Lezing Indische Genealogische Vereniging

birney twin Afgelopen zondagmiddag hield ik een lezing voor de Indische Genealogische Vereniging. Plaats van handeling was Bronbeek in Arnhem, een oord dat ik jarenlang angstvallig had vermeden. Ten eerste is Arnhem altijd een spookstad voor me geweest, gezien mijn jeugdervaringen daar in een afschuwelijk tehuis dat de naam Welkom droeg. Ik wijdde er een hoofdstuk aan in Het verloren lied. Verder is het zo, dat Bronbeek de herinneringen conserveert aan de oorlog in Indonesië, waar mijn vader als een idioot heeft huisgehouden. Ik schreef daar onder meer over in De onschuld van een vis.

Gelukkig bevond ik me in goed gezelschap en ook het tijdstip van de lezing – drie uur in de middag – was wel te doen. Werkgroep Indische Letteren bijvoorbeeld houdt er bijeenkomsten die ‘s morgens om tien uur beginnen, zodat je om zes uur je bed uit moet. Een dergelijk tropenritme heb ik alleen in Indonesië, niet in Holland.

Ik vertoonde fragmenten uit de film De Birnies en lichtte toe wat voor invloed die film heeft gehad op mijn rivierentrilogie. In de pauze stond ik even buiten een sigaretje te roken, toen een jongeman op me afkwam. Hij stelde zich voor als de zoon van Alfred Birnie, mijn neef en naamgenoot die quasi model heeft gestaan voor mijn dubbelganger in Rivier de IJssel. Wat bleek? In een andere zaal te Bronbeek werd de verjaardag van een ver familielid van me gevierd. Ik haastte me naar de zaal om er met een van de hoofdrolspelers uit de film kennis te maken. Ik had hem nooit eerder in levenden lijve gezien. Ik vroeg hem, en enkele anderen, of ze zin hadden het tweede deel van mijn lezing bij te wonen. Ze weifelden. En ze kwamen niet.

Jammer. Het was een goede middag, met een aandachtig publiek. Ook de rijsttafel als afsluting was niet slecht. Niet slecht betekent niet: goed. Het betekent dat het ermee doorgaat. Al die sajoers en vlees- en tempegerechten bovenop een bord rijst gekwakt, dat is toch hoogst ordinair?

De Birnies

alfred birney De Birnies
Documentaire
Rotterdam 1997
Joop de Jong & Liane van der Linden
Video € 13,85 excl porto
VHS speelduur 54 minuten
Uitverkocht!

De Indische Diaspora, deel I: De Birnies, een Indische familie uit Deventer toont drie generaties van een Indische familie. Elisabeth Birnie-Birnie, haar zoon Johan, jeugdvoorlichter bij de KJJB, en haar achterneef, de schrijver Alfred Birney zijn telgen uit een belangrijke en kleurrijke plantersfamilie op Oost-Java. Zij zijn de hoofdpersonen in deze documentaire, waarin wordt verhaald over de ontginning van de Oosthoek van Java, over de oorlog in Nederlands-Indië en de lange nawerking ervan. De documentaire, met muziek van Fernando Lameirinhas, is verkrijgbaar op video (VHS en NTSC).

Elisabeth Birnie-Birnie is de weduwe van Fred Birnie, de laatste directeur van het familieconcern in tabak, koffie, indigo, suiker en rubber op Oost-Java. Zij heeft 100 meter familiearchief laten onderbrengen bij het gemeentearchief van Deventer en er ruim drie jaar lang gewerkt aan een genealogie. Ze vatte de geschiedenis van honderd jaar ondernemerschap op Java samen in een familiekroniek.

Haar zoon Johan is jeugdvoorlichter bij de KJJB: de Vereniging van Kinderen uit de Japanse Bezetting en Bersiap 1941 – 1949 en verzorgt lezingen met een nadruk op zijn oorlogservaringen.

Alfred Birney zet met zijn verhaal een contrapunt in de familiegeschiedenis. Zijn vader is de niet-geëchte zoon van een Birnie-telg en diens Chinese vrouw, vandaar die andere schrijfwijze van de familienaam. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd vocht Alfreds vader tegen Indonesië. Nog jaren daarna zit hij ‘s nachts gewapend met zijn mariniersdolk ‘peloppers’ achterna tot in de slaapkamer van de jonge Alfred. Die vader figureert in twee van Alfreds romans – Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis – reden waarom Elisabeth hem een brief schreef met de vraag of hij eigenlijk een Birnie is. Hiermee herstelt zij voor Alfred wat zijn vader altijd heeft moeten ontberen: tot de familie behoren. Al die Birnies tezamen vertellen de geschiedenis van Nederland in Indië, of beter gezegd, de Indische geschiedenis van Nederland.

De documentaire is gemaakt door Liane van der Linden en Joop de Jong, in opdracht van de Stichting Herdenking 15 augustus 1945 met financiële steun van het Ministerie van VWS en de medewerking van het Indisch Wetenschappelijk Instituut. De video is niet meer verkrijgbaar.


What’s in a name? Birnie / Birney

At least a history. The shields of Birney (left) / Birnie (right) appear somewhat weird to me – maybe funny to you – having these three legs underneath the bow and arrow. They look somewhat different, but in fact they are similar. What’s in a shield? At least a story.

birney shield birnie shield

According to family documents 1473-1733, preserved in the ‘Charterchest’ of Broomhill; disclosed by John Birnie of Broomhill (year unknown), the story goes like this:

The account of Birnie of that Ilk

There is in wrytt a tradition in the family, that in the year of God 838, or thereby, Alpin, King of Scots, with many of his prime men being taken prisoners in battle by the Picts and thereafter murdered in cold blood, and the King’s head in a base manner set on a pole in one of their chieff cities, Kenneth the Second, his son, a brave prince, soon rais’d ane armie to be revenged on the actors of so barbarons a murder. All his followers were desperate and resolute, and had many conflicts several days together, amongst whom was one Birnie, Irish, and in English Bright, then called because of his glittering armour, and his two sons, who having several tymes signalized themselves, yet one evening pressing furiously into the thickest of the Picts, were all three, with several others, surrounded and made prisoners. Night by this tyme putting ane end to the fight, they had each of them one leg putt fast in a pair of stocks to prevent their escape, till the Picts had more leisure to put them to death. The father knowing very well what would come to them, advysed the cutting off of each of their legs: which done, they made a shift to return to their own men, and, at the next battle fatal to the Picts, they were observed to behave themselves with a new cowrage, wherewith the losse of their legs had animate them. The fortune of the Scots at length prevailling, this King Kenneth, in his just revenge, laid not asyde his arms untill he had extirpated the whole nation of the Picts: their possessions he devyded amongst his men, as they most deserved, and upon Birnie he bestowed a baronie of land near Elgin in the shyre of Murray, yet bearing his name, and which his posterity enjoyed for a long tyme thereafter, and gave them for their arms Gules, in resemblance of the late bloody battle, a Feasse, the mark of honour betwixt the bow and arrow in full draught, the most ancient arms then in use, and the three legs couped at the thigh, in perpetual remembrance of their valour.

Information about The Parish of Birnie (County of Elgin, Synod of Moray, Presbytery of Elgin) show something different about the meaning of the name BIRNIE:

This parish was named Brenuth about the beginning of the 13th century: A name probably derived from Brae-nut, i.e. ‘High land abounding in nuts’; for many hazle trees once grew upon the fides of the hills and banks of the rivulets, and the general appearance of the parish is hilly. The natives pronounce it Burn-nigh, i.e. ‘A village near the burn or river’. This etymology is descriptive enough of the particular place now called Birnie.

