Bentheim blues

logo alfred birney Het is alweer een paar weken terug dat ik per ongeluk televisie keek, maar voor wie vrijwel nooit televisie kijkt is dat natuurlijk een ervaring als de dag van gisteren. Televisie maakt pas indruk als je vrijwel nooit kijkt, anders zijn uitzendingen nauwelijks ervaringen te noemen, eerder geestdodende middelen waaraan nauwelijks te ontsnappen valt, te vergelijken met de junk die een verslaafde dagelijks tot zich neemt: de stakker begint pas een verandering waar te nemen wanneer er niets te snuiven of te spuiten valt. Maar goed, ik dwaal af. Ik keek dus per ongeluk televisie. Ik had dat ding eventjes verplaatst bij mijn jaarlijkse zomeropruiming en toen ik hem terugzette wilde ik hem even testen.

De nieuwslezeres kwam met een item over Nederlanders die van ellende in Duitsland zijn gaan wonen, omdat daar niet om de haverklap wordt ingebroken wanneer je je auto even onbeheerd ergens laat staan, omdat daar de mensen beleefder zijn, omdat men daar nog een praatje met je maakt wanneer je je hond uitlaat, kortom: omdat je voor Leefbaar Nederland nu eenmaal in Duitsland moet zijn. De NOS stuurde een paar vakantiewerkers af op het rustieke plaatsje Bentheim. Een Nederlandse meneer mocht uitleggen waarom Leefbaar Nederland tegenwoordig in Duitsland moet worden gezocht. Een Duitse juf kwam dat volmondig bevestigen. Maar toen kwam een richtige Deutsche in beeld. Die liet van de Hollanders instromers geen spaan heel: ‘Ach, die Hollanders die komen hier maar naar toe, maar ze passen zich niet aan, verstehen Sie? Dass lult maar over die Türken, aber zij zijn zelf ook zo!’

Het werd me even niet duidelijk wat die mevrouw nou erger vond: dat die Hollandse kolonie zich niet fundamenteel tot de braadworst bekeerde en haar Heineken afzwoer of het gewoon verdomde haar kinderen naar Duitse scholen te sturen. Maar goed, de boodschap was duidelijk: vol = vol. Diep onder de indruk van dit televisieavontuur verviel ik in diep gepeins. Niet van die vreemdelingenangst natuurlijk, dat is gewoon dagelijkse kost. Maar waar kende ik die plaatsnaam Bentheim ook weer van? Ik slaapwandelde op mijn boekenkast af, trok een boek tussen de duizend-en-een ruggen vandaan en ja… ik had het teruggevonden.

Mijn bedovergrootvader, genaamd Johan Willem Birnie, was een van de groten die de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten te Deventer bestierde, zo’n anderhalve eeuw geleden. De man was zo braaf en hardwerkend dat Koning Willem III hem met ridderkruizen overlaadde. Maar toen het even minder ging met de wereldberoemde tapijtfabriek verviel Johan Willem Birnie in somberheid. Op een dag kon hij de neergang van de fabriek niet langer meer aanzien. Hij vertrok naar Bentheim. Niet om een nieuw leven te beginnen, maar om het leven uit te stappen. De man verdronk zich er in een meertje. Zou hij zich met die daad nou hebben aangepast aan de cultuur daar in Bentheim?

Haagsche Courant, vrijdag 23 juli 2004

Alfred Byrnye / Bedoelt de butler Birney?

logo alfred birney Als het goed is staat mijn achternaam als ‘Byrnye’ voor de lol boven deze column gespeld. Dus niet als ‘Birnie’ boven de column van verleden week, getiteld ‘Leven in MP3-formaat’. Deze andere spelwijze van mijn familienaam is verleden week door allerlei technische oorzaken waarmee ik u nu even niet lastig ga vallen abusievelijk in de kop komen te staan. De ware Alfred Birnie is mijn neef uit de gemeente T., die niet zelden voor de schrijver, columnist Alfred Birney wordt gehouden. Straks gaat ie nog de rechten op mijn vorige column claimen, al zal ie dat gezien zijn levenspeil wel niet nodig hebben. Wie weet is er een nog rijkere derde Alfred B., gespeld Alfred Byrnye, die zich lekker schuil houdt in een imposant kasteel ergens in de Schotse Hooglanden. Een kasteelheer vetgevreten van de haggis (schapenmaag of runderdarm, gevuld met stukjes hart, long, lever, niervet en havermout), zeer belezen maar zelf nauwelijks in staat een ganzenveer of pen vast te houden.
Kasteelheer Alfred Byrnye nipt verveeld van de single malt whisky van Glenfiddich en neemt met een minzaam knikje de Nederlandse krant aan van zijn trouwe butler.
‘Heer Byrnye, uw naam wordt kennelijk ijdel gebruikt in een van de kranten aan de overkant van het Kanaal,’ zegt de butler fronsend.
‘Hm, nou, aan het fotootje te oordelen is het niet direct een Schot die mijn naam boven zijn column zet. Wat denkt u dat er staat, mijn beste? Denkt die armoedzaaier op grond van een kennelijk vage afkomst enig recht te kunnen doen gelden op mijn bezittingen?’
‘Wilt u dat ik het stuk voor u laat vertalen, heer?’
‘Wat kost dat, mijn beste?’
‘Denkelijk al gauw drie eurocent per woord, heer.’
‘Veel te duur! Laat deze zaak maar rusten. Schenk me liever nog een single malt in.’
Waarop de heer zijn butler geruststelt door hem te vertellen dat de spelling van de achternaam Birney diverse varianten kent, zoals Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, en dan vergeet hij, overigens met genoegen, de Mac’s nog maar even. Hij, de kasteelheer, is met zijn eruditie heel wel op de hoogte van de grote daden van Carel Birnie, de oprichter van het Nederlands Dans Theater in Den Haag, en van de boeken van ene Alfred Birney, een schrijver die ergens tussen Nederland en Indonesië in hangt en volgens hem dan maar beter ergens op de Indische Oceaan gedropt kan worden, met slechts een rubberbootje en een mondvoorraad aan haggis.
‘Met andere woorden: liever diens boeken en columns naar de haaien, heer?’
‘Gaat er dan iemand boven onze eigen grote dichter Robert Burns, mijn beste?’
‘Is Burns dan eigenlijk een Burnie, heer?’
‘Shut up! Another whisky please.’

Dit is een alternatief voor de geweigerde column Hoe spel je dat nou?
Haagsche Courant, vrijdag 16 juli 2004

Alfred Byrnye / Hoe spel je dat nou?

logo alfred birney Als het goed is staat mijn achternaam als ‘Byrnye’ boven deze column gespeld. Dus niet als ‘Birnie’ boven de column van verleden week. Dat is namelijk fout. Alfred Birnie is mijn neef uit Twello, een grafische vormgever die overigens nogal eens voor de schrijver Alfred Birney wordt gehouden. De spelling ‘Byrnye’ die hopelijk boven deze column staat, is ook fout. In mijn geval dan. Het verschil met verleden week is dat een mij onbekend gebleven redactielid het nodig vond mijn naam van ‘Birney’ in ‘Birnie’ te wijzigen en dat deze week ik het zelf nodig vind. Even kijken hoe het met mijn vrijheid van columnist is gesteld. Er ging trouwens meer mis met mijn column verleden week, de tekst kreeg een dubbel slot, deels mijn eigen schuld, ik was vergeten het afgekeurde deel uit het document te wissen, dat stond tien witregels verderop, ik zat aan de whisky, of aan het bier, dat weet ik nu even niet meer.

De spelling van mijn achternaam Birney kent diverse varianten, zoals Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, Byrne en ga zo maar door. Dat iemand bij de krant, nadat het 229 columns goed is gegaan, aan de nota bene door mijzelf getypte achternaam is gaan morrelen, is mij een raadsel, maar goed, het is vakantietijd en de een gaat druiven plukken en de ander kruipt achter een pc in een half verlaten redactielokaal.

Wanneer schrijf je nou ‘Birnie’ en wanneer ‘Birney’? Nou, als je het over de oprichter van het Nederlands Dans Theater in Den Haag hebt, neem je de eerste spelling en in het geval van de schrijver, columnist de tweede. Waarom? Omdat zij die namen zo gekregen hebben.

De naam schijnt oorspronkelijk uit het oude Ierland te zijn overgewaaid naar Schotland, naar verluidt als ‘Birnie’ (bright). Toen ergens in de negende eeuw na Christus drie Birnies, strijdend voor de Scoten, door de Picten gevangen werden genomen en zij met hun benen in een houtblok werden vastgezet, waren ze zo vermetel eigenhandig hun benen af te hakken en de strijd hinkend op één been voort te zetten. Kenneth the Second beloonde het drietal met een baronie in Elgin. Zo verkregen mijn verre voorouders een baronie bij Elgin. Op hun wapenschild prijken de obligate leeuw en helm. Het vaandel is bloedrood en wordt doorsneden door een wit erelint. Boven het lint staan pijl en boog afgebeeld. Eronder de drie afgehakte benen, achter elkaar aan wandelend in de richting waarnaar de pijl wijst.

In de twaalfde eeuw werd in de streek een kerkje gebouwd: Birnie Kirk. Het staat er nog steeds. De varianten op de spelling van de naam Birnie begonnen zo’n beetje aan het einde van de vijftiende eeuw, toen de Schotten whisky leerden stoken. Het bijhouden van de kerkregisters zou nooit meer een puur nuchtere aangelegenheid zijn. Dat de spelling vele eeuwen later ook in Nederland voor verwarring zorgt, zal hier het bier dan wel zijn.

Geweigerde column 16 juli 2004

Tanpa wajah

tanpa wajah

Satu-satunya kenanganku akan nenekku adalah makamnya. Satu-satunya kenangan ayahku akan neneknya adalah pemakamannya. Aku tidak tahu apa yang diturunkan nenekku kepadaku. Ayahku tidak tahu apa yang diturunkan neneknya kepadanya, tidak bisa lagi menanyakannya ketika aku bertanya.

