Sneeuw

logo alfred birney Soerabaja Papa heeft een tweedehandse slee op de kop getikt, maar hij gaat niet mee naar buiten, hij heeft het koud, hij komt uit een land waar het zo warm is dat het er niet kan sneeuwen. Ik deel de slee met mijn tweelingbroer, we moeten alles delen, tot en met het dagelijkse flesje schoolmelk toe. We trekken elkaar om beurten voort, maken ruzie over wie aan de beurt is, turen de laan af die in de verte alsmaar witter wordt, er moet een dik pak sneeuw liggen ginds bij het Zuiderpark.
Een man met een grijze hoed en een loden jas doet geeft ons in het voorbijgaan het advies mee onze ogen eens beter te wassen.
We wrijven onze bruine ogen uit en staren de man verwonderd na.
‘Ach, laat die lui toch kletsen,’ zegt Blauwoog Mama zonder van het granieten aanrecht op te kijken.
We waren te jong om de kleinburgerlijke grap van zo’n pur sang Hagenaar en Blauwoog Mama’s meewarige reactie te kunnen begrijpen. Alles was ernst, zoals sneeuw die overgaat in stuifsneeuw. Onze slee die weer eens op kale stoeptegels stuit. Het traject dat weerbarstig wordt, saai en nat.
We zaten ruggelings tegen elkaar op de latten van de slee en spraken af om net zo lang te wachten tot het weer zou gaan sneeuwen. De dikste sneeuw lag altijd ginds, waar je nooit je slee over ruwe stoeptegels hoefde te tillen, waar je alsmaar kon blijven sleeën, dóór en dóór en dóór. Hoe zou het zijn om helemaal daar terecht te komen?
Op een dag zijn we met onze slee achter ons aan de laan afgelopen, helemaal voorbij het Zuiderpark. We gingen zo ver, dat we ons huizenblok niet meer konden zien.
Een man met een gele hoed vroeg ons waar we naartoe wilden. We zeiden dat we waren verdwaald. Hij nam onze slee op zijn nek en liep met ons mee terug naar onze kleine portiekwoning, waarbinnen een oorlog woedde, meestal in de nacht, met het schaduwspel van Soerabaja Papa en zijn dolk op onze slaapkamermuur wanneer hij vocht tegen iemand die wij niet konden zien.
‘Hij ziet spoken, die vader van jullie,’ was Blauwoog Mama’s dagelijks refrein. ‘Hij denkt dat die peloppers uit Indonesië hierheen zullen komen om hem en ons erbij uit te moorden.’
‘Hé, we hadden tegen die man met die gele hoed moeten zeggen dat we geen huis meer hadden. Misschien had hij ons dan meegenomen naar een kerk, daar komen aardige mensen die kinderen helpen.’
‘Ja, en achter ons zouden alleen de voetstappen liggen van die man met die gele hoed, tussen de sporen van onze slee. Zo zouden we nooit gevonden kunnen worden.’
‘Maar mama dan? En de anderen?’
Dat was een vraag die ons gekluisterd hield aan onze slee. Maar zou het flink gaan sneeuwen, misschien kwam dan ook het wonder dat ons ver voorbij het einde van de laan zou brengen, weg van de oorlog op de slaapkamermuur, voor altijd, en nooit weerom.

Haagsche Courant, vrijdag 10 januari 2003

Share and Enjoy:
  • Digg
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • MySpace
  • NuJIJ
  • RSS
  • Tumblr
  • Twitter
  • Yahoo! Bookmarks
  • Hyves
  • email
  • FriendFeed
  • Live

Comments are closed.

boeken, columns, essays, artikelen, weblog