Sneeuwsporen tot de nokbalk

sneeuwsporen Het sneeuwt niet vaak in Holland, daarom spreekt het zo tot de verbeelding. Sneeuw is goed voor slechte poƫzie, afgezaagde schilderkunst en kerstkaarten. Sneeuw roept koude herinneringen bij me op. Het is winter, vroege jaren zeventig. De hippies van Voorschoten, alle rond de 20, houden beurtelings open huis. Ik raak verzeild bij een getalenteerd kunstenaar die zijn tijd verdoet met blowen. We verkrachten de naald van zijn koffergrammofoon met bekraste elpees van Santana, Pink Floyd en Pearls Before Swine. Iemand duwt een gitaar in mijn handen en vraagt om songs van Leonard Cohen. Mijn stem is laag, ik speel ons cult-idool gemakkelijk na. Maar ik zing en speel mezelf een peilloze diepte in, verlies het contact met de mensen in de kring en voel me verloren. Ik krijg het benauwd en vlucht het balkon op. Fris is de avondlucht, zonder hoop maar vol zuurstof. Iemand komt bij me zitten en rookt een sigaret met me. We zijn jong maar we voelen ons oud, het leven is een hel. Hey, we moeten er eens uit. Waaruit? Uit de hel. Waarheen? Naar de sneeuw! Hij was al van plan geweest om met zijn meisje een paar dagen naar Drenthe te gaan. Brak vakantiehuisje met oliekachels, moeilijk bereikbaar. We delen drie kamers met vijf personen. Het meisje en haar vriend ondernemen een huiselijke ontdekkingstocht naar hun latere huwelijksstaat. Er is een kapiteinsdochter die haar geluk zoekt in problematiek en dramatiek. Ik deel een bed met haar, ze koketteert met een geslachtsziekte die ze bij een popster heeft opgelopen en houdt me wakker met monologen van onvervuld verlangen. Er is nog een vijfde persoon. Hield hij van haar? Sliep hij op de bank? Hoe zat dat ook weer? Ik herinner me zijn voetsporen in de sneeuw. We wandelden tussen kale sparren onder een godverlaten gele hemel. De jongen was lang, zijn blonde haar netjes gekapt, hij droeg een zwarte jopper, hij was niet echt een van ons, hij was geen hippie, we noemden hem square, hij reed zelfs in een sportauto. Verbeten dacht hij na over de zin van het leven. Hij sprak nauwelijks, gaf me stuff te roken en liep in zijn opgezette kraag gedoken met opgetrokken schouders voor me uit. Opeens was hij verdwenen. Ik raakte zijn spoor bijster in de sneeuw en verdwaalde tussen bevroren modderhopen in een landschap zonder liefde voor de kleumende sparren. Ik zag geen huizen, geen wegen, wist niet waar te gaan, en toen ben ik gaan schreeuwen. De blonde jongen kwam terug, in vaderlijk gepeins. We vonden een gerieflijk vakantiehuis, waar een vrouw van een jaar of veertig ons binnenliet. Een open haard brandde, er was soep en brood, de vrouw doodde de tijd met breiwerk voor haar zoon die in een andere kamer televisie zat te kijken. Ik vroeg haar of ze me had horen schreeuwen. Ze knikte. Ik verontschuldigde me. Maar ze zei dat elk mens weleens bang is en het recht heeft om te schreeuwen. Terug in Voorschoten vertelde de blonde jongen overal in het rond dat hij met de jaarwisseling een stunt zou gaan uithalen. We wachtten op een grap, maar het spektakel wilde dat hij zich verhing aan de nokbalk bij zijn ouders op zolder.

* * *

© 2005 Alfred Birney. De 1e versie verscheen in de Haagsche Courant op vrijdag 4 maart 2005. De 2e versie werd opgenomen in de bloemlezing Verhaal Halen van Festival Dichter aan Huis in 2010.