Aanvankelijk dacht ik dat het mijn zoon was die met nonchalant juveniel elan de afwas te lijf was gegaan en daarna een stevig gebonden soep door de afvoer had geperst. Hij hoeft bijna nooit af te wassen, alleen maar wanneer ik een slechte dag heb op het pad van mijn revalidatie. Verleden week was de afvoer zo verstopt dat ik een loodgieter moest bellen. Ik begon mijn thuishulp te verdenken van enig onhandig gedrag, als ik dat zo zeggen mag. De loodgieter klaarde de klus en vertelde me dat ik elke keer na de afwas uit een volgelopen spoelbak schoon water door de leiding moet jagen. Ik nam dit advies, dat ik overigens al ken sinds ik mijn moeder met de afwas hielp, voor kennisgeving aan, in elk geval blij dat ik weer kon afwassen, want ja, er bestaat voor een schrijver toch bijna niets inzichtgevenders dan afwassen. Het is namelijk tijdens de afwas dat de talloze knopen in je verwarde denken wegspoelen en je in een meditatieve staat kunt geraken, waarin de ganse schepping zich in één enkele zeepbel manifesteert. Dit hoeft natuurlijk niet te gelden voor een thuishulp die je boeken zeemt en ondersteboven in de kast terugzet. Ze had gisteren haar kont nog niet gekeerd of mijn afvoer was wéér verstopt! Ik heb eerst haar werkgever gebeld en om een ander gevraagd (dat wordt de vierde in de rij). Vandaag liet de loodgieter me een Siberische soep van stukken dweil, theedoek en schuursponsjes in een emmer zien.