Mungkin aku mewarisi suasana hati nenekku yang berubah-ubah. Ayahku berkisah bahwa ibunya sering berganti suasana hati. Ia menulis hal itu kepada seseorang dalam surat yang kemudian aku baca tembusannya. Zaman sekarang pergantian suasana hati dinamakan: kepekaan terhadap suasana. Suasana dikenal ada tiga: tertekan, takut, melankolis. Dari ketiga suasana, melankolis mungkin yang paling indah. Rindu kepada kampung halaman tapi lebih sedih. Mungkin nenekku merindukan negeri yang tidak dikenalnya, negeri ibunya: Tiongkok. Kerinduan yang ditularkan kepadanya oleh ibunya, yang berasal dari sana. Atau yang diwarisi dari neneknya, yang mungkin juga tidak dikenalnya.

Ayahku bercerita bahwa neneknya masih mempunyai kaki-kaki kecil yang diikat. Dengan demikian sebagai perempuan Cina ia telah memenuhi gambaran ideal seorang wanita Cina cantik. Nenek buyutku datang ke Hindia Belanda dari Kanton, kemungkinan besar bersama sebagian keluarganya, karena dalam cerita-cerita ayahku bermunculan paman-paman dan bibi-bibi Cina. Kapan ia datang ke Hindia Belanda, aku tidak tahu. Kelihatannya ia lahir sesudah 1860, ketika perbudakan di Hindia Belanda dilarang dan terjadi kekurangan buruh.

Seperti halnya orang Belanda mencari buruh dari negara-negara sekitar Laut Tengah pada tahun enam puluhan abad yang lalu, begitu juga yang mereka lakukan di pantai-pantai Tiongkok seratus tahun sebelumnya. Dan seperti banyak buruh dari Laut Tengah yang bermukim untuk selamanya di Negeri Belanda, begitu juga yang dilakukan para pendatang di Hindia Belanda. Mereka datang dalam perahu-perahu reyot, dan orang menamakannya ‘koelie’. Aku tidak tahu nama nenek buyutku. Mungkin ia memakai Nio dalam namanya: perempuan.

Ayahku berusia kira-kira empat tahun ketika neneknya meninggal. Tubuh neneknya pasti kecil, tapi dalam ingatan cucunya peti matinya besar dan dibuat dari kayu jati dan berat. Di bawah pimpinan ibunya, orang membuat masakan Cina dan mempersembahkannya kepada para dewa. Ayahku, dua kakak laki-laki dan dua kakak perempuan dilumuri kapur di belakang telinga. Garis-garis kapur itu harus melindungi mereka terhadap roh-roh jahat selama upacara pemakaman.

Siapa lagi yang hadir pada upacara itu? Apakah nenek buyutku meninggalkan seorang suami, ataukah lelaki itu sudah meninggal atau mungkin hidup bersama perempuan lain, yang lebih muda?

Peti diangkat ke atas cikar dan diantar ke tempat pemakaman di Soerabaja. Dengan sebuah upacara Cina perempuan dengan kaki-kaki kecil dititipkan pada tanah, bunga-bunga ditabur dan seorang anak laki-laki kecil melihat bagaimana piring-piring dengan makanan persembahan diatur mengelilingi makam. Seleranya timbul, ia lolos dari perhatian para pelayat dan makan dari hidangan lezat di seputar makam neneknya. Mungkin para dewa dalam kebaikan mereka mengizinkan bocah kecil itu berada di antara mereka?

Seandainya mereka hadir, para dewa itu, dan seandainya mereka marah karena seorang anak kecil makan dari hidangan mereka, mungkin di sinilah letak petunjuk untuk nasib getir yang menanti si bocah kelak. Tapi aku tidak percaya itu. Tepatnya: aku hampir tidak percaya. Itu agak lebih banyak ketimbang tidak percaya sama sekali. Karena aku tidak tahu pasti apakah mereka benar-benar ada, para dewa itu, dan apakah mereka hadir pada pemakaman nenek ayahku.

Aku harap mereka hadir. Bahwa merekalah yang menentukan nasib ayahku. Aku berharap begitu karena aku mencari ketidakbersalahan manusia, keluargaku.

Aku mengenal wajah nenek buyutku dari pihak kakekku dari foto-foto. Aku bahkan tahu namanya: Rabina. Menurut ayahku ia orang Madura. Menurut seorang bibiku, yang menulis sejarah keluarga kami, ia orang Jawa Timur, anak Pak Grimin dan Sayeh. Banyak orang Jawa Timur berasal dari Madura. Rabina tinggal di satu tempat di pojok Timur Pulau Jawa, ketika sepuluh tahun sebelum penghapusan perbudakan, seorang pria muda bernama George Birnie meninggalkan Negeri Belanda dengan kapal layar menuju Hindia Belanda. Ia kemudian membuka sebagian tanah Jawa Timur dan menanaminya dengan kopi dan tembakau. Ia menikahi Rabina, suatu hal yang istimewa pada waktu itu, dan Rabina memberinya delapan orang anak: anak-anak Indo. Mereka dikirim ke Negeri Belanda untuk pendidikan mereka. Rabina kemudian juga diajak ke Negeri Belanda oleh George yang memimpin imperium Birnie dari sana. Wanita itu menguasai dapur di rumah keluarga, di lantai bawah tanah. Tuhanlah yang tahu apa yang dirasakannya.

Dalam kronik keluarga ditulis bahwa George meninggal di negeri Belanda, tetapi tidak ada catatan mengenai nasib Rabina. Penulis kronik hanya memetakan imperium Birnie. Jadi aku tahu apa yang dilakukan para pria. Aku tahu bahwa mereka menamami bidang-bidang tanah di Hindia Belanda. Aku juga tahu bahwa nenek buyutku Rabina masak untuk suami dan anak-anaknya dan bicara bahasa Belanda yang salah-salah dan lucu. Selebihnya aku tidak tahu apa-apa. Sekali lagi: bagaimana perasaannya di Negeri Belanda? Asing? Ataukah ia merasa nyaman di mana pun, selama ia bersama suaminya? Aku menduga Rabina kembali ke Hindia Belanda sepeninggal suaminya dan meninggal di sana. Aku harap begitu, sebab, menurut orang-orang Indo tua, tanah di sana lebih hangat.

Anak keempat George dan Rabina bernama Willem dan lahir tahun 1868 di Djember, Jawa Timur. Indo asli ini menikah dengan saudara sepupunya, wanita dari cabang lain keluarga Birnie. Mereka memperoleh dua orang anak. Aku tidak tahu berapa lama mereka menikah. Secara hukum mungkin seumur hidup. Tapi mereka hidup terpisah. Itu terjadi ketika Willem berjumpa dengan nenekku, anak perempuan dari wanita yang mempunyai kaki-kaki kecil. Ia kemudian hidup bersama dengan perempuan itu, ‘samenleven’, menurut istilah ayahku. Orang lain akan mengatakan: ia mengundang perempuan itu tinggal bersamanya, sebagai pengurus rumah tangga. Dan mengambilnya sebagai ‘nyai’, istilah Indis yang menarik untuk seorang gundik.

Menurut ayahku ia lahir tahun 1893 di Kediri, Jawa Timur, dan bernama Sie Swan Nio, dengan nama keluarganya di depan. Tetapi akte pengakuan ayahku sebagai anak dalam 1925 mencantumkan: Sie Swan Nio, tanpa pekerjaan, beralamat di Soerabaia, Koninginnelaan 3, usia menurut pengakuannya tiga puluh dan lima tahun dan tidak kawin. Berarti tahun kelahirannya 1890? Bisa jadi karena alasan tertentu, uang mungkin, ia berbohong kepada notaris mengenai umurnya.

Jika ia lahir tahun 1890 sesuai keterangannya, ia dari tahun Macan. Kalau ia dari tahun 1893, berarti ia dari tahun Ular.

Ada perbedaan besar antara perempuan yang lahir di tahun Macan dan mereka yang lahir di tahun Ular. Wanita Macan lahir sebagai feminis dan karena itu paling tidak disukai di kalangan Cina kuno. Wanita Ular misterius dan sensual. Hari kelahirannya pasti: 23 Juli, batas antara tanda zodiak Cancer dan Leo menurut astrologi barat sekarang. Ayahku pasti mengingat tanggal itu dengan baik, di kemudian hari, ketika ia sendirian di Negeri Belanda, terpisah untuk selamanya dari keluarganya, karena ia harus melarikan diri dari orang Indonesia sesudah perang.

Sie Swan Nio sudah mempunyai anak sebelumnya, putri seorang pria Cina. Aku tidak tahu apakah ia menikah dengan pria itu. Aku hanya tahu bahwa lelaki itu kecanduan judi. Mungkin juga ini hanya karangan ayahku. Ada teori yang mengatakan bahwa sesudah perceraian, orang mencari seseorang yang mirip dengan pasangan hidup yang lalu, atau memiliki sifat-sifatnya yang paling menonjol. Dalam lakinya yang kedua, nenekku menemukan seorang penjudi lagi.

Dia, Willem, putra yang beruntung dalam imperium perkebunan Birnie yang kaya dan termasyhur, menurut ayahku memiliki dua belas bedil berburu yang digantung di tembok. Menurut cerita, orang Indo suka berburu. Mereka berburu celeng, babi hutan. Nenekku pasti sering melihatnya berangkat untuk berburu di hutan. Tapi mungkin hutannya terutama merupakan kumpulan alamat-alamat, dengan teman-teman perempuan, dan merekalah korban buruannya.

Menurut ayahku, Willem memiliki kapal uap, usaha binatu dan praktek pengacara. Sesudah itu aku membaca dalam catatan sejarah keluarga bibiku bahwa kakekku adalah enfant terrible, anak nakal keluarganya, bahwa ia mengarang rencana, supaya dapat meminjam uang dari kas keluarga. Tambang batu bara di Borneo, hal-hal semacam itu. Dalam perjalanan ke Negeri Belanda dan kembali ke Hindia ia selalu mampir di kasino di Monaco.

Sang bon vivant tidak mengikuti jejak ayahnya, George, dan tidak pernah mengakui kelima anak yang dilahirkan Sie Swan Nio. Karena itu nenekku sendiri melaporkan kelahiran ayahku, si bungsu. Menurut aktenya ia menunggu sampai saat terakhir, karena bayinya sudah berumur tiga bulan. Undang-undang di kala itu tidak mengizinkan jangka waktu yang lebih lama untuk pelaporan seorang anak. Mungkin selama itu ia berusaha membujuk lakinya untuk mengakui anaknya, agar setidak-tidaknya anak emasnya, anak kesayangannya, dapat menjadi ahli waris dengan masa depan penuh kesempatan gemilang.

