik Robbie van Leeuwen eens heel opzichtig bij de ingang op een flamencogitaar spelen. Dat klonk goed nep, is een kwaliteit op zich. Ik had een hekel aan Servaas, ze behandelden je als een bedelaar als je er alleen een setje snaren kwam kopen, maar haalden je als Sinterklaas binnen wanneer je met een bus en je complete band erbij een P.A.-installatie kwam wegslepen. Op een dag had ik zo’n genoeg van die kapsones van ze dat ik een verkoper de duurste Martin-gitaar uit een glazen vitrine liet halen. Ik speelde de sterren van de hemel – dat gelooft u wel, hè? – haalde toen mijn neus op en gaf hem dat schitterende instrument terug terwijl ik duidelijk hoorbaar voor iedereen zei: ‘Wat een brandhout, zeg!’

Die kop van mij konden ze niet meer luchten of zien daar. Ik werd klant bij Goebel, de HEMA voor folkies. Ik kocht er mijn eerste flattop, een Yamaha met massief bovenblad, de rest van triplex maar nog geen IKEA-hout zoals nu. Goede gitaar, is later verpest door iemand die hem een weekendje tegen de cv aanzette. Hals krom, je kon dat ding zo weggooien, wat een stomme mensen lopen er ook rond op de aarde, wie zet er nou een gitaar tegen een verwarmingsradiator, je zet toch ook geen piano in een vriesruimte, tjonge jonge.

Bij Gerritsen kocht ik van de weeromstuit een dure Martin D-35, eentje van mindere kwaliteit dan die D-45 bij Servaas, maar toch ook geen HEMA-spul van die brave Goebel, waar je nog snaren per stuk kon kopen, wat een tijden waren dat. Ik beweerde dus net dat ik bij Servaas de sterren van de hemel speelde, maar dat kan niet, want wat kon ik nou eigenlijk op dat ding? Ik liep altijd een jaar of twee achter mijn voorbeelden aan, nou dan ben je niks, helemaal niks, je moet een ander tot voorbeeld dienen, dan ben je pas wat.

Gerritsen had ook een pianoafdeling. Soms kwam een reïncarnatie van Quasimodo binnenschuiven en die ging daar dan orgel zitten spelen alsof hij Jimmy Smith was. Zijn enige publiek was de verkoper, die ook speelde en met wie hij soms fluisterde over ‘oplossingen’. Ingewikkelde jazzstuff dus. En ik maar pingelen in die stompzinnige folkschemaatjes.
Victor Hugo’s boek over Quasimodo speelt in 1482 maar werd een kleine vier eeuwen later geschreven. Wie zou model voor de gebochelde klokkenluider hebben gestaan? Een organist in een kerk misschien? Als ik een reïncarnatie van Victor Hugo was, zou ik de Quasimodo uit mijn herinnering kanonnier maken op een VOC-schip rond 1600. Esmeralda een nonna uit Batavia. En de corrupte priester Frollo predikant Servaas. That’s how it works.

Haagsche Courant, vrijdag 21 november 2003