Sneeuwsporen tot de nokbalk
Het sneeuwt niet vaak in Holland, daarom spreekt het tot de verbeelding. Sneeuw is goed voor slechte poëzie, afgezaagde schilderkunst en zeikerige foto’s. Sneeuw is voor kinderen, sneeuwballen worden lawines in hun nachtmerries. Sneeuw kan herinneringen conserveren, die bij voorkeur terugkomen bij sneeuw. Het is winter 1971-‘72. De hippies van Voorschoten, alle rond de twintig, houden beurtelings open huis. Ik raak verzeild bij een getalenteerd kunstenaar die zijn tijd verdoet met blowen. We verkrachten de naald van zijn koffergrammofoon met bekraste elpees van Santana, Pink Floyd en Pearls Before Swine. Iemand duwt een gitaar in mijn handen en vraagt om songs van Leonard Cohen. Mijn stem is laag, ik speel ons cult-idool graag na. Maar ik zing en speel mezelf een peilloze diepte in, verlies het contact met de mensen in de kring en voel me verloren. Ik krijg het benauwd en vlucht het balkon op. Fris is de avondlucht, zonder hoop maar vol zuurstof. Iemand komt bij me zitten en rookt een sigaret met me. We zijn jong maar voelen ons oud, het leven is een hel. Hey, we moeten er eens uit. Waaruit? Uit de hel. Waarheen? Naar de sneeuw! Hij was al van plan geweest om met zijn meisje een paar dagen naar Drenthe te gaan. Brak vakantiehuisje met oliekachels, moeilijk bereikbaar. We delen drie kamers met vijf personen. Het meisje en haar vriend ondernemen een huiselijke ontdekkingstocht naar hun latere huwelijksstaat. Er is een kapiteinsdochter die haar geluk zoekt in problematiek en dramatiek. We delen een bed, ze koketteert met een geslachtsziekte die ze ergens heeft opgelopen en houdt me wakker met monologen van onvervuld verlangen. Er was nog een vijfde persoon. Hield hij van haar? Ik herinner me zijn voetsporen in de sneeuw. We wandelden tussen kale sparren onder een godverlaten gele hemel. De jongen was lang, zijn blonde haar netjes gekapt, hij droeg een zwarte jopper, hij was niet echt een van ons, geen hippie, hij reed zelfs in sportauto’s. Verbeten dacht hij na over de zin van het leven. Hij sprak nauwelijks en gaf me stuff te roken. Opeens was hij verdwenen. Ik raakte zijn voetsporen bijster en verdwaalde tussen bevroren modderhopen in een landschap zonder liefde voor de kleumende sparren. Ik zag geen huizen, geen wegen, wist niet waar te gaan en ben gaan schreeuwen. De blonde jongen kwam terug. We vonden een gerieflijk vakantiehuis, waar een vrouw van een jaar of veertig ons binnenliet. Een open haard brandde, er was soep, de vrouw doodde de tijd met breiwerk voor haar zoon die in een andere kamer televisie zat te kijken. Ik vroeg haar of ze mij had horen schreeuwen. Ze knikte. Ik verontschuldigde me. Maar ze zei dat elk mens het recht heeft om te schreeuwen en bang te zijn. Terug in Voorschoten vertelde de blonde jongen overal in het rond dat hij met de jaarwisseling een stunt zou gaan uithalen. We wachtten op een grap, maar het spektakel wilde dat hij zich verhing aan de nokbalk bij zijn ouders op zolder.
Haagsche Courant, vrijdag 4 maart 2005