‘The surnames of Scotland’ in The New York Public Library (year unknown) says:

BIRNIE, BIRNEY. From Birnie in Moray. James de Brennath (the early form of the place name), burgess of Elgin, was one of an inquest concerning the King’s garden there in 1261. William de Brennath, dictus Tatenel, witnessed the gift by Hugh Herock, burgess of Elgin, to the church of Elgin in 1286, and Andrew de Brenach was clerk to Sir Dovenald, earl of Mar in 1291. Walter de Branach was the king’s chaplain in Moray, 1360. William de Byrneth, canon of the church of Moray, appears as a witness in 1463, Nicholas Birne was a chaplain in 1514, and William Byrny was burgess of Edinburgh in 1558. Birny 1568, Byrnye 1568, Birney 1589, Birnye 1614.

Note from Alfred Birney:

When I visited Moray in 1998 to follow River Lossie, in search for the old place called Birnie, locals told me they had just changed the name Birnie into Thomshill. There was a bar left though, called Birnie-Inn, not to mention Birnie Church of course.

* * *



Genealogie familie Birnie *




* Voorbeeld: na 1e generatie vindt men in de marge de cijfers 1 en 2 onder 2e generatie. De 2 staat voor Johan Willem (1803), die een vertakking krijgt in de stamboom. Men vindt hem terug onder 3e generatie, nummer g2-2 (de 2e van de 2e generatie). Achter nummer 3 in de marge staat de naam George (1831). Scroll omlaag naar de Tak Johan Willem en zoek onder 4e generatie naar nummer g3-3.

De kinderen van de twee hoofdtakken zijn bij elkaar opgeteld. Vandaar het hoge nummer 14 in de marge bij de naam Willem. Volg hem verder onder 5e generatie, g4-14. Daar gaat hij samen met zijn nicht Aleida Birnie, die overigens ook hoger op de pagina te vinden is onder de Tak Gerhard David.

 


De stamboom verhaalt in het centrum nadrukkelijk van het Indisch Birnie-tijdperk, met als oermoeders Djemilah en Rabina, de Oost-Javaanse vrouwen van de planters Gerhard David en George. Buitenechtelijke relaties, zo talrijk in Nederlands-Indië, worden niet vermeld. Daarom loopt het spoor vanaf Willem naar de vader van Alfred Birney dood.

Voor de gebroken tak kan men terecht bij de beknopte stamboomtekening Birnie / Birney. Daar vindt men een bekende traditie uit het oude Indië terug, waar door familieverwikkelingen rond al dan niet geëchte kinderen omgekeerde namen nogal eens voorkwamen. De omkering van ie uit Birnie in ey uit Birney is wat subtieler, maar ook verwarrend, omdat er geen uitsluitsel bestaat over de eeuwenoude schrijfwijze van een en dezelfde naam.


1e generatie

David (uit Schotland ~ Gerardine v. Goor (huwelijk in 1772)
George 1775-1830 ~ Aleida Dwars

2e generatie

George (1775-1830) ~ Aleida Dwars
Gerhard David 1799-1819
Anna Stevendina 1800-overl.
1 Steven 1801-1868 ~ Anna Helena van Schuppen
2 Johan Willem 1803-1848 ~ Maria Louise van Schuppen (a)
~ Adriana Christina Roelans (b)
 
3e generatie

g2-1 Steven (1801-1868) ~ Anna Helena van Schuppen
George 1830-1894
Pieter 1831-1832
Pieter 1833-1877
Aleida 1835-1846
1 Gerhard David 1837-1917 ~ Djemilah (a)
(zie verder Tak Gerhard David)
~ Enna Folkersma (b)
Steven ?
Johan Willem 1841~1864
Anna Philippina Carolina ?
Anna Philippina Carolina 1845-1917
Steven Lodewijk George 1847-1875
Aleida Maria Louisa 1849-1925
Wilhelmina Elisabeth 1855-1923
2 Steven 1855-1939 ~ Emma Sanders
 
g2-2 Johan Willem (1803-1848) ~ Maria Louise van Schuppen (zie verder Tak Johan Willem)
Aleida Anna Philippina 1827-1901
Carolina 1829-1858 ~ Johan Willem George van Haarst
3 George 1831-1904 ~ Rabina
4 Gerhard David 1836-1887 ~ Madeleine Frederika John
~ Adriana Christina Roelans
Maria Louise 1839-1834
Francoise Carolina Johanna 1840-1922
Johanna Adriana 1842-1925 ~ Dr. Willem v.d. Lee
Maria Louise 1843-1844
5 Adriaan Frans Roeland 1845-1882 ~ Elisabeth Hendrika Maria Syrier
 

Tak Gerhard David

4e generatie

g3-1 Gerhard David (1837-1917) ~ Djemilah
1 Anna Helena 1864-1948 ~ Mathias Sanders
2 Johan 1866-1958 ~ Albertine Kranenburg
3 Aleida 1868-1947 ~ Willem Birnie
4 Steven 1869-1946 ~ Marcona
Gerhard David 1872-1873
5 Wilhelmina Elisabeth 1874-1952 ~ Carel Johan August Meerdink
6 Anna Philippina Carolina 1876-1939 ~ Willem Bok
7 Aleida Maria Louisa 1877-1913 ~ Johan Wiger Folkersma
8 George (Joris) 1879-1955 ~ Sophia Charlotte Zinsmeester (a) (echtsch.)
~ Johanna Kramer (b) (echtsch.)
~ Maria Ehrlicher (overl.)
~ Maria Riesenegger (d)
9 Gerhard David (Kwik) 1884- ~ Marietje (Virginia Maria) v.d. Eb
 
g3-2 Steven (1855-1939) ~ Emma Sanders
Gerhard David 1884-.
Johanna 1885-1976
Anna Helena 1887-1968
Catharina 1888-1986
10 Gerhard David 1891-1955 ~ Catharina Jacoba von Ziegenweidt
 
5e generatie

g4.1 Anna Helena (1864-1917/1948) ~ Mathias Sanders
Djemilah Johanna 1886-1974 ~ Dr. Reich (a)
~ A. Kummer (b)
Jan Maurits Willem 1887-19 ~ Elly Huizinga
Mathias (Bol) 1896-1976 ~ Kathy Yzerman
George Gerhard (Dick) 1901- ~ Helen Cherrie
 
g4.2 Johan (1866-1958) ~ Albertine Kranenburg
1 Gerhard David Ipo 1894-1923 ~ Wilhelmina van Houten
2 Ipo 1895-1985 ~ Constantia Eleonore v.d. Berg (a)
~ Anna Catharina Reigersman (b)
3 Johan 1898- ~ Frances Baldwin Ward (a)
~ Marjorie Finch (b)
4 Ferdinand Steven 1902-1976 ~ Rosa Garcia
5 David 1903- ~ Helen Wood
6 Djemilah Elisabeth 1909-1986 ~ Philip Barker Benfield
 
g4.3 Aleida (1868-1947) ~ Willem Birnie
7 Hans Frederik 1893- ~ Elisabeth Blanche Simonin (a)
~ Regine du Planty (b)
Francoise Marie Catharine 1899-1980
 
g4.4 Steven (1869-1946) ~ Marcona
8 Johanna Francisca 1900-1981 ~ Lambertus Hendrik de Boer
9 Otto Johan 1902-1943
10 Steven Willem (Pim) 1904-1977 ~ Fieke Meerdink
11 Frans Louise Gerhard 1905-1981 ~ Ingeborg Zeigan (a)
~ Ina Elisabeth Werlemann (b)
12 Gerhardine Bernhardine 1908- ~ Hendrik Schultz
13 Maria Johanna (Mieke) 1910-1944
14 Marcon 1913-1943 ~ Victorine Charlotte Sophie van Stenis
 
g5.5 Wilhelmina Elisabeth (1874-1952) ~ Carel Johan August Meerdink
Jacob Herman 1902-1921
Augustina Sophia 1904- ~ Steven Willem Birnie
Milah 1909- ~ – (gesch.)
 