Mungkin nenekku lahir dalam tahun Macan dan ia mempertikaikan pengakuan anak yang terakhir dan sang pemburu selalu mengatakan bahwa ia akan mempertimbangkannya dan selalu saja ia lupa, dengan botol wiski di mulutnya. Dalam kronik keluarga tertulis bahwa kakekku pada akhir hidupnya ditempatkan di bawah pengawasan keluarga. Ia menerima uang saku 600 gulden setiap bulan dan selanjutnya tidak boleh mencampuri urusan bisnis keluarga. Ketika sang penjudi meninggal sebelum Perang Dunia Kedua pecah, ia meninggalkan hutang semata-mata.

Mungkin nenekku lahir dalam tahun Ular dan ia menderita karena ketidakhadiran lakinya. Mungkin ia tidak menerima cukup uang untuk bisa hidup pantas. Aku tidak tahu apakah mereka saling mencintai. Kalau memang kakekku mengambilnya sebagai pengurus rumah tangganya, maka kemudian ia menjadi teman tidurnya. Sebagai teman tidurnya ia dapat mengatakan, atau percaya, bahwa ia bukan lagi seorang pengurus rumah tangga. Bahwa ia adalah istri orang penting, toean besar, seseorang dengan uang, kuasa dan wibawa.

Toean besar tidak mempunyai kuasa untuk menceraikan saudara sepupunya. Istrinya yang pertama ini, yang memberinya dua orang anak resmi, menolak untuk bercerai. Mungkin itu karena saham-saham dalam modal keluarga. Atau mungkinkah nenekku merasa bahwa hatinya selalu tertaut pada saudara sepupunya? Keakraban sejati hanya mungkin ada antara dua orang, begitu bunyi I Ching, Buku Perubahan, warisan lama dari Khonghucu dan murid-muridnya, satu-satunya pasporku ke alam pikiran nenek moyangku yang orang Cina: di mana ada tiga orang, akan ada kecemburuan dan satu di antara mereka harus berlalu.

Ayahku bercerita bahwa ibunya dalam tahun-tahun perang beralih dari kepercayaan Khonghucu ke agama Kristen. Artinya: ia mulai membaca Alkitab, dalam bahasa Melayu. Mungkin ia mencari penghiburan untuk kesedihan yang diakibatkan putranya yang bungsu dengan ide-ide politik pro-Belandanya yang tidak perlu, dan terutama dengan aktivitas perangnya.

Ketika orang Jepang memasuki Hindia Belanda, pada pemboman pertama kota Soerabaja separo rumah rusak. Keluarga ayahku harus mengungsi ke tempat lain di kota. Kakaknya yang sulung, yang ditunjuk sebagai walinya, memperoleh bukti-bukti identitas Tionghoa, sehingga keluarga itu dapat melalui perang dengan tidak terlalu banyak kesulitan. Seluruh keluarga, yang berpikir secara Indonesia, percaya ramalan Jayabaya: bahwa sesudah tiga tahun kekuasaan kuning akan kalah dan bangsa Indonesia akan merdeka. Tetapi anak emas nenekku telah kehilangan ayahnya pada usia yang terlalu muda dan mengidolakan ayahnya, Willem yang ‘asli Eropa’ dengan paspor Belandanya. Sudah tiga tahun ayahnya meninggal, ia sendiri berumur 17 tahun dan ia bukan orang Tionghoa bukan orang Indo bukan orang Belanda. Ia dipenuhi kebencian terhadap orang Jepang dan masih lama memendam duka atas kehilangan dua belas jambangan Cina besar pada waktu pemboman.

Apa lagi yang dilakukan nenekku di masa perang kecuali membaca Alkitab? Ia memperoleh penghasilan dengan membuat kecap di halaman belakang rumah. Semasa pendudukan Jepang putri kembarnya bekerja sebagai pelayan di suatu tempat yang juga didatangi perwira-perwira Jepang. Mereka membawa pulang uang dan ketika ayahku memprotesnya, ibunya berkata: ‘Diam kau. Kita harus makan.’ Ketika ayahku sebagai pemuda berusia dua puluh tahun pulang dengan gajinya sebagai serdadu dan mau memberinya kepada ibunya, ia berkata: ‘Aku tidak mau menerimanya. Ada darah melekat pada uang itu.’

Aku mendengar cerita itu berpuluh-puluh kali dari ibuku, seorang sahabat pena Belanda ayahku, yang diperkenalkan kepadanya oleh seorang serdadu Belanda dari Selatan Negeri Belanda.

Orang Jepang menyerah dan tentara Belanda berusaha menguasai Hindia kembali dengan apa yang mereka namakan Aksi Polisionil. Orang Indonesia tidak mau dikuasai lagi, mereka mengangkat senjata dan kekacauan terjadi di Hindia, yang kemudian menjadi Indonesia. Ayahku memilih pihak Belanda – bukankah almarhum ayahnya yang tidak mau mengakuinya juga orang Belanda – dan ikut Aksi Polisionil Pertama. Ia menghantam ranjau darat dan harus tinggal di tangsi pada Aksi Polisionil Kedua.

Aku tahu itu semua dari memoarnya, yang pernah ditulisnya atas permintaanku. Satu hari ia pulang cuti. Menurut ceritanya ia sedang memakai seragamnya dan membawa senapan. Aku tidak tahu apakah itu bisa, sebab bila seorang tentara cuti, ia harus meninggalkan senjatanya di tangsi. Ia mendengar seorang bayi menangis, menengok di kamar belakang dan melihat anak kecil dengan raut muka Jepang. Ia mengangkat senapannya, mengisinya dengan peluru dan membidikkannya ke sang bocah. Para pembantu berteriak-teriak dan mohon ampun. Ia pergi, sangat terhina karena kakak perempuannya telah melahirkan anak dari seorang perwira Jepang, seorang musuh.

Ke mana ia pergi, di mana ia biasanya berada? Di tangsi? Menurut memoarnya ia sering keluyuran di kota, di mana kelompok-kelompok kecil mulai saling menyerang. Ia tidak menulis bahwa dan bagaimana dalam masa yang kacau itu pacar kakaknya, seorang perwira Jepang, dibunuh pada suatu malam di kota.

Kelak di Negeri Belanda, ketika kami duduk mengelilingi pemanas batu bara dan mendengarkan kisah-kisah perangnya yang setiap malam diceritakannya, ia menyebut kakaknya Lea seorang kolaborator, perempuan penghibur, pelacur Jepang. Sebagai anak kecil sia-sia aku mencoba memahami apa yang dimaksudnya. Dan bertahun-tahun kemudian aku mulai bertukar surat dengan dia, Tante Lea. Aku menjadi salah satu dari Indo Generasi Kedua yang membuat perjalanan mencari akar diriku ke Indonesia. Di samping itu seorang penulis harus mempunyai kerangka untuk cerita-ceritanya, sebanyak mungkin suara mengenai hal yang sama, dari sudut pandang yang berbeda-beda.

Selama lima minggu aku tinggal di rumah Tante Lea, yang paling dekat dengan nenekku karena ia merawatnya praktis sampai akhir hidupnya. Sekarang ia tinggal dalam rumah baru di sebuah jalan di daerah dekat Stasiun Gubeng di Surabaya. Tante Lea tinggal di situ dengan putrinya yang setengah Jepang, yang dinamakannya Josta, mirip nama ayahnya, perwira Jepang Josida.

Josta mempunya tiga orang anak dari pria Cina, seorang pemborong bangunan yang bekerja keras yang datang beberapa kali dalam seminggu dan kadang-kadang menginap. Istrinya yang pertama tinggal di tempat lain di kota. Sama seperti nenek kami, Josta juga seorang gundik, wanita piaraan, meski dalam semacam varian Cina-Buddha.

Anak laki-laki Josta, Joshi, mempunyai satu angan-angan: mengunjungi Jepang, negara kakeknya yang tidak dikenalnya. Wanita cantik idealnya adalah wanita Jepang. Sebuah kalender dengan model-model Jepang tergantung di atas tempat tidurnya. Anak perempuan Josta, Linda, suka hal-hal yang Cina dan pacarnya seorang pemuda Tionghoa. Setiap malam sepulang dari pekerjaannya ia ramai bercerita mengenai apa yang dialami, yang akan dikerjakan, yang disukai dan yang tidak disukainya. Orang mengatakan ia mirip nenekku, Sie Swan Nio. Tapi Linda banyak ketawa, dan ayahku mengatakan bahwa ibunya jarang tertawa. Putri bungsu saudaraku Josta bernama Ervina.

Kalau ketiga nama disimak dalam urutan usianya, bedanya tampak: Joshi, Linda, Ervina. Yang pertama membawa jejak-jejak kakeknya yang tidak dikenalnya dalam namanya. Yang kedua nama yang bagus untuk seorang gadis Tionghoa modern. Yang ketiga bunyinya Indonesia.

Aku tidak merasa nyaman di jalan-jalan di Indonesia. Tapi aku senang di teras depan rumah bibiku. Mungkin karena serambi depan mengingatkan aku pada cerita-cerita ayahku mengenai Hindia Belanda. Aku duduk di situ sepanjang malam dan berjam-jam melihat cecak-cecak di dinding. Kadal tembok ini di tahun enam puluhan selalu tergantung dalam bahan kuningan di dinding rumah orang Indo di Belanda, sekarang mungkin masih begitu di rumah orang-orang Indo tua.

Tante Lea sering berada di dapur, di mana ia setiap hari mendengarkan wayang di radio dan mengerjakan tugas-tugas rumah tangga ringan. Malam hari ia mengunjungi aku di teras depan, berdiri di belakangku dan selalu menyapaku dengan pijatan tangannya pada bahuku, leherku, yang kaku Belanda, dalam penantian tegang akan cerita-ceritanya.

Aku harus menunggu berhari-berhari, berminggu-minggu, cerita mengenai Josida, perwira Jepang, yang begitu dibenci oleh ayahku. Cerita itu sampai kepadaku dalam dua versi. Pertama-tama dalam versi saudaraku Josta, kemudian dalam versi bibiku Lea.

Josta berkisah, sambil mengepel lantai, bagaimana ayahnya yang tak dikenalnya pada suatu malam membeli rokok. Jepang telah menyerah dan serdadu-serdadu Jepang menunggu pemulangan ke negeri mereka. Waktu itu masa ‘Bersiap’: beberapa orang Jepang bertempur, bersama-sama dengan orang Indonesia melawan Belanda, yang lainnya bersembunyi di gudang-gudang pelabuhan atau di rumah-rumah yang pernah mereka sita ketika menduduki Hindia Belanda. Ada juga yang bersembunyi di rumah pacarnya, seperti Josida.

