Schrijvers kennen geen pensioen
De herfst wil maar niet vallen. Niet slecht voor wie dagelijks verplicht een uurtje moet fietsen in het kader van zijn revalidatie. Gisteren viel het me zwaar, psychisch, en ik jakkerde mijn retourtje boulevard dan ook haastig af, voor zo ver ik met mijn conditie van jakkeren kan spreken. Maar vandaag had ik er wel zin in, ik trok een wijde boog via de watertoren en dook het architectonische gedrocht genaamd Scheveningen in, waar tussen de flipperkasten ergens een Kurhaus schijnt te staan. Achter een geasfalteerd stuk duin, scherprechter voor revaliderende trimmers (krijg je hier geen hartinfarct, dan kun je nog wel een weekje mee), lag de zee, de grijsbruine zee. De zee was sloom, vertoonde nauwelijks golfslag. Ook wandelaars op de boulevard waren sloom, en de honden op het strand, de hele middag was sloom. Ik dook met mijn fiets het havengebied in, at een slome haring tussen bedelende meeuwen – wat heb ik een gruwelijke hekel aan die beesten, ik zou ze het liefst naar Siberië sturen – en fietste van verveling maar weer terug naar de boulevard. Daar stortte ik opeens in. Een tegenvaller. Ik had mijn krachten overschat. Kijken naar de zee op een bankje is een aardig alternatief, als maar niet aldoor gepensioneerde vergrijzende generatiegenoten als manke meeuwen langslopen en mijn uitzicht bederven. Wat moet het afschuwelijk zijn om op zo’n manier van je oude dag te genieten. Wij schrijvers kennen geen pensioen, wij schrijven tot we erbij neervallen. Louis Paul Boon stierf in het harnas. Mooi.