g4.6 Anna Philippina Carolina (1876-1939) ~ Willem Bok
Alessandro Lino Epicuro Birnie 1903-1927
 
g4.7 Aleida Maria Louisa (1877-1913) ~ Johan Wiger Folkersma
Aurelia Djemilah Enna 1901- ~ G.J. Tjalsma
Adriana Catharina Cornelia 1903-1986 ~ M.C. Heymans (a)
~ J. Hoogcarspel (b)
 
g4.8 George (Joris) (1879-1955) ~ Sophia Charlotte Zinsmeester
- – Johanna Kramer
- – Maria Ehrlicher
15 Lukas 1923- ~ Beryl Davies
- – Maria Riesenegger
16 Joris 1925-1973 ~ Monique Alice Clemente (a) Carpantier
~ Etelka Gerarda Zoë de Koster B
17 Roland 1926- ~ Augusta Davalle
18 Walter 1927- ~ Agnès Maria Theresia v.d. Vergate
 
g4.9 Gerhard David (Kwik) (1884) ~ Virginie Maria v.d. Eb
19 Carol Alexander 1916-1950 ~ Johanna Carolina van Zijl
20 Enno Willem 1918- ~ M. Radke
 
g4.10 Gerhard David (1891-1955) ~ Catharina Jacoba von Ziegenweidt
Emma Marie 1920-
Catharina Jacoba 1922-
Steven 1923- ~ Henriëtte Klijn
Carel Frederik Theodoor 1925- ~ Bea Heringa
21 Gerhard David 1927- ~ Enny van Brussel (a)
~ Thea M.B. Kuin (b)
Frans 1937- ~ Florence Tellier (a)
~ Corrie van Haasteren (b)
 
6e generatie

g5.1 Gerhard David Ipo (1894-1923) ~ Wilhelmina van Houten
Gerhard David 1918- ~ Danica Milosavljere (a)
~ (D.M.) Jenny van Hall (b)
1 Johan 1920- ~ Emma de Vries
2 Derk Herman 1920- Elisabeth Overdijking (a)
~ Hillegonda Birnie (b)
 
g5.2 Ipo (1895-1985) ~ Constantia Eleonora van de Bergh
- – Anna Catharina Reigersman
Marietine 1941- ~ H.P.C. Reinhold (a)
~ Mr. W.F. van Leeuwen (b)
 
g5.3 Johan (1898-19 ) ~ Francis Baldwin Ward
Richard Steven –
- – Marjorie Finch
2 kinderen
 
g5.4 Ferdinand Steven (1902-1976) ~ Rosa Garcia
Fernando –
Amanda –
en anderen
 
g5.5 David (1903-19 ) ~ Helen Wood
 
g5.6 Djemilah Elisabeth (1909-1986) ~ Philip Barker Benfield
3 kinderen
 
g5.7 Hans Frederik (1893- ) ~ Elisabeth Blanche Simonin
Elaine Sonia (aangenomen) 1916-
 
g5.8 Johanna Francisca (1900-1981) ~ Lambertus Hendrik de Boer
4 kinderen
 
g5.9 Otto Johan (1902-1943)
 
g5.10 Steven Willem (Pim) (1904-1977) ~ Fieke Meerdink
 
g5.11 Frans Louis Gerhard (1905-1981) ~ Ingeborg Zeigan
Dieter 1934- ~ Marianne Slothouber
- – Ina Elisabeth Werlemann
 
g5.12 Gerhardine Bernhardine (1908- ) ~ Hendrik Schultz
 
g5.13 Maria Johanna (Mieke) (1910-1944)
 
g5.14 Marcon (1913-1943) ~ Victorine Charlotte Sophie van Stenis
Steven 1939- ~ Joke Bosmeyer
 
g5.15 Lukas (1923- ) ~ Beryl Davies
 
g5.16 Joris (1925-1973) ~ Monique Alice Clemente Carpantier
2 kinderen
- – Etelka Gerarda Zoë de Koster
6 kinderen
 
g5.17 Roland (1926- ) ~ Augusta Davalle
2 kinderen
 
g5.18 Walter (1927- ) ~ Agnès Maria Theresia v.d. Vergate
 
g5.19 Carol Alexander (1916-1950) ~ Johanna Carolina van Zijl
1 kind
 
g5.20 Enno Willem (1918- ) ~ M. Radke
 
g5.21 Gerhard David (1918- ) ~ Danica Milosavljere
- – (D.M) Jenny van Hall
 
7e generatie

g6.1 Johan (1920- ) ~ Emma de Vries
2 kinderen
 
g6.2 Derk Herman (1920- ) ~ Elisabeth Overdijking
2 kinderen
- – Hillegonda Birnie
1 kind
 

Tak Johan Willem
4e generatie

g3-3 George (1831-1904) ~ Rabina
11 David 1862-1931 ~ Hillegonda van Delden
12 Carolina 1864-1933 ~ Hendrik Johan Haverman
13 Maria Louisa 1866-1895 ~ Christiaan Vermeer
14 Willem 1868-1939 ~ Aleida Birnie
15 George Louis Johan 1869-1942 ~ Louise Berkhout (a)
~ Angèle Combremont (b)
16 Frans Johan Carel 1870-1936 ~ Adèle Kauschmann (a)
~ Bartruida (Bé) Moltzer (b)
17 Otto 1873-1928 ~ Trijntje Bruinwold Riedel
18 Rabina Aleida 1879-1978 ~ Jan Vleming

g3-4 Gerhard David (1836-1887) ~ Madeleine Frederika John
Madeleine Frederika 1873-1920
 
g3-5 Adriaan Frans Roeland (1845-1882) ~ Elisabeth Hendrika Maria Syrier
19 Johan Willem 1880-1945 ~ Mathilde Theodora Emile van Ruyvers (a)
~ M. Bernert (b)
 
5e generatie

g4-11 David (1862-1931) ~ Hillegonda van Delden
22 George 1886-1945 ~ Greta Westenbrink Weustmann
23 Pieter Albert 1888-1951 ~ M.L. (Iva) H. Etty
24 Johanna Margaretha 1890-1941
25 Sjewke (Sjuwke) Marie 1894-1979 ~ Alexander Pfältzer (Lex Phältzer)
 
g4-12 Carolina (1864-1933) ~ Hendrik Johan Haverman
George Philip 1890-1942 ~ E.H. Pinke
Rabina 1892-1949 ~ L.M.G. Baas Becking
Davida 1895-1911
 
g4-13 Maria Louisa (1866-1895) ~ Christiaan Vermeer
Alijda Carolina Rabina 1891- ~ W. v.d. Mandele
Georgina 1893- ~ Snetlage (a)
~ G. Englert (b)
 
g4-14 Willem (1868-1939) ~ Aleida Birnie
Hans Frederik 1893- ~ E.B. Simonis (a)
~ Regine de Planty (b)
Francoise Maria Catharina 1899-1981
 
g4-15 George Louis Johan (1869-1942) ~ Louise Berkhout
26 Anna Rabina 1900-1988 ~ Herluf Borch Gümoes
27 Georgette Louise 1904-1964 ~ Robert Gaussen
28 Epke Jeanette 1904- ~ F.C. Visscher
29 Alfred 1907-1977 ~ Elisabeth Birnie**
- – Angèle Combremont
 
g4-16 Frans Johan Carel (1870-1936) ~ Adèle Kauschmann
30 Julius George David 1899-1943 ~ Anna Moltzer
31 Willem Carel 1903-1943
- – Bartruida (Bé) Moltzer
 
g4-17 Otto (1873-1928) ~ Trijntje Bruinwold Riedel
32 Frans 1904-1945 ~ Tine van Blijkshof
33 Johannes Philippus 1905-
34 Otto 1908-1944
35 Sjoukje Rabina 1901- ~ (a) onb.
~ Chris Boone (b)
36 Daisy Theodora 1914- ~ L.J. Joon (a)
~ L.A. de Milly van Heiden
Reinestein (b)
 
g4-18 Rabina Aleida (1879-1978) ~ Jan Vleming
Georgina Rabina Gezina 1915-
Jannina Carolina 1917- ~ E.C. Slot
 
g4-19 Johan Willem (1880-1945) ~ Mathilde Theodora Emilie van Ruyvers
Suzanne 1904-1987
29 Elisabeth 1909- ~ Alfred
- – M. Bernert
 