Kebanyakan orang Indonesia tidak mengganggu orang Jepang, tapi ada juga desperado berkeliaran, orang nekat, termasuk orang Indo yang masih ingin menyelesaikan urusan dengan bekas musuh mereka. Ya, seperti ayahku. Orang Jepang yang malam hari masih berkeliaran di jalan sendirian benar-benar tolol. Karena itu Josida tidak pergi sendirian, tapi ditemani saudaranya, juga seorang perwira. Tante Lea menantinya, tapi tidak melihatnya kembali. Ia pergi mencari dan mendengar bahwa ada orang yang kedapatan mati di pasar. Wajahnya rusak, pada waktu identifikasi dia hampir tidak bisa dikenali kembali. Dia saudara Josida.

Dan Josida sendiri?

Ja, lari tentunya. Dia tidak berani kembali, toh. Mama masih mencoba mencarinya, sampai jauh sesudah perang. Sampai di Tokio, kamu tahu jauhnya seperti apa, lewat perantaraan orang-orang lain. Tapi ia tidak pernah lagi mendengar kabarnya. Kasian ibuku, ya.

Berhari-hari kemudian, di serambi depan, sebelum aku pulang ke Belanda, bibiku Lea menemaniku duduk. Ia tidak menyapaku dengan jari-jarinya yang memijat, ia ingin bercerita sesuatu. Tanpa berkata-kata ia memandang ke depan, ke jalan yang gelap dan sepi. Ia meletakkan tangan-tangannya yang tua di pangkuannya, dan ia bercerita bahwa pada suatu malam Josida pergi membeli rokok. Di luar berbahaya, jadi ia ditemani saudaranya. Itu terakhir kali ia melihat Josida yang dikasihinya, karena mereka tidak kembali. Berdua mereka mati di pasar, wajah mereka dirusak dengan senjata tajam.

Berdua?

Ya, berdua. Sesudah Josida bibimu tidak pernah mempunyai laki lain. Tapi aku punya Josta, dan Josida terus hidup di dalamnya, jadi ia selalu berada di dekatku. Linda mirip omamu, kamu tahu ia ingin pergi ke Cina. Dan Joshi, dia rupanya mirip sekali dengan kakeknya, karena itu ia memimpikan gadis Jepang dan negeri Jepang.

Tapi Josta mengatakan hanya saudaranya Josida yang ditemukan mati.

Ya, aku tidak menceritakan semuanya padanya. Kasian toh dia. Tapi sekarang dia tidur, jadi aku sekarang bisa cerita padamu. Kau bisa punya suami yang tidak selalu di rumah, atau kekasih yang meninggalkanmu. Tapi siapa yang mau punya ayah tanpa wajah.

* * *

Alih bahasa: Widjajanti Dharmowijono

Hak cipta © 2001 pada Alfred Birney
Dimuat dalam kumpulan cerita dan esai mengenai Hindia Belanda Vertrouwd en vreemd, Ontmoetingen tussen Nederland, Indië en Indonesië.
Disunting oleh Esther Captain, Marieke Hellevoort, Marian van der Klein.
Terbitan Uitgeverij Verloren, Hilversum, Negeri Belanda, 2000.
Terjemahan di atas dimuat di majalah mingguan Femina no. 33, 16-22 Agustus 2001, Jakarta
Reproduksi dalam bentuk apa pun dilarang kecuali dengan izin tertulis dari pengarang.

Nooit meer afscheid nemen

f van den bosch De flaptekst van de vierde en laatste verhalenbundel van F. van den Bosch vermeldt dat de schrijver in Amsterdam woont. Deze op zich tamelijk onbeduidende informatie toonde wat wrang toen de bundel met de poëtische titel Aan de oever van ooit en nooit meer, verscheen. Want de schrijver was inmiddels van ons heengegaan.
     
Waar hij inmiddels uithangt, dat mogen de goden weten, maar je zou wensen dat hij in de tijdeloosheid nu en dan een uitstapje kan maken naar de geliefde plekken die hij in zijn literaire werk heeft vastgelegd. Uiteraard met de mensen die hem vroeg of laat ontvielen en van wie hij de rest van zijn leven op papier bezig is geweest afscheid te nemen. Wat is Indië, wat is Indonesië immers zonder de mensen die er leefden?
     
Het doet het er weinig toe hoe het land heet dat F. van den Bosch als jochie van vier met zijn warmte ontving en, na diens repatriëring, nooit werkelijk heeft laten gaan. Zijn schrijftafel stond in Amsterdam, zijn hart lag in Indië, zijn voeten wandelden rond in Lapland en in zijn portefeuille zat altijd wel een retourticket Amsterdam – Malmö. Daar, in Malmö, woonde tante Sonja, met haar Zweedse petjoh vol ‘suedismen’. Haar man was ooit compagnon van mijn grootvader Willem Birnie. Het schalkse tweetal had ergens een baggermolen op Borneo liggen, maar liet de wereld geloven dat zij een goudmijn hadden ontdekt.
     
De schrijver heeft ze niet los kunnen of willen laten, zij die optreden in zijn verhalen. Op een zacht kabbelend en ingenieus krontjongritme componeerde hij een literair kwartet waar weinig Nederlandstalige schrijvers aan kunnen tippen. De verhalen van F. van den Bosch zijn stuk voor stuk herleesbaar, ad infinitum. Ze vullen elkaar aan, de stijl is superieur, de toon berustend, de vertellingen fragmentarisch en mysterieus. Uitgeverij Querido, kieskeurig maar degelijk in het uitgeven van verzamelde werken van Indische schrijvers, kan op die boekenplank straks F. van Bosch neerzetten naast de namen van Vincent Mahieu, Maria Dermoût en Beb Vuyk.

Aan de oever van ooit en nooit meer lijkt een afscheid van F. van den Bosch aan ons lezers. Hier en daar licht hij een tipje op achter de sluiers die zijn verhaalfiguren uit eerder werk omhullen. In de vorige bundel was de schrijver zichzelf al minder gaan vermommen. Hij heette voortaan gewoon Frits. Ook zijn levensgezellin komt nu even voorbij: Thérèse, met wie hij halsoverkop een reis door Indonesië moet onderbreken om afscheid van haar stervende moeder te nemen in Nederland. Te laat. Natuurlijk. F. van den Bosch was altijd te laat om afscheid te kunnen nemen, zo was zijn leven en daarom schreef hij.
     
Niemand speelt een hoofddrol in zijn werk. Ook hijzelf niet. Waar gaat zijn werk dan over? Eenvoudig, en wijs, over de liefde voor de mens, onverschillig zijn of haar afkomst, rol of plaats in het leven. Dat daarmee Indië tot een literair decor wordt beperkt, zal nauwelijks teleurstelling wekken bij hen die Aan de oever van ooit en nooit meer zullen lezen. We zien het land immers tot leven komen zo breed als de schrijver het nog niet eerder heeft getoond. Wat dat betreft is het titelverhaal wellicht zijn briljantste, nóg knapper dan zijn op wereldniveau staande verhaal Het regenhuis, omdat het zo’n enorme tijdspanne suggereert en de fantasie het wint van de feiten. Het is zijn laatste gedrukte verhaal en ja, het vereist kennis van de Indische geschiedenis om het helemaal te begrijpen. Wie van de bekendste recensenten heeft die bagage? Ik zie er geen rondlopen binnen de Amsterdamse Grachtengordel, anders zou de Indische literatuur allang niet meer dat ondergeschoven kindje zijn zoals het tot de dag van vandaag is.
     
Neem Menteng, 1928, de beroemde wijk in Batavia, nu Jakarta. Vader van den Bosch goochelt wat met kalium en laat er de Ciliwung mee kolken. Intussen vertelt hij zijn zoontje over hoe een Engelse generaal in de periode van het Engelse tussenbewind (1811-1816) na zijn het bevel ‘lopen!’ zijn Javaanse fuseliers op de vlucht ziet slaan in plaats van ze het onverdedigde Kwitang binnen te zien wandelen.
     
In een ander verhaal duikt een figuur op die we kennen uit een eerder verhalenbundel. Het is Tikoes, bijnaam voor Ted. De verteller herinnert zich de jongen tijdens een voettocht door Lapland en begint nu, vele jaren later, opeens te grienen. Maar wie was Tikoes?
     
Met terugwerkende kracht komt hij nu uiteindelijk tot leven. Surabaya, 1930. Tikoes’ ooms zijn ‘autochtoon’ en werken in de cultures. Tikoes en de verteller stropen als jongetjes de alang-alangvelden af, ze slaan slangen dood en Tikoes vertelt verhalen over de panters, die hij heeft van zijn ooms ‘in hun behoefte een orale traditie voort te zetten’. De jongetjes vangen visjes uit een vieze sloot, Tikoes fruit ze in een oud blik en ze eten ze als ikan teri. Het is een van die schelmenverhalen die de schrijver met jongensachtig plezier tussen de overige zet. Dan kan hij even vergeten dat hij ze is kwijtgeraakt, de vriendjes en vriendinnetjes uit zijn jeugd. Want Tikoes heeft de oorlog niet overleefd en is ‘in een klein vuil interneringskamp op de kust van Borneo gekrepeerd, alleen, weggekropen achter een gescheurde klambu in een hoek van de tochtige barak’.
     
In een volgend schelmenverhaal horen we een Duits jongetje op de boot met verlofgangers naar Europa zeggen: ‘Wir kehren heim ins Reich.’ Wanneer ze in Genua van boord gaan, zegt Frits: “Heil, Mutti!’ Waarop ze begint te huilen. Oeps, een misser. Ja, Dieter had hem een hand gegeven en gezegd: ‘Heil Fritz!’ Wist híj veel op die leeftijd…

Wanneer Frits en zijn broertje een lift hebben gekregen van een stel dronken Japanse soldaten, die na de capitulering van Japan de gevangenen moeten gaan verdedigen die zij eerder hadden geïnterneerd – een van de meest bizarre hoofdstukken uit de Indische geschiedenis – krijgen we vader Van den Bosch te zien in zijn barak. De man is sterk vermagerd maar nog fit genoeg om met een maat over het boeddhisme te delibereren. En vader vertelt ook hoe een Japanse soldaat zich met zijn bajonet uitleefde door hem steeds met kracht te prikken tussen de benen van hem en zijn makkers in de houten bank waarop zij zaten. De mannen bleven, van schrik, rustig onder het vertoon van de soldaat. Diep onder de indruk salueerde deze vervolgens voor de mannen en hief uit eerbetoon een Nederlands liedje aan: ‘Arinne roen-roen korre-korre-ran’, ofwel: ‘Al in een groen groen knollen-knollenland…’ Waarmee de schrijver ook van de Japanse soldaat, die immers vóór zijn mobilisatie verplicht Nederlands had moeten leren, een mens maakt, en niet een of ander cliché zoals veel Indo’s van de Tweede Generatie die uitentreuren voorgeschoteld hebben gekregen in hun jeugd.
     
Aan de oever van ooit en nooit meer biedt ons meer leesvoer dan tevoren in de onderlinge bundels. De oorlog bezien vanuit het perspectief van een Indonesiër die later in Leiden zou gaan studeren en ongewild zijn kameraden verraadde omdat hij niet kon kiezen vóór of tegen de Republiek. Over wayangtoneel anno heden, waarin de antieke orde dreigt te worden aangetast door de nieuwe waarden uit het hedendaagse ‘vrije’ Indonesia.
     
Ouderlijke figuren nemen geen intiemere plaats in bij de verteller dan zijn Indische en Indonesische vrienden en vriendinnen. Vader figureerde niet in eerder werk en moeder lijkt overwegend ongenaakbaar. In een eerdere bundel zwemt zij in haar jonge jaren de marinehaven van Den Helder door, klimt tegen haar vaders duikboten op en laat zo adelborsten en matrozen tot achter de oren blozen. Nu geeft de schrijver een aanvullend beeld van haar, namelijk als schaker van wie het moeilijk winnen is.
     
De verteller is met grote vakantie op Soember Brantas. Tegen donker worden Petromax-lampen aangestoken. In de nanacht wordt de Arjuna-top beklommen: ‘Dan opende zich de duisternis onverwachts naar boven en keek de sterrenhemel verblindend helder op je neer […] en dan wist je op eenmaal waar je was: hier, in je huid, hier op aarde, hier in de hemel, die een mens zich niet nader en niet onmetelijker wensen kon’.
     
Geen gelukkig moment zonder keerzijde. De verteller heeft een boekje waaruit blijkt dat het schaakspel van zijn moeder hopeloos verouderd is. Op een losgescheurde bladzijde staat een schaakprobleem dat hem bezighoudt. De wind steekt op en neemt het blaadje mee. De jongen rent erachteraan en ziet dat het blaadje het ravijn in dwarrelt en diep beneden mee wordt genomen door de rivier de Brantas.
     
Jaren later tikt hij het schaakboekje op de kop bij een antikwaar in Nederland. Toch vindt hij die ene stelling niet, die hem toen zo had beziggehouden. Het gaat om ‘een loper op c4, een paard op e5 en een tartende zwarte dame die ik niet mag nemen, stond ze op g6? Heb ik het dan gedroomd? Heb ik het verzonnen? Ach, wat doet het er toe. Van dit aards bestaan blijft immers niets over, en niets ervan neem je mee in je graf.’
     
Maar jij, Frits van den Bosch, hebt wél een gevoelig zingend oeuvre nagelaten voor ons, stervelingen op aarde.

* * *

F. van den Bosch
Aan de oever van ooit en nooit meer
Verhalen
Amsterdam: uitgeverij Querido, 2001
Prijs: fl. 35,-

Deze bespreking verscheen eerder in De Sobat, nieuwsbrief voor donateurs van de Stichting Tong Tong, op 29 september 2001.

Nieuwe Indo’s in Depok, kikkers en leguanen

In verband met een ophanden zijnde excursie wordt de laatste conferentiedag geopend met een lezing over VOC-grafzerken in Jakarta. De Kepala Program Studi, het Indonesische studiehoofd die de lezing verzorgt, spreekt zoals ik dat vroeger aardige oudere Indo’s hoorde doen: zachtjes, met veel ja’s ertussen. Ik luister niet naar wat hij zegt, ik hoor alleen de muziek van zijn Nederlands.
     
Een heel ander geluid komt van een meneer die al 30 jaar in Londen woont. Een rijzige man, die zijn Nederlands op een Britse manier ten gehore brengt: met de handen uiteen op de katheder, de schouders naar achteren, spreekt hij monter de zaal toe. Geen lezing, nee, hij komt gewoon 20 minuten reclame maken voor de Britisch Library. Laat een ordner de zaal rondgaan met een overzicht van boeken, manuscripten en particuliere handschriften, die alle gaan over het Nederlands-Indonesisch conflict, dat dus nog altijd geen oorlog genoemd wordt.
     
De man, Jacob Harskamp, beweert dat zijn afdeling van de deftige bibliotheek nú al kan wedijveren met de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en dat naar zijn verwachting de collectie van de Britisch Library die van de KB in de toekomst waarschijnlijk zelfs zal overtreffen! Komt u dus allen naar Londen wanneer u zich stort op die dramatische periode die leidde tot de onafhankelijkheid van Indonesië en het deficit van Nederland als wereldnatie.
     
Even testen in de koffiepauze: ‘Meneer Harskamp, mijn naam is Alfred Birney, en ik heb twee boeken geschreven die bij u op de plank thuishoren. Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis. Geeft u mij uw kaartje, dan laat ik ze u toesturen.’
     
‘Hoeft niet, die hebben we al. Maar eh… gesigneerde exemplaren voor in mijn privé-boekenkast zijn natuurlijk altijd welkom,’ zegt de Amsterdamse Londenaar breeduit grijnzend.

Tijd voor woede. Iemand genaamd Jugiarie Soegiarto, voor wie alle studenten een beetje bang schijnen te zijn, komt haar gal spuwen over het medium film, in het bijzonder de hantering van de camera vanuit Nederlands gezichtspunt. Hoe tal van vooroordelen en stereotyperingen in oude filmbeelden worden onderstreept, eenvoudig door de keuze van de cameramensen, de hand van de regisseur en door simpele censuur. Ze noemt een hele rits filmmakers, allen Nederlanders, en daartussen zit één Indo.
     
Wanneer ik Jugiarie in de lunchpauze vraag of de filmbeelden van die ene Indo misschien afweken van die van zijn totokcollega’s, krijg ik een ontwijkend antwoord. Misschien omdat ze mijn vraag niet positief kan bevestigen en zij tenslotte tegen een Indo-Belanda zit te praten.
     
‘Over Indo’s gesproken,’ zegt Jugiarie. ‘Weet je dat hier in Depok een hele wijk vol zit met mensen die zich Indo noemen? Terwijl er helemaal geen Indo tussen zit! Ze geven hun kinderen Hollandse voornamen zonder dat ze Nederlandse voorouders in de familie hebben. Dat doen ze alleen omdat ze in Depok wonen! Je weet: Depok was vroeger een Hollandse kolonie, waar veel Indo’s zaten. Nou, die lui die daar tegenwoordig wonen die noemen zich alleen daarom al Indo, terwijl ze net zo donker zijn als ik!’
     
‘Ik ben ook zo donker als jij.’
     
‘Ja, maar jij komt uit Nederland, jij hebt een Nederlandse moeder.’
     
‘Dus de kleur telt niet.’
     
‘Hier in Indonesië wel. Kijk maar naar de televisie. Acteurs, in films, in televisiereclames, presentatoren – het zijn allemaal Indo’s. Ze zijn allemaal licht van huidskleur.’
     
‘Is dat voldoende om Indo te zijn tegenwoordig?’
     
‘Wij noemen dat Indo. Het heeft feitelijk niets meer te maken met afkomst. Maar ze voelen zich wél meer dan de Indonesiër.’
     
‘Net als vroeger dus?’
     
‘Ja, net als vroeger. Ze gedragen zich net als Indo’s in de koloniale tijd. Je moet die meisjes uit die wijk horen in de bus. Zitten altijd bij elkaar en ze gooien expres Nederlandse woorden door hun Indonesisch, om te laten zien dat zij ánders zijn dan wij.’
     
‘Een soort omgekeerd petjôh dus?’
     
‘Zo zou je het kunnen noemen. Zoals jullie nu en dan wat Maleis door jullie Nederlands doen, zo doen zij nu en dan wat Nederlands door hun Bahasa.’
     
‘Maar aan wie spiegelen zij zich dan?’
     
‘Aan de Indo van vroeger. Ze hebben hier hun eigen kerk. Ze gaan bij elkaar op bezoek. Ze proberen iets in stand te houden dat er niet meer is.’
     
‘Een subcultuur in stand houden. Is dat erg?’
     
‘Het is aanstellerij.’

kampus depok indonesia

Het hoofd Culturele Zaken van de ambassade geeft die avond, wanneer de conferentie ten einde is, een cocktail buffet bij haar thuis in de wijk Kemang. Op de uitnodiging staat mijn achternaam in de oude spelling geschreven: Birnie. Misschien heeft het hoofd Culturele Zaken dat opzettelijk gedaan omdat ik haar naam op de dinnerparty ten huize van de ambassadeur even was vergeten. Of omdat ze onnadenkend vasthoudt aan de originele familienaam. Ik zelf schrijf namen niet zo snel fout, ben weer reuzegoed in het vergeten van namen, maar niet van gezichten, personen, wat zij zeggen, doen. En daarom schrijf ik, dames en heren.
     
Het eten dat de gastvrouw laat serveren is Europees. Dat is weer eens wat anders dan dat eentonige Indonesische eten in het hotel, al is het behoorlijk van kwaliteit. Onze gastvrouw heeft pasta laten maken, salades, en er ligt brood. De Indonesische bedienden zijn onzichtbaar, net als in de ambassadeurswoning en net als in het leeuwendeel van de koloniale letteren.
Ik raak in gesprek met Olf P., niet over zijn lezing maar over de Birnies in verband met zijn proefschrift over Busken Huet. Ik begin zijn droge humor te leren kennen.
     
Hij vraagt me of ik al op het Ijen Plateau ben geweest, dat door de oudste broer van mijn grootvader in cultuur is gebracht, en ik zeg nee. Hij legt me uit hoe je er het beste heen naar toe kunt gaan, waar je kunt slapen in een oud koloniaal hotel eer je omhooggaat enzovoort. Hij heeft de plek bezocht, met vrouw en kinderen.
     