6e generatie

g5-22 George (1886-1945) ~ Greta Westenbrink Weustmann
 
g5-23 Pieter Albert (1888-1951) ~ M.L. (Iva) H. Etty
6 kinderen
 
g5-24 Johanna Margaretha (1890-1941)
 
g5-25 Sjewke (Sjuwke) Marie (1894-1879) ~ Alexander Pfältzer (Lex Phältzer)
1 kind
 
g5-26 Anna Rabina (1900-1988) ~ Herluf Borch Gümoes
3 kinderen
 
g5-27 Georgette Louise (1904-1964) ~ Robert Gaussen
3 kinderen
 
g5-28 Epke Jeanette (1904- ) ~ F.C. Visscher
3 kinderen
 
g5-29 Alfred (1907-1977) ~ Elisabeth Birnie
5 kinderen
 
g5-30 Julius George David (1899-1943) ~ Anna Moltzer
2 kinderen
 
g5-31 Willem Carel (1903-1943)
 
g5-32 Frans (1904-1945) ~ Tine van Blijkshof
2 kinderen
 
g5-33 Johannes Philippus (1905- ) : Otto zn.
 
g5-34 Otto (1908-1944) : Otto zn.
 
g5-35 Sjoukje Rabina (1901- ) ~ Otto docht.
1 kind
- – Chris Boone
 
g5-36 Daisy Theodora (1914- ) ~ L.J. Joon Otto docht.
2 kinderen
- – L.A. de Milly van Heiden Reinestein
 

** Elisabeth Birnie is de samensteller van deze stamboom


in other words



From Birnie to Birney





18th century onwards



David Birnie ( Scotland ) married with Gerardine van Goor ( Netherlands ) in 1772
and they begot George ( 1775-1830 ) who married Aleida Dwars [ sounds Dutch too ]

This couple, George and Aleida, produced 2 children
branch-1 : Steven ( 1801-1868 ) and
branch-2 : Johan Willem ( 1803-1868 )



branch-1 :


Steven married Anna Helena van Schuppens

Steven and Anna Helena caused the birth of
Steven ( 1855-1939 ) who married Emma Sanders , hereafter branch-1-1
Steven and Anna Helena caused the birth of
Gerhard David ( 1837-1917 ) who married Djemila , hereafter branch-1-2



branch-1-1 :


Steven and Emma Sanders produced Gerhard David ( 1891-1955 ) [ sorry, same name as Steven's brother ]
Gerhard David married Catharina Jacoba van Ziegenweidt
who gave birth to Carel Frederic Theodoor ( 1925-1995 )



branch-1-2 :


Steven’s brother, Gerhard David ( 1837-1917 ) had a daughter Aleida ( 1868-1947 )



branch-2 :


Johan Willem married Maria Louise van Schuppes
[ I guess she was the sister of his brother's wife ]
and caused the birth of
George ( 1831-1904 ) who married Rabina
and their child was Willem ( 1868-1939 )

From some mysterious female(s ?), Willem received 2 children ( in 1893 and in 1899 )

Well, anyway, from this branch a "dotted twig" [ I guess from one of Willem's lovers ] leads to Adolf Birney ( 1925- ), born Sie Swan Nio in Surabaya, but he took the surname of Birney
Adolf married Johanna Henrietta van Kerkoerle in The Netherlands
where today’s Birney twin
Alfred Alexander ( 1951- ) & George Philip ( 1951- ) came on planet Earth

And it is this George Philip Birney who presents this web-site
but his twin-brother Alfred Alexander did all the research
 


Presentatie Rivier de Brantas

rivier de brantas alfred birney podium glenn pennock

Op zondag 6 maart wordt in Mondiaal Centrum Haarlem
de nieuwe novelle Rivier de Brantas
van Alfred Birney
feestelijk ten doop gehouden.

Presentatie & Receptie

van 15.00 – 17.00 uur
(zaal open 14.30 uur)

Voorlopig programma

Glenn Pennock speelt gitaar
Alfred Birney leest fragment uit Rivier de Brantas
Filmvertoning documentaire De Birnies

Pauze

Gesprek over parallellen documentaire met Rivier de IJssel
Peter de Rijk interviewt Alfred Birney over Rivier de Brantas
Glenn Pennock speelt gitaar

Alfred Birney signeert

Locatie
MCH [Mondiaal Centrum Haarlem]

Lange Herenvest 122
2011 BX Haarlem
023 – 542 3540
Bereikbaarheid: www.mondiaalcentrumhaarlem.nl (onder Contact)
Parkeren: op zondag vrij

U bent allen van harte uitgenodigd hierbij aanwezig te zijn.
Reserveren vooraf is wenselijk: indeknipscheer@planet.nl


Grotere kaart weergeven

Een gitaar gesneuveld

Mijn vader A. Birnie/Birney links op de foto, zonder gitaar +/- 1948

birney links anno 1948

Op gevoel (1) Een gitaar gesneuveld

Als jongeman zag mijn vader in Soerabaja de Vliegende Sigaren van de Japanse luchtmacht zijn ouderlijk huis aan puin bombarderen, hij zag Japanse soldaten burgers onthoofden, hij werd gemarteld wegens sabotage in dienst van het zogenoemde Vernielingskorps en in een ijzeren kist onder de brandende zon te smoren gelegd, hij zag Japanse soldaten Australische krijgsgevangenen in open bamboekisten aan de haaien voeren, hij zag Punjabi-soldaten in Engelse dienst Japanse soldaten besluipen en ze de strot doorsnijden, hij hoorde over de dood van een neef aan de Birma-spoorlijn, hij hoorde hoe zijn lievelingsoom door Japanse soldaten was doodgemarteld op het landgoed van zijn vaders familie, hij verraadde de Japanse vriend van zijn zuster, die als animeermeisje aan de kost kwam, hij wees de geallieerden de weg in de hitte van de Javaanse Oosthoek, waar opstandige Indonesiërs ondersteboven hangend aan de enkels werden verhoord terwijl hij optrad als tolk en de schrijfmachine hanteerde, hij hielp de geallieerden met het platbranden van desa’s, hij zag brandende opstandige jongelingen schreeuwend van de pijn hun eenvoudige huisjes uit rennen en overhoop geschoten worden, hij leerde schieten en doorzeefde op een treinstation een vrouw en zuigeling, achter wie een Javaanse vrijheidsstrijder zich had verscholen, hij kreeg als hoofd van de afdeling Verhoor van Gevangenen in Djember de hardnekkigste zwijgers aan het praten, hij reed met een pantserwagen op een landmijn en stortte tachtig meter een ravijn in, hij kreeg het bevel van een Hollandse adjudant om het transport te begeleiden van 100 gevangenen van de stadsgevangenis van Djember naar het station Wonokromo en mocht aan het einde van de veertien uur durende rit 46 lijken van gestikte mensen uit de goederentrein slepen, hij vond een Indo-vriend terug die zichzelf voor zijn kop had geschoten nadat hij had ontdekt dat zijn meisje met een Hollandse soldaat het bed had gedeeld, hij maakte tijdens de Bersiap-tijd jongens af met wie hij nog een appeltje te schillen had, maar het ergst van alles vond hij dat tijdens de Eerste Politionele Actie de hals van zijn gitaar brak.

Het gebeurde tijdens het passeren van twee elkaar tegemoetkomende convooien. Iemand hield de loop van zijn mitrailleur niet binnenboord en hij de hals van zijn gitaar niet. De mitrailleur was van onbekende makelij, de gitaar een originele Amerikaanse Gibson, de droom van elke Indo, een instrument waar alle grootheden op speelden, een juweel waarvoor je zelfs het mooiste meisje uit de stad zou inruilen.

De gitaar had hem en zijn kornuiten vergezeld en zo lang zij leefde, leek de oorlog op een gezellig schoolreisje: beetje rondlopen, beetje keten, beetje kanen, lekker krontjongen in de desa en gluren naar de vrouwen die zich wassen in de rivier, al die schelmenverhalen die ik als kleine jongen avond na avond van hem moest aanhoren. Maar als die gitaar nou niet was gesneuveld, had ze dan mensenlevens kunnen sparen?

Ik bedoel: je verhoort een gevangene en je ziet hem aldoor gluren naar je gitaar. Dan vraag je hem wat te spelen en hij speelt de sterren van de hemel. Martel je zo’n jongen dan nog het leven uit?

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Doch er is een drawback – 7

George Birnie en Conrad Busken Huet maken zich op om in september 1875 samen met hun gezinnen naar Europa terug te keren. Om een of andere reden gaat de gezamenlijke reis niet door. De dood van Potgieter snijdt, zoals Anne aan Sophie schrijft, bovendien de laatste fysieke band door die Busken Huet nog met Nederland heeft. De vriendschap tussen George Birnie en Busken Huet is een goeddeels zakelijke en de scheiding van het tweetal is nauwelijks pijnlijk te noemen. Busken Huet komt uiteindelijk in Parijs terecht, waar hij de laatste tien jaar van zijn leven zal slijten.

George Birnie heeft zijn huis in Batavia verkocht, gelegen aan de westkant van het Koningsplein, waar ook de familie Couperus, onder wie de latere schrijver Louis nog als jochie, van 1872 – 1878 woont. Het beheer van de onderneming in Djember wordt aan neef Gerhard David overgedragen en George vertrekt, dus zonder de Busken Huets, met Rabina naar Europa.

Om Rabina aan die andere wereld te laten wennen, trekken ze eerst naar Napels. Ze logeren er een maand of negen in Hotel de Russie aan de Corso Vittoria Emanuela nr. 8. De kinderen zitten, neem ik aan, dan bij hun tantes in Deventer.

‘Zeg Rabina,’ vraagt George op een dag, ‘wil je vanavond niet meegaan naar de Opera?’

‘Opera, opera, watte geven? Faust? Ouwe man met dikke boek (buik). Dank je hartelijk.’

George schreef in één van zijn brieven dat het bijna niet mogelijk is zich straffeloos te onttrekken aan het milieu waarin men geboren is, of waarin men later meer dan een halven menschenleeftijd heeft doorgebracht.

Het liefst was hij vanuit Italië linea recta terug naar Djember gegaan, maar het leek hem onvermijdelijk de familieonderneming vanuit Nederland te moeten gaan leiden. Uiteraard zag hij al voor zich dat hij een probleem zou krijgen met zijn vrouw in Nederland. De vraag waardóór dat probleem kon bestaan, hoeft onderhand niet meer gesteld worden. Racisme is natuurlijk niet langer incidenteel te noemen. Zo veel zijn we de laatste honderd jaar wel opgeschoten.

In de zomer van 1876 krijgt de bijna 32-jarige Rabina eindelijk het moederland van haar man te zien. Aanvankelijk wonen ze in Velp. In 1880 betrekken ze een door George aangekocht familiehuis aan de Brink te Deventer.

Zoals George met zijn baard een opvallende verschijning was in Djember, zo was Rabina dat nu in het Overijsselse. Bij een wandeling op De Brink in Deventer riep een straatjongen naar haar: ‘O, wat ben jij vies!’

‘Ik heb bruine huid,’ antwoordde Rabina, ‘maar heb gewassen. Ik niet vies, jij niet gewassen, jij vies.’

Een dergelijke scène zou niet hebben misstaan in het proza van Dé-lilah. Helaas heb ik zelfs in haar proza, dat 2000 bladzijden telt, geen voorbeeld kunnen vinden van hoe Javaanse vrouwen zich bewogen in burgerkringen in Nederland. En als je het al niet bij de volkomen onterecht vergeten Dé-lilah kunt vinden, dan vind je het waarschijnlijk verder nergens.

* * *

Bronnen:
Joop van den Berg: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza. Amsterdam: Uitgeverij De Buitenkant; Uitgelezen boeken, katern voor boekverkopers en boekenkopers, jrg. 6 nr. 2, juni 1996. Of, verkort, in Indische Letteren, 12e jaargang, nummer 2, juni 1997: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza.

Elisabeth Birnie. De Birnies. Twello, 1992 (eigen beheer)

J.J.P. de Jong. De waaier van het fortuin. Den Haag, SDU: 1998

Olf Praamstra. Gezond verstand en goede smaak, de kritieken van Conrad Busken Huet. Amstelveen: 1991. Bij het ter perse gaan van dit nummer beschikte ik nog niet over de jongste biografie van Olf Praamstra over Conrad Busken Huet en ik kon dus nog niet nagaan of hij de onderhavige brief van Anne Busken Huet misschien (in zijn geheel) heeft geciteerd, wat overigens het geval is. De brief van Anne Busken Huet ontving ik in 2001 per e-mail van Olf Praamstra, de biograaf van Conrad Busken Huet.

* * *

© Dit artikel verscheen eerder in De Gids van mei 2007

Doch er is een drawback – 6

Batavia, 18 Maart 75.

Lieve Sophie,

Na uw eerste droeve tijding heb ik nog geen nader berigt van u kunnen ontvangen, toch wil den mail, die heden van hier vertrekt, niet laten gaan, zonder een woordje aan u mede te geven. -
Gij kunt u niet voorstellen welk een treurig gevoel het is, nu verder niets van u af te weten, van hoe gij het maakt en wat uwe plannen voor de toekomst zijn. In het lieve oude huis zult gij wel niet blijven, dat zal u te groot zijn, vrees ik. Ik weet dus volstrekt niet meer waar, of hoe, ik u mij voorstellen moet: noch ook hoe veel leed gij hebt gedragen bij het verstoren en wegnemen dier wereld van souvenirs waarin uw lieve doode zijn ganscher grooten geest had afgedrukt, en die ik zóó gaarne nog eenmaal weer in hun geheel had aanschouwd: ach, Sophie, uw broeders heengaan heeft de eenige bekoring welke Holland voor ons had weggenomen; en wij zouden lust hebben er niet weer heen te gaan. Zeg het aan niemand: doch het is zoo. Wie zal Huet met ware hartelijkheid te gemoet komen, buiten die eenige, die alles vergoedde, en die het niet meer doen kan. – Toch zouden wij zoo gaarne met u zamen zijn. Ik wil u daarom van onze plannen vertellen, om te zien, of het mogelijk zijn zou, ze eenigzins met de uwe in overeenstemming te brengen. – Ik zal u dus, in vertrouwen mededeelen, dat Huet, reeds eenige maanden geleden, een zekeren heer Birnie beloofd heeft, voorloopig althans, de wintermaanden met hem in Italië te zullen doorbrengen. Daarna zullen wij waarschijnlijk naar Zwitserland gaan, om Gideon op school te brengen, en ook daar eenigen tijd vertoeven. De reden nu waarom mijnheer Birnie er zoo op gesteld is, ons gezelschap te genieten, zal ik u nader verklaren. Mijnheer Birnie heeft hier zijn fortuin in de tabak gemaakt. Hij bezit eenige tonnen in de wereld, en gaat nu in Europa van zijne renten leven. Tot zoover is alles goed; doch er is een drawback; en wel deze; de man is getrouwd met eene Javaansche vrouw, bij wie hij, ik geloof, 8 kinderen heeft, en die hij, op aanraden zijner familie en ter liefde van zijne kinderen, voor een paar jaar heeft gehuwd. Die vrouw, zij spreekt zelfs niet anders dan maleisch, is volstrekt ongeschikt om een Europeesch huishouden te drijven; zelfs vertrouwt hij haar de opvoeding zijner kinderen niet toe; deze gaan alleen naar eene zijner zusters te Zwolle en gaan daar naar school; alleen de allerkleinsten houdt zij bij zich. Ziehier de ramp van dezen vermogenden, welontwikkelden en zeer interessanten man. Nu heeft hij, – aan wien Huet in zijne zaken veel verpligting heeft, – ons voorgesteld, in zijn gezelschap te reizen en voorloopig met hem zamen te blijven; en wij hebben dit beloofd. Wij kunnen daarvan dus onmogelijk af. – Maar nu is er eene andere vraag. Kunt gij niet bij ons in Italië komen? Voor uwe gezondheid was dat zeker goed. Tegen het einde van October komen wij te Napels aan. Zeg dat gij komt, dan reist Huet u te gemoet. Het zou ons ontzaggelijk veel genoegen doen, indien gij er toe besluiten kondt. Wat hebt gij alleen in het sombere kille Amsterdam? Die vrouw zal ons niet hinderen; zoo iemand is net een groot kind; daarbij heeft zij hare kindertjes, om zich mede bezig te houden, en gaat er waarschijnlijk nog een jufvrouwtje van gezelschap voor haar mede. Ik heb alleen beloofd: haar te protégeren en het oog over haar te houden. – Al hetgeen ik u hiervan zeg, weet niemand anders; het is meneer Birnie’s geheim; en gij moet het stipt voor u houden. – O wat zou ik hierop gaarne een gunstig antwoord van u krijgen; aan eene gewone Hollandsche, Amsterdamsche dame, nog wel, zou ik het niet durven voorstellen; maar aan u, dat is heel wat anders. Het zou zoo goed voor u, en voor ons allen zijn.
En hiermede eindig ik voor dezen keer; vreezende dat mijn brief anders te laat in den bus komt. Dag, lieve Sophie.
Uwe zeer hartelijk liefh.
Anne.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Doch er is een drawback – 5

In Batavia resideerde ook Busken Huet, voormalig redacteur van De Gids onder E.J. Potgieter. Busken Huet was na enkele geruchtmakende publicaties uit de redactie van De Gids gestapt, gevolgd door een aan hem loyale Potgieter. Na publicatie van een te erotisch getinte roman had Busken Huet zijn dieptepunt in Nederland bereikt. Hij kwam in 1868 in Batavia aan en werd er journalist voor de Java-Bode. Daar ontwikkelde zich een nieuw schandaal. Zijn reis naar Nederlands-Indië bleek betaald te zijn door de Minister van Koloniën, die hij als tegenprestatie voor de regering in het moederland zou adviseren hoe de Indische pers het beste in toom kon worden gehouden. Toen in 1872 de Java-Bode van eigenaar veranderde, vond Busken Huet het tijd worden om een eigen dagblad te lanceren. Om financiële steun voor zijn krant te verwerven was hij afhankelijk van onder meer bankiers, suikerfabrikanten en rijke, conservatieve planters uit de Oosthoek van Java, die een liberale koloniale politiek schuwden.

Ook George Birnie was gebaat bij het voortbestaan van een behoudende krant en steunde Busken Huet dan ook met geld. In april 1873 verscheen het eerste nummer van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië. Busken Huet had in Batavia een fraai huis gekocht, waar zijn vrouw Anne de boel bestierde met meer dan tien personeelsleden. De man beschouwde het bezit van de Indische kolonie als zo’n beetje het enige waarom de rest van de wereld Nederland mocht benijden. Maar echt thuis voelen deed hij zich niet in Nederlands-Indië. Van maandag tot en met zaterdag reed hij met zijn koets om zeven uur ’s morgens naar het redactiebureau in de Bataviase benedenstad, om pas tegen zessen weer thuis te komen. De avonden vulde hij met het schrijven van artikelen en feuilletons voor zijn krant, en met lezen. Ook zijn vrouw Anne schreef feuilletons, wellicht als ghostwriter, dat zou moeten worden uitgezocht.

Het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië leek een succesvolle onderneming. Maar volgens Olf Praamstra, de biograaf van Busken Huet, is dat niet waar. Het bewijs hiervoor vond hij in de brieven die Busken Huet schreef aan George Birnie, waarin de literator een heel andere toon aanslaat dan in de brieven die hij aan zijn literaire bondgenoot E. J. Potgieter in Nederland stuurde. De brieven aan George Birnie staan bol van gebedel om geld, compleet met inkomstenstaatjes.

Het aantal abonnees van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië was te laag om de krant draaiende te houden. Busken Huet zag bovendien geen kans te repatriëren naar Nederland, nu zijn zoon Gideon veertien jaar was en hij het hoognodig achtte dat die beter onderwijs ontving dan in Batavia voorhanden was. George Birnie vond dat deze criticus ook wel een beter lot verdiende dan de rest van zijn leven als journalist in Batavia te moeten slijten. Busken Huet wilde een rol gaan spelen in het politieke leven in Nederland en schreef, voor mij nogal verrassend, dat hij een einde aan de bourgeoisie wilde maken en met de oprichting van een landelijke organisatie van arbeiders een nieuwe stem aan de Nederlandse politiek wilde geven. George Birnie stemde ofwel met die plannen in, of had gewoon met de man te doen. Hij leende hem het geld om zijn schuldeisers af te kopen, zodat Busken Huet zijn zaken in Indië kon liquideren.

Ook George Birnie maakte zich op voor een terugkeer naar Nederland. Nu was het eenvoudiger om met een blanke vrouw terug te keren dan met een Javaanse. Dat spreekt overduidelijk uit een brief van Anne Busken Huet aan de zuster van E. J. Potgieter, kort na diens overlijden op 3 februari 1875. De brief volgt hier integraal.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Doch er is een drawback – 4

Na aankomst op Java trad George in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij had een verloofde in patria, maar liet de vrouw niet overkomen. Omdat de omstandigheden in de binnenlanden te primitief waren voor een Nederlandse vrouw, verbrak hij zelfs zijn verloving. Of was hij getroffen geraakt door de schoonheid van de vrouwen van het land?

Hij klom snel op de bestuursladder en kreeg na enkele goede rapporten het district Djember van de afdeling Bondowoso onder zijn toezicht. Op zekere dag bracht de resident van Besoeki een bezoek aan de koffietuinen van het gouvernement in Birnie’s district. De resident klaagde dat er grote schade was aangericht door de ‘zwarte apen’, die volgens hem te massaal in de schaduw van de bomen zaten. George Birnie schreef die avond in zijn dagboek, dat hij als ambtenaar bij te houden had, dat er sedert het bezoek van den resident geen apen meer in de gouvernementstuinen te zien waren.

Het gouvernement waardeerde de humor niet en stelde overplaatsing voor naar een ander district, mét weliswaar een verhoging van het traktement. George Birnie zag er een straf en verbanning in, nam ontslag en verliet voorgoed de gouvernementsdienst om voor eigen rekening te gaan werken.

Als controleur had George veel visites op plantages afgelegd en gezien dat in Djember de bodem in dialoog met de lucht erboven uiterst geschikt was voor de tabaksplant. Het was er dunbevolkt en de grond was nauwelijks in cultuur gebracht. Aanvraag van gronden was onnodig in die tijd. George ging er aan de slag met twee compagnons, die later werden vervangen door een neef en naamgenoot van zijn vroeggestorven oom Gerhard David. Hij koos eerst de droge velden en liet die door de bevolking beplanten. Allengs liet hij bossen kappen en de grond geschikt maken voor de aanplant, zodat zaadbedden konden worden aangelegd en zaailingen aan de bevolking worden uitgegeven. Na het uitplanten werden de velden in de periode juli tot oktober nauwlettend geïnspecteerd op vervuiling, beschadiging door rupsen en vernieling door mensen. In die periode kreeg het Djemberse vaak regen of zware mist te verduren, als voorloper van de westmoesson. Daarna kon worden geoogst. In de overige maanden kon de bevolking de gronden vrij gebruiken voor het verbouwen van rijst. Betaald werd naar het aantal geslaagde tabaksbomen, wat neerkwam op ongeveer de helft van wat werd geplant.

George pionierde met zijn werkwijze door het invoeren van een tabakscultuur waar anders de bodem onbenut bleef. Maar hoe kreeg hij de bevolking zo ver dat ze voor hem gingen werken? De Javaanse bevolking nam doorgaans niet méér aanplant aan dan strikt noodzakelijk was voor hun levensonderhoud, een gezonde houding zou ik zeggen, tegenover de winsten die de Europese planter voor ogen stond. George had dus te leven met de bevolking en diende hun doen en laten te leren kennen om ze met inachtneming van respect aan het werk te krijgen voor zijn tabak.

Hij leefde onder tamelijk primitieve omstandigheden, liet geen grote administrateurwoning bouwen, zo’n koloniaal paleis met Griekse zuilen dat je op foto’s uit tempo doeloe (= de goede oude tijd) kunt zien, met tuin, oprijlaan, koetshuis en overige bijgebouwen. Zelfs een huis van steen was er nog niet bij. De woning van zijn onderneming was gemaakt van bamboe en gevlochten palmbladeren, zoals de kamponghuisjes van de bevolking.

Soms kwam George van Djember afzakken naar Soerabaja, na enorme verliezen te hebben geleden op de investering in de plantages. Plukkend aan zijn baard kwam hij bij zijn zakenvrienden aan tafel zitten met het voornemen de hele boel te verkopen en zijn fortuin elders te gaan zoeken. Maar na een verfrissing en een peptalk van deze of gene in het bloedhete Soerabaja kwam George dan maar weer eens overeind, wuifde zich koelte toe met zijn hoed en stelde de vendutie nog maar een maand uit.

Toen hij op zekere dag een schare vrouwen en meisjes nodig had voor het werken in de schuur, zag hij dat ze angstig voor hem wegscholen. Wat was er aan de hand?

Een oude Javaanse vrouw maakte gebruik van haar gezag en wees hem beleefd op zijn enorme baard.

Onder de vrouwen die zich voor hem hadden verscholen, bevond zich Rabina, dochter van Pa Grimin en Sayeh, geboren op 18 augustus 1844 te Gambangan, Penaggoengan, afdeling Bondowoso. Rabina moet erg jong zijn geweest, een jaar of zestien, toen de slavernij werd afgeschaft en zij als huishoudster in dienst trad bij het harige spook, dat zijn baard had afgeschoren en was veranderd in een aantrekkelijk gepolijste blanke man.

De tabakscultuur bracht Djember geleidelijk welvaart, er werden karren gekocht, er werd vee aangeschaft en men bouwde degelijker huizen. George liet een familiehuis bouwen, waar hij met Gerhard David en voltallige families in kroop. De neven staken ‘s avonds de koppen bijeen, omdat ‘wilde tabakkers’ in de omgeving neerstreken. Deze concurrenten namen het niet zo nauw met inferieure tabaksplanten, betaalden de koelies hoger en dreven zo de marktprijzen op. George Birnie zag zijn tabaksbedrijf in gevaar komen, liet Gerhard David op de landerijen passen en kocht een huis in Batavia, het centrum waar je moest zijn voor je lobby met het gouvernement, dat zich intussen door middel van wetgevingen met de cultures was gaan bemoeien.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Doch er is een drawback – 3

Gelukkig hebben we de brief nog als lapmiddel tussen fictie en non-fictie. Rabina bracht de dames Anne Busken Huet en Sophie Potgieter in elk geval voldoende gesprekstof, waaraan een ‘geheime’ brief voorafging. Maar hoe kwam het dat deze dames uit literaire kringen zich verlaagden om ook maar met één woord te reppen over zo’n eenvoudige vrouw uit Oost-Java? Om antwoord te geven op de vraag hoe Rabina in Europese kringen verzeild was geraakt, moet ik terug naar de 12e oktober 1852, toen mijn overgrootvader George Birnie uitzeilde richting Nederlands-Indië, via Kaap de Goede Hoop.

George Birnie’s eigen overgrootvader was halverwege de achttiende eeuw via een Schots regiment in Nederland aan komen waaien en het leger ontvlucht door een Nederlands meisje te huwen. Hun enige zoon was een ondernemende geest, nam in Deventer een dweilenfabriek over van een Zwitser en breidde die uit met de productie van tapijten, zeildoek en andere ‘nuttige bekleding’. Ook hij huwde een Nederlands meisje, Aleida, bij wie hij drie zonen verwekte.

De eerstgeborene Gerhard David kwam bij zijn vader in de Deventer fabriek te werken. Op een dag vroeg de raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpennick hem zijn Smyrnatapijt te repareren. Moeder Aleida is toen net zo lang op het tapijt gaan zitten puzzelen tot ze de manier van knopen had gevonden. Naar haar bevindingen construeerde de jonge Gerhard David een getouw en ontwikkelde een product dat onder de naam ‘Deventer handgeknoopt tapijt’ de wereld zou gaan veroveren. Hij legde zich toe op het ontwerpen van tapijten, maar kwam te sterven toen hij pas 20 was.

De jongste zoon, Johan Willem, zou na het overlijden van de vader in 1830 de fabriek voortzetten. Eén van zijn eerste daden was het dagloon niet meer op de zaterdag maar op de donderdag uit te betalen, één dag voor de belangrijkste marktdag. De arbeiders konden nu niet meer direct de kroeg in duiken en na een weekendje doorzakken de maandag verstek laten gaan, zodat er na de dinsdag geen geld meer was om vrouw en kinderen te eten te geven. Ook begon hij met het heffen van premie, waarmee ziekte- en begrafeniskosten konden worden betaald. Verder werden sterke drank uit de fabriek geweerd, een portier aangesteld en geldboetes geheven op te laat komen, waarvan kleding en brandstof werden gekocht, die weer onder de 300 werklieden werden verloot. Johan Willem spoorde de arbeiders aan om lid te worden van de godsdienstige gemeente waartoe zij behoorden, charterde een verwarmde zaal en een dominee om hen godsdienstonderwijs te laten volgen en stelde, in de Schotse traditie, de zaal tevens ter beschikking aan leden van andere ‘gezindheden’.

Al deze maatregelen brachten een redelijke orde in de fabriek, waar allengs minder werd gezopen, gevloekt, geboerd en scheten gelaten en zo geviel het dat onze Johan Willem werd gelauwerd met ridderkruizen, want Koning Willem III was er als de kippen bij om aandelen te kopen toen de fabriek werd omgezet in een maatschappij.

Maar God had de brave man nodig. Hij stuurde in 1848 een donkere wolk uit Schotland naar de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten en liet hem daar een poosje hangen. Orders bleven uit. Johan Willem kon ze niet meer in de ogen kijken, de werklieden die nog altijd zo braaf zonder de jeneverfles onder de oksel op tijd kwamen en zondags psalmen en gezangen uit de minder schorre strotten lieten komen in het vrome zaaltje met het preekgestoelte, de gasverlichting en de warme oliekachel. De fabriek draaide zo slecht, dat hij deze enigszins opgevoede lui nu niet eens meer regelmatig kon betalen.

De gekwelde Johan Willem, terneergeslagen door de tegenvallende opbrengsten van zijn fabriek, ontvluchtte de stad, stak de grens over naar een plas bij Bentheim in Duitsland en verzoop zich er in het koude water. Ironischerwijs verdween direct daarop de donkere wolk boven de fabriek en begonnen de orders weer binnen te stromen.

Johan Willem liet negen kinderen na, bij twee vrouwen. Onder hen zat mijn overgrootvader George. Hij was 17 en leek geenszins van plan de fabriek voort te zetten, zelfs niet toen de fabriek beter liep dan ooit tevoren. Hij volgde een opleiding aan de bestuursacademie te Delft, zoals indertijd velen deden met oog op een loopbaan in Nederlands-Indië, en was 21 jaar oud toen hij uitzeilde om in de kolonie aan de slag te gaan.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Hoe gewaagd is Inez Hollanders aanstaande boek?

De Nederlands-Amerikaanse schrijfster Inez Hollander mailde me dat haar boek Silenced Voices, Uncovering a Family’s Colonial History net in Amerika is verschenen. In het voorjaar verschijnt het in het Nederlands bij uitgeverij Atlas, onder de titel Verstilde stemmen, verzwegen levens.

Inez Hollanders voorzaten waren indertijd de Franckens, die de plantage Kali Djompo beheerden, vlakbij de plantages van de Birnies, mijn voorzaten. Tijdens Hollanders onderzoek een jaar of wat terug mailde ze me over de “martelgang” van haar boek. Ze schreef het eerst in het Nederlands, het boek werd aanvankelijk geaccepteerd door Veen, maar die uitgever trok zich op het laatste moment om onduidelijke redenen terug. Op de zestigjarige herdenking van de Japanse capitulatie schreef Hollander een indringend stuk over de revolutie in Soerabaja. De NRC wilde het hebben, het stuk werd geredigeerd maar een week voor publicatie in de prullenbak geworpen. Een vriendin van Hollander wist te vertellen dat de NRC het stuk “te riskant” vond. Hollander heeft toen haar boekmanuscript ook maar helemaal weggelegd. Ze raakte verbitterd en begon te twijfelen aan de vrijheid van meningsuiting in Nederland.

Een Amerikaanse historicus, die Nederlands kon lezen, vroeg haar herhaaldelijk naar het manuscript en wist het op de tafel van Geert Mak te krijgen er een uitgever voor te vinden. Inez Hollander kreeg contact met Geert Mak toen hij ergens een essay van haar las. Via hem kwam het Met die man hebben Indo’s nog een appeltje te schillen (hij noemde Indo’s Indiërs in zijn bestseller De eeuw van mijn vader), wie weet deed hij daarom zijn best om het manuscript bij uitgeverij Atlas uitgegeven te krijgen terecht. Hollander moest de boel wel zelf terugvertalen naar het Nederlands. Hierdoor is het boek volgens de schrijfster zelf genuanceerder geworden.

Hollander denkt dat de vooroordelen van Amsterdam en hoe men binnen de grachtengordel tegen de Nederlandse koloniale geschiedenis aan kijkt, nog altijd een grote rol spelen. Een redacteur, die waarschijnlijk van toeten noch blazen wist, schreef “foute toon” in de kantlijn bij de volgende zin in Hollanders inleiding:

‘Strikt genomen vertel ik in dit boek het verhaal van onze rubber- en koffieplantage Kali Djompo (1899-1957), en mijn familieleden die daar woonden en werkten. Mijn Indische familieleden waren kolonisten die uiteindelijk zelf gekoloniseerd werden (door de Japanners) en verdreven werden (door de Indonesiërs). Als berooide bannelingen arriveerden ze in Nederland, een land dat nog steeds niet voldoende hun bijdrage, hun pijn en hun verlies onderkend heeft.’

Hollander herinnerde me aan een e-mail van me, waarin ik schreef:

‘Wie ook maar de joodse en Indische episodes in de Tweede Wereldoorlog naast elkaar durft te zetten op wat voor manier dan ook, wordt niet gehoord in Nederland.’

Ze vroeg me of ze dat citaat in haar boek mocht opnemen. Dat vond ik goed, maar ik waarschuwde haar nog maar eens op de gevoeligheid die in Nederland hangt ten gevolge van een diepgeworteld schuldgevoel ten opzichte van joden, die hier tijdens WO-II zonder noemenswaardige problemen werden gedeporteerd naar vernietigingskampen. Een vergelijking tussen joden en Indische mensen loopt altijd verkeerd af en wel in het nadeel van Indische mensen.

Ik zag eens een televisiedocumentaire waarin een verslaggeefster van joodse komaf net zo lang met een cameraman op een pasar malam in de provincie Indische mensen afzocht totdat ze er eentje vond – Emmy Verhoeff – die wel wilde verklaren dat het leed van Indische mensen wel degelijk vergelijkbaar was dat van joodse mensen. Nou, dat hebben we geweten. Die uitspraak is uit zijn verband gelicht en zwaar aangezet op de Nederlandse televisie uitgezonden. Het is wel vaker voorgekomen dat beide groepen tegenover elkaar werden geplaatst en uitgespeeld in het kader van Neerlands kampioenschap slachtofferschap. Ditmaal was het een reactie op het in het leven roepen van de Stichting Het Gebaar. (N.B. De onlangs door mij besproken biografie van Tjalie Robinson van de hand van Wim Willems is onder meer door de Stichting Het Gebaar gefinancierd – het staat niet voorin het boek vermeld, wat niet erg netjes is, maar dat doet aan het feit niets af dat met de middelen van Het Gebaar in elk geval werk gedaan wordt dat anders was blijven liggen.)

Zoals een goed schrijver of publicist betaamt, kent ook Inez Hollander haar eigenwijze kanten. Ze bedankt me voor mijn waarschuwingen, ze weet precies waar ik het over heb, ze zal ongetwijfeld “over een mijnenveld lopen, maar als genoeg mensen dit gaan zeggen en hebben gezegd dan moet het toch een keer aankomen bij die botte Batavieren. Misschien ben ik een idealist, of een naïeveling, maar de stilte, de taboesfeer zoals die in mijn familie rondom het onderwerp Indië geheerst heeft, moet op een gegeven moment doorbroken worden, hoe dan ook. Soms moet men provoceren om gehoord te worden en misschien betekent dit dat ook dit boek doodgezwegen gaat worden in Nederland, maar dan staat daar nog altijd de Amerikaanse markt tegenover en hoe men hier op dit boek gaat reageren. In zekere zin is dat interessanter dan de voorspellingen die we (nu al ) kunnen doen over de receptie van het boek in Nederland.”

Dus zinnen als “in Nederland is het nog steeds taboe om het lijden van de joden te vergelijken met de ellende van de Europeanen, Indo-Europeanen en romusha’s die het slachtoffer werden van de Japanners” blijven gewoon in haar boek staan. Inez Hollander is een verbeten schrijfster, geboren in 1965, de woede straalt soms van haar e-mails: “Je wil niet weten hoeveel Indo’s hier in Californië zitten, weggekeken uit Nederlands destijds, en niettemin hebben ze een misplaatste nostalgie inzake Nederland, koningshuis etc., daarbij voorbijgaand aan het feit dat het een Indische diaspora is geweest waarbij de Indo’s die nu in Californië wonen, twee keer hun vaderland verloren hebben, maar niks geen bittere gevoelens koesteren.”

De ontvangst van het boek is in Amerika tot dusver positief. De aandacht waait al over naar Australië, waar een kleine groep Indo’s actief bezig is met de koloniale geschiedenis. We zullen zien hoe het het boek hier in Nederland zal vergaan, straks in de lente.