Er komt iemand aanwaaien wiens houding lichtelijk anders is dan die van de overige gasten, die over het algemeen enige eruditie uitstralen. Ik raak met de jongeman in gesprek en hij blijkt een restaurateur te zijn. Hij is net aangekomen, heeft heerlijk geslapen in het vliegtuig omdat hij voor het eerst sinds een half jaar een nacht had zonder een baby aan zijn zijde. Hij is gekomen om onderzoek te plegen naar de toestand van allerlei cultureel erfgoed in diverse musea in Indonesië. Hij glundert wanneer hij zegt dat hij, en hij alleen, alles mag aanraken dat achter vitrines ligt: batik, wajangpoppen, beelden, noem maar op.
     
Ik loop met hem de tuin in om het zwembad van de gastvrouw te bewonderen. Het bad is omgeven met een schitterende flora, bijna surrealistisch zo midden in de helse stad Jakarta. Er zwemt een kikker in.
     
Op het gazon, ergens in een rustige hoek, zit de secretaris van de ambassadeur met enkele vrienden. Ik stel de restaurateur aan hem voor, want ik moet ertussenuit kunnen knijpen. Gerard T. is nog altijd ziek, hij zal goed moeten slapen omdat ons morgen een excursie wacht naar twee van de 1000 eilanden voor de kust van Jakarta. Onder het mom ‘samen uit, samen thuis’ blijf ik stand-by voor als hij een taxi laat komen.
     
De secretaris zegt dat hij nog geen kikker in zijn zwembad heeft gehad. Dat het waarschijnlijk geen kikker is geweest die ik zag, maar een pad. Hij vertelt dat hij ook nog nooit een tokèh heeft gehoord. Wel heeft zijn vrouw bij het weghalen van ongerechtigheden in haar gazon bijna eens per ongeluk de staart van een leguaan afgeknipt. Het beest joeg haar de stuipen op het lijf, maar inmiddels zijn ze nu wel gewend aan leguanen in de tuin.
     
‘We hebben allemaal een zwembad in de tuin,’ zegt de secretaris. ‘Anders is het hier niet uit te houden in Jakarta.’
     
Kan ik me voorstellen, al klinkt het oneerlijk. Hoe houden die miljoenen arme mensen het uit in hun minuscule krotten langs de autowegen? Kunnen die armelui houden van mensen die het hier in hun stadsvilla’s zo goed hebben? Er liggen evacuatieplannen klaar, voor als er weer ernstige rellen uitbreken en de volkswoede zich richt op blanken en Chinezen.
     
De secretaris maakt zich zorgen. Aanstonds zal een grote mate van zelfbestuur worden ingevoerd in Indonesië. Hij is bang dat allerlei patsers dictatortje zullen gaan spelen in hun ‘eigen gebiedjes’. Hij zegt het zonder dédain, hij meent het.
     
Elke discussie die je aangaat naar aanleiding van dit soort toestanden leidt tot het uitroepen van de democratie als ideale staatsvorm. De democratie is wellicht de intelligentste staatsvorm die er bestaat. Ook in een democratie heerst macht, een sterkere dan in welke dictatuur dan ook. Het is een geleide macht die zichzelf reproduceert zonder dat de machthebbers daar erg in hebben. Men vermoordt anderen zonder er weet van te hebben.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Achter de katheder en op het balkon

gerard termorshuizen Ik heb geen tijd had gehad om te eten van het buffet tijdens de dinnerparty in de ambassadeurswoning en ga in de nacht een paar keer naar beneden om in de cafetaria van het hotel lumper en ijsthee te halen. Slapen gaat met tussenpozen, ik word gepest door een paar muggen, die ik pas te pakken heb tegen de ochtend, wanneer de imam aan de overkant alweer begint te zingen, samen met de schorre hanen. Omdat ik de vorige nacht geen oog dicht heb gedaan, slaap ik uit vandaag. Als gastspreker kan ik kan me wel een spijbelochtend wel veroorloven, denk ik. Tegen de tijd dat Widjajanti achter de katheder plaatsneemt, lig ik in bad, met spijt dat ik haar lezing over Het beeld van Chinezen in de koloniale literatuur nu zal missen.
     
Ik arriveer rond de lunchpauze. De middag is warm, de airco koud. De vrouw van de ambassadeur, bewonderaar van Michiel van Kempen, geeft naar aanleiding van een langdurig verblijf in Suriname een lezing over Surinaamse literatuur. Een Indonesische vrouw begint haar lezing in het Nederlands en gaat dan in het Engels over, ze is niet te verstaan.

Gerard Termorshuizen verrast me met een nadrukkelijk Indo-perspectief in zijn lezing Persstemmen uit een koloniaal verleden. Hij vertelt dat het de pers is geweest die aan het begin staat van de Indo-europese emancipatiebeweging. Klinkt me niet vreemd in de oren. Net zoals de stelling dat de Indische pers een essentiële rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling en de bloei van de koloniale letterkunde. Klinkt me ook niet vreemd in de oren, maar wetenschappers moeten de dingen aantonen, dat vergeet ik weleens.

     
Hoewel het nog een jaar zal duren, kondigt Gerard T. alvast zijn nieuwe boek aan. Ik schiet in de lach wanneer hij zegt dat het liefst 900 bladzijden zal beslaan. En dat is dan nog maar deel 1!

Wetenschappers schrijven graag dikke boeken. Staat wetenschappelijk. Gerard T.’s nieuwe studie zal in elk geval nóg dikker zijn dat het in Nederlandse vertaling luidende Paradijzen van weleer van E.M. Beekman, dat op het ogenblik voor 30 procent van de normale verkoopprijs door Uitgeverij Prometheus op de ramsjtafel wordt gekwakt. En dat al twee jaar na verschijning…
     
Troost voor de wetenschapper is, dat hij of zij wordt betaald door universiteit of instituut, tegenover de schrijver die maar moet zien waar de centen te halen.

Na de theepauze moeten Olf Praamstra en ik op. Daarna zal de speelfilm Soekarno Blues worden gedraaid. Geen geslaagde film, maar ik heb het nog altijd liever dan Max Havelaar of Oeroeg.
     
Olf P. heeft een off day. Zijn lezing over Mina Krüseman, een feministe in Indië, gaat volledig de mist in. Er is geen touw aan vast te knopen, het is zelfs maar de vraag of iedereen wel weet over wie hij het heeft. Gerard T. zal zich later verbazen over het optreden van zijn collega, die toch uiterst ervaren is. Volgens hem werd Olf P. bijkans onbegrijpelijk doordat hij te veel van zijn tekst afweek. Volgens mij omdat hij de fles water naast zich op de katheder niet zag staan.
     
De studenten die naast het podium de tijd in de gaten moeten houden, werken hem duidelijk op de zenuwen met hun nerveus aangereikte briefjes waarop staat dat u nog vijf minuten heeft, dan wel dat uw tijd om is.
     
Omdat ik direct na Olf P. op moet en mijn tijd zie verstrijken, gaat de gezonde spanning voor mijn opkomst over in nervositeit. Die Olf Praamstra zit mij dus niet alleen theoretisch maar ook nog eens praktisch dwars. Staat tegenover dat dankzij zijn studie over Conrad Busken Huet mijn oude tante Elisabeth Birnie-Birnie op het idee kwam om het relaas van het Birnie plantersimperium in kaart te brengen. Waarop weer filmmakers op haar en mij afkwamen, waarna de verkoop van mijn boeken verdubbelde enzovoort.

Ik bedenk een truc om de spanning te doorbreken wanneer ik eindelijk achter de katheder sta. Ik begin met de toehoorders de groeten over te brengen van Bert Paasman, docent aan de UVA, waar ik eens een gastcollege gaf. En om te laten zien aan wie ik dan wel niet de groeten over heb gebracht, zeg ik, zal ik u op de foto moeten nemen.
     
Ik haal mijn klikklaktoestelletje uit mijn colbertzak en fotografeer de zaal in drie bedrijven, voor de afwezige. Men lacht. Ziezo. Ik kan gaan beginnen met mijn Indische bladzijde.

Die avond regent het. Banjir. Gerard T., Widja en ik laten een of ander evenement in de stad maar voor wat het is. We eten gezamenlijk in het restaurant van het hotel met de docenten Nederlands uit Maleisië en Australië. Ik ga naar mijn kamer, zit urenlang op mijn balkon en kijk naar de regen. Als je het mij vraagt, dan is dat misschien mijn liefste bezigheid: op een balkon voor je uit zitten dromen. Deden ze in Indië ook, maar dan op voor- of achtergalerij. Vast en zeker erfelijk meegekregen.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Conferentiegangers

Ik word wakker met het idee dat ik op maandagochtend zes uur Nederlandse tijd van huis ben weggegaan. Het is nu dinsdagavond zeven uur Indonesische tijd, in Nederland loopt de zomertijd nog, geen idee hoelang ik wakker ben geweest.

     
Enfin, ik heb een paar uur bijgeslapen, heb honger, verlaat mijn hotelkamer, ga de trappen af want de lift is zo klein als een doodskist. Ik loop de gang door naar het restaurant en zie door de ramen een man met een mij bekend voorkomende kop in zijn eentje aan een tafeltje zitten eten.
     
Dat moet één van die Boekhouders van de Indische Letteren zijn.
     
Ik zwaai hem toe, nogal schijnheilig want Cyberney is zijn vriendje niet. Evenwel, zo ver weg van patria ben je blij als je alvast één conferentieganger aantreft, al is dat dan een boekhouder van de Indische Letteren. Bovendien eet ik niet graag alleen in een restaurant.
     
De man, grijs en bebaard, kijkt me nogal verdwaasd om niet te zeggen idioot aan, denkt: wie is die gozer die daar zo naar me loopt te grijnzen?
     
Die gozer stelt zich voor als zijnde Alfred Birney, ook wel gespeld Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, MacBirnie, McBirnie, MacBerney en ga zo maar door; mijn alias is Cyberney, van Sie Birney en Cyber Ney, of van Sie, zich noemende ‘Birnie’, in reversie Birnie, zich noemende ‘Sie’ – het is wat met die namen bij die Indo’s, niet?, nou dag, hoe maak je het, wij hebben elkaar al eens gezien tijdens die middag in Leiden.
     
‘Ach ja, wij hebben ons toen aan elkaar voorgesteld!’
     
‘Nou nee, dat ook weer niet precies, we hebben elkaar zo’n beetje aangekeken, zo was het.’
     
‘Hoe dan ook! Zeg, kom erbij zitten, pak een bord, schep op wat je wilt, je kunt hier eten zoveel je wilt, de keuken is voortreffelijk, echt, ik was hier al eerder, mijn vriend Olf Praamstra zit ergens in een luxe hotel in het zuiden van de stad, nou ik zit liever gewoon in een gewoon hotel weetjewel, lekker middenin de stad, hier in Menteng is het zo schitterend, ja ik ben al een paar dagen eerder aangekomen, Olf en ik hebben een auto gehuurd en hebben twee dagen gereisd door West-Java, na een weekend in de buurt van Puncak, logeerden we ergens in Bogor, een verschrikkelijke nacht, het is de regenrijkste plek op aarde en het sterft er van de muggen, enfin, Olf kreeg een uurtje slaap, ik helemaal niks, maar mooi, erg mooi daar…’
     
De man oogt bij nader inzien jongensachtig en is verrassend dynamisch, ik verdenk hem er onmiddellijk van dat hij van mooie vrouwen houdt, wat geen schande is maar van hem helaas opeens een mens van vlees en bloed maakt, erg vervelend voor als ik hem nog eens wil gaan honen in mijn Yournael van Cyberney.
     
Wanneer ik eenmaal bij hem aanschuif met mijn bordje nasi, ikan en atjar, begint hij direct zijn cv op te ratelen, zijn publicaties te noemen, gaat dan in één adem door met allerlei wetenswaardigheden te melden over de stad, want docenten vergeten nogal eens uit hun rol te stappen.
     
Allengs ontwikkelt zich toch een dialoog en dat zal zich nog dagenlang voortzetten, overwegend aangenaam, soms kibbelend, vooral wanneer het gaat over die vermaledijde canonisatie van de Indische literatuur.

Die eerste avond maak ik na het eten een wandeling over straat, loop langs de warungs en stalletjes tot waar het luguber wordt en schimmig. De website van de ambassade, die ik bezocht voor mijn vertrek, raadt zulke avondwandelingen in je eentje af. Men ziet mij hier doorgaans gauw aan voor een Ambonees of Menadonees, wat dan ook, in elk geval iets Indonesisch – toch keer ik maar terug naar het hotel en zoek het zwembad op in de tuin achter het restaurant.
     
Het 25-meterbad is zo ondiep dat niemand erin verdrinken kan. Een klaterende kunstmatige waterval overstemt het gezoem van muggen, wat een nadeel is. Ik laat me onderuitzakken op een plastic stoeltje en adem de tropische lucht in, ik denk aan mijn vader, mijn grootmoeder, mijn overgrootvader… die heeft meer dan honderd jaar geleden hier in de buurt een huis bewoond aan het vermaarde Koningsplein. Een bezoek aan dat huis, mocht het er nog staan, interesseert me weinig. Slechts een tocht door de Oosthoek van Java, langs de plantages van mijn voorouders, is al dat mij trekt in Indonesië. Híer ben ik beroepshalve, toevallig, op uitnodiging van de ambassade. En toch denk ik aan mijn voorouders met een vreemde weemoed, terwijl een vleermuis in arabesken over het water scheert, onophoudelijk, onvermoeibaar. Ik krijg het gevoel hier voor heel lang te kunnen wonen, net als tijdens mijn verblijf twaalf jaar eerder in Surabaya, desnoods mijn hele leven, elke avond naar de rusteloze kolong kijken en wachten tot hij in duikvlucht eindelijk een insect van het water kan snoepen en ik tevreden kan gaan slapen.

Vanaf mijn bed volg ik een bokswedstrijd op de televisie, die ik met wat geknutsel aan de antenne aan de praat heb gekregen. Pencak-beoefenaren omlijsten een sigarettenreclame, het is bijna oneerbiedig. Er volgt een kung fu-film, ik val in slaap, wordt een uur later wakker gebeld door mijn tweelingbroer George, die beroepshalve in Cairo zit, ooit een tussenstation onderweg naar Nederlands-Indië.

Zijn wij in de verkeerde tijd geboren, George, of worden wij maar geplaagd door een genetisch ratjetoe aan geërfde herinneringen?

Ik slaap goed, hoor geen gebeden in de vroege ochtend. Toch pak ik mijn tas nog niet uit, ik voel me een gevangene in deze kamer met die blinde muur.
     
Op verzoek krijg ik in de middag een andere kamer toegewezen op de eerste etage aan de straatkant, zodat ik kan volstaan met twee trappen in plaats van tien, een tamelijk groot verschil in de warmte. Er staat een tweepersoonsbed in plaats van een stel eenpersoonsbedden. De doucheslang is lang genoeg om als sproeier boven de wc te gebruiken. Dat was in die andere kamer ook zo en ik vraag me af of men dat zo bewust heeft aangelegd, voor wie liever zijn kont wast dan zo’n beetje met pleepapier gaat zitten vegen.

     
Niets is perfect. De kamer heeft een smeedijzeren hek voor het balkon, waarschijnlijk tegen inbrekers. Het is er vol straatrumoer, mooi zo. Gerard T. wenst een rustige kamer, ik het tegendeel, ik wil voelen dat ik in een smerige overbevolkte stad zit, ik ben hier niet op vakantie.

Als je maar lang genoeg op je balkon zit en naar het voorbijrazende verkeer kijkt, naar de taxi’s, de bussen, de bemo’s, de bromfietsen, de straatventers met hun ingenieuze karren, de meisjes in schooluniform, de vele passanten op het trottoir, dan zie je in één uur het hele Jakartaanse leven aan je voorbijtrekken, een leven dat moordend is.
     
Het pandemonium overstemt de dagelijkse gebeden uit de moskeeën, maar dan alleen overdag, want in de vroege ochtend hoor ik het nu van de overkant komen, tweestemmig, exclusief het kraaien van schorre hanen met hun door de luchtverontreiniging aangetaste strotten.
     
Op mijn nieuwe kamer werkt de koelkast, er zijn geen mieren, ik krijg gezelschap van een jonge tjitjak die de lawaaierige airco opzoekt om er muggen te vangen. Iemand van de huishoudelijke dienst bezorgt me een dubbelstekker, zodat ik mijn laptop kan aansluiten. Maar ik zal er niet op werken, ik hanteer liever pen en papier op mijn stoel op het balkon, waar ik me als een gekooide aap verbaas over wat er dagelijks op de Jalan Teuku Cik Ditrio aan mijn oog voorbijtrekt. Ik ben geen reiziger, ik ben een toeschouwer. Zet me ergens neer en ik zie een verhaal.

Ik maak een fout voor iemand met een jetlag; ik val in de middag in slaap en zal deze hele week niet meer in mijn gewone doen raken.

Rond zeven uur tref ik Gerard T. in het restaurant. Ook andere conferentiegangers schuiven aan: een leraar Nederlands, gestationeerd in Maleisië. Een lerares Nederlands, wonend in Sydney. Een Chinees-Indonesische vrouw genaamd Widjajanti, die in Semarang het culturele leven gaande houdt.
     
Gerard T. ziet er ziek uit. Een verkoudheid opgelopen tijdens zijn uitstapje met collega Praamstra in een huurauto met airco, een soort luxe vrieswagen, wat niet gezond is als je veelvuldig uitstapt om het natuurschoon in de brandende zon te aanschouwen. Hij zal met zijn verkoudheid maar eens vroeg naar bed gaan. Ik geef hem paracetamol mee, na veel aandringen, want de man is op zijn minst eigenwijs te noemen, wat niet verbazingwekkend is voor iemand die jarenlang bezig is geweest de, overigens door mij verafschuwde, Paatje Daum een Verzameld Werk te bieden.

Er zijn zwemmers in het zwembad met de tropische tuin. De gekooide zangvogels slapen. De kolong laat zich niet zien. Het wordt eens tijd om me voor te bereiden op mijn lezingen.
     
Morgenochtend om negen uur, volgens de christelijke jaartelling op donderdag 26 oktober 2000, zal het driedaagse Symposium 30 jaar Studie Nederlands in Indonesië aan de Universitas Indonesia worden geopend. Twaalf uur later is mijn optreden in het huis van de ambassadeur gepland.

De siësta van zoëven zal me straffen, mijn jetlag gaande houden: ik blijf de hele nacht wakker liggen.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Kopi Birnie Tubruk

Mijn voorouders hadden hun familiehuis aan de Brink nr zoveel in Deventer en koesterden een haat-liefdeverhouding met de makelaars in koffie aan de Amsterdamse grachten. Geen idee waar de familie Heyn uithing rond de eeuwwisseling. In elk geval heeft Albert Heyn thans in zijn Perla-serie een koffie met smaaktype 4 onder de naam Java Gunung Blau. De koffie smaakt bijzonder, om niet te zeggen uitstekend, maar er deugt iets niet aan de informatie op de verpakking, aan de prijs en niet in de laatste plaats aan de benaming.

Albert Heyn meldt op de verpakking dat deze koffie afkomstig is van het Idjen Plateau op de uiterste oostpunt van Java. Dat klopt. En dat hun inkopers de van oudsher Hollandse plantage Gunung Blau opnieuw hebben ontdekt. Nou, dat werd dan eens tijd, maar dan moet je niet gemakshalve spreken over een Hollandse plantage. Mijn oudoom David, die het destijds onherbergzame Idjen Plateau in cultuur bracht, was namelijk geen Hollander maar een Indo, dus de plantage was Indisch, nogal een verschil met wat je Hollands noemt.

De koffie smaakt dan ook Indisch, licht gepeperd, en zijn aroma kan moeilijk ‘rond’ genoemd worden, zoals op het pak staat. Ik zou een aroma met smaaktype 4 vierkant noemen, net als de Birnies, die waren ook vierkant, kijk maar naar Carel Birnie, de oprichter van het Nederlands Dans Theater. Die man overleefde 12 gemeentebesturen eer hij zijn theater in het Haagse mocht neerpoten en dat kon hij omdat hij vierkant was. De ronding in de architectuur van het theater moet dan ook worden gezien als een tegemoetkoming aan die gemeenteambtenaren die koffie met een rond aroma drinken. Maar vierkante mensen zelf drinken vierkante koffie, meneer Albert Heyn.

De eerste uit het vierkante ondernemersgeslacht Birnie was ooit begonnen met het vervaardigen van dweilen en zeildoek. Zijn zoon liet de fabriek uitgroeien tot de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. In 1848 kreeg de fabriek het moeilijk en de directeur verzoop zich met een steen aan zijn voet in een meer, waarop de orders weer begonnen binnen te stromen. Maar zijn zoon George, mijn overgrootvader, had er geen zin in om in de voetsporen van zijn vader te treden. Met het diploma van de bestuursacademie te Delft op zak zeilde hij op 12 oktober 1852 uit met de ‘Gertrude’ voor een carrière bij het Binnenlands Bestuur op Java. Hij baalde er vast van dat hij niet ergens in de Vorstenlanden was geplaatst.

Met het onherbergzame Djember onder zijn toezicht kreeg hij als controleur op zekere dag bezoek van de resident van Besoeki. De resident zag dat er grote schade was aangericht door arbeiders, die in grote getale in de schaduw van vernielde bomen zaten en hij, de resident, beklaagde zich over die ‘zwarte apen’ bij de controleur, die deze opmerking niet bijzonder gepast vond. Die avond schreef George Birnie in zijn als ambtenaar bij te houden dagboek dat er sedert het bezoek van den resident geen apen meer in de gouvernementstuinen te zien waren.

Geinig, zo’n overgrootvader. Niet voor het bestuur, want die achtte het hoogstgewenst de controleur over te plaatsen naar een nog onherbergzamer district, met een verhoging van het traktement, dat wel. Maar nee, George Birnie zag er een verbanning in, nam ontslag en trok de planterslaarzen aan. Zeven jaar na zijn uitzeilen begon hij met het planten van tabak en tweemaal zeven jaar later was hij rijk, een gevierd man die meteen die vlieg van een Busken Huet op zijn huid kreeg. Deze om poen bedelende criticus zat namelijk chronisch omhoog zat met zijn noodlijdende krant. En hij, de rijke planter, spekte die conservatieve krant dan maar, al walgden Busken Huet en zijn vrouw van het idee dat deze George Birnie met een zogenoemde inlandse vrouw was gehuwd.

Inzet was het tegengaan van het opheffen van het Cultuurstelsel. Die strijd verloren ze, maar de eerstgeborene uit George en zijn Oost-Javaanse vrouw – David – zou wel raad weten met de nieuwe Agrarische Wet. Van vader George leerde David hoe een sigaartje te roken met lui bij wie landbouwvergunningen moesten worden versierd, hoe je ze met whisky dronken voerde en bewoog de ganzenveer in Oost-Indische inkt te dopen. Later liet David op zijn beurt zijn vader zien dat koffie een grotere toekomst had dan die zware tabak uit Djember, die het zou gaan verliezen van de lichtere tabak uit Deli. De stoere Indo schrok niet terug van de kou en de mist op het vulkanische Idjen Plateau, waarvan Albert Heyn een plaatje op de verpakking van zijn koffie Gunung Blau heeft afgedrukt.

Smaaktype 4 met een rond aroma, Albert Heyn weet niet helemaal wat hij in handen heeft. Nou ja, een beetje, want deze koffie kost per pak van 250 gram fl 4,95 en dat is gemiddeld anderhalve gulden meer dan, zeg, een pak koffie van Van Nelle. De Birnie-koffie – want zo moet die eigenlijk heten – wordt geleverd in een speciale luxe verpakking en wordt niet vacuüm verpakt. Is dat een voordeel? Ik weet het niet. Als je eens even een voertuig nodig hebt om in het holst van de nacht naar de andere kant van Den Haag te crossen voor een pakje tabak bij de benzinepomp, dan kun je met zo’n vacuüm getrokken straatklinker van Van Nelle tenminste nog een gabber van zijn bromscooter af keilen.

Albert Heyn wil met een glossy verpakking de suggestie wekken dat zijn Perla Gourmet Java Gunung Blau in snelfiltermaling niet anders dan zo duur kan zijn. Op de voorkant van de knisperende folie vinden we een zegel, zeggende koffiebranders sinds 1895. In het zegel een kop van een zo te zien Indisch-Chinese heer. Zou een apotheker kunnen zijn, ik zie er althans geen kop van een vierkante planter in.

Aangezien Albert Heyn niet direct laat zien onze Indische geschiedenis een beetje te kennen, het kennelijk heeft gelaten bij het doorbladeren van de Max Havelaar alleen, dan zou ik hem adviseren in het zegel de kop van mijn grootvader Willem te plakken, de man die nog geen koffieboon van een tabaksblad kon onderscheiden en voortdurend achter de vrouwen aan zat.

In het huidige Indonesië is de rupiah zo weinig waard dat zelfs bedelaars geen muntgeld van je aannemen en ik maak me sterk dat je daar momenteel niet voor een koopje je koffie haalt.

Mijn voorouders hadden hun familiehuis aan de Brink nr zoveel in Deventer en zijn ooit begonnen met het invoeren van vaste koffieprijzen. Als die daar nog gelden en Albert Heyn geen corruptie kent, dan nog hoeft een bijzondere koffie niet extra belast worden met een onduidelijke toeslag voor een onduidelijk doel. Een prijsverschil van anderhalve gulden met een redelijk goede koffie moet elders terug te vinden zijn.

Wat voor geschenken worden er geboden aan de noeste spaarder van de waardepunten aan de zijkant van het pak? Zal wel weer koffieservies zijn… Albert Heyn, luister! In de huidige tijd dient u uw overmatige winsten aan te wenden voor sponsoring van culturele projecten! Nu het Fonds voor de Letteren voor de kranten van de leerlingen van Busken Huet op de knieën dreigt te gaan en zich laat ringeloren door een staatssecretaris van cultuur, die geen onderscheid kent tussen een schrijver en een ondernemer, geef ik u in overweging om althans die enkele gesubsidieerde Indische schrijver uit de contemporaine Nederlandstalige literatuur in staat te stellen zijn verhaal over het Birnie-imperium te vertellen. Gebruik dus voor uw waardepunten de boekomslagen van Alfred Birney, zodat de liefhebber van uw vierkante koffie voor het complete oeuvre van deze schrijvende nazaat van uw geliefde planters kan gaan sparen.

Met de hartelijke groeten uit het familiehuis aan de Brink nummer zoveel, Deventer,

Alfred Birney © 2000

Voorgedragen door Maarten van Rossem alias Droogstoppel in Amsterdam, De Balie, in het kader van ‘Adieu 19e eeuw’, op dinsdag 14 november 2000, 20:00 tijdens een schrijversparade rond Multatuli’s ‘Pak van Sjaalman’, met Maria Barnas, Karel Glastra van Loon, Adriaan Jaeggi, Atte Jongstra, Mariët Meester, Wanda Reisel en Pauline Slot, terwijl die slome Cyberney verstek moest laten gaan vanwege griep dit en griep dat, jetlag dit en jetlag dat, allemaal opgelopen na een lood- en loodzwaar wereldtournee, tijdens welke hij, die dekselse Cyberney, zich in het bijzonder sterk maakte voor zijn schrijvende generatiegenoten, die weer op hun beurt verzuimden hem tijdig van aspirientjes en appelsientjes te voorzien opdat hij zich van zijn wederom loodzware taak kon gaan kwijten het podium van De Balie van enige kleur te voorzien, zodat het massaal opgekomen publiek niet direct met tomaten zou gaan gooien enz. enz., om kort te gaan: Cyberney heeft tinka’s, zoals al die blauwen, vraag maar aan Frans Lopulalan en zijn schildknaap Joro.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De boekhouders van de Indische letteren (1)

Het enige serieuze tijdschrift dat zich bezighoudt met de Nederlands-Indische, of Indisch-Nederlandse, of Nederlandse koloniale en postkoloniale dan wel Nederlandse prekoloniale, koloniale en postkoloniale letteren, dat heet Indische Letteren. Jammer dat ze zich zo hebben genoemd, want wanneer je gemakshalve spreekt over de ‘Indische letteren’ is het de luisteraar niet meteen duidelijk of je het hebt over het tijdschrift of over de paar duizend geschriften die daartoe kunnen worden gerekend. De verzamelnaam ‘Indische letteren’ voldoet overigens uitstekend in het onderlinge geharrewar van geleerden die zich bezighouden met literaire teksten die Indië én ‘het Indische’ vanaf de VOC-tijd tot op heden als onderwerp hebben. De oprichters van het tijdschrift hebben met de naamgeving de term ‘Indische letteren’ als het ware geclaimd, al zullen ze dat wel niet letterlijk doen, want zeiken doen deze aimabele lieden niet buiten hun vakgebied.

Een voorbeeld. Je bent abonnee en na een jaar wordt het weer eens tijd om je contributie ad. fl 40,– over te maken. Dat doe je dan netjes door storting van het bedrag op postbanknummer 1977068 t.n.v. penningmeester Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde te Alphen aan den Rijn. Nou, met dat postbanknummer gaat het nog wel, maar de tenaamstelling kan problemen geven. De bank stuurt je betalingsopdracht dan terug met de mededeling dat naam en gironummer niet met elkaar overeenstemmen. Het probleem zit-em in de naam ‘penningmeester Werkgroep etc’. En wij maar denken dat ze zich overal Indische letteren noemen.

Goed, je scheurt je betalingsopdracht door en wacht op een aanmaning… Die komt niet, nee, je krijgt een heel vriendelijk briefje, niet van de penningmeester zelf maar van zijn secretaresse, die je verzoekt het nog maar eens te proberen. Dat doe je dan. Waarom ook niet. Per slot valt er toch maar mooi elk kwartaal zo’n boekje van Indische Letteren in je brievenbus, met een behoorlijke houdbaarheidsdatum, de inhoud van driekwart van de nummers even daargelaten. Natuurlijk kent je bank die hele Indische Letteren niet, want wie in Nederland is er nou geïnteresseerd in de ‘Indische letteren’? Ik zou geen percentage kunnen geven op een Nederlandstalig leespubliek van zo’n 20 miljoen mensen over de hele wereld, maar enfin: toen mijn uitgever een flyer van de bloemlezing Oost-Indische inkt in het blad wilde hebben, kreeg hij te horen dat er 900 abonnees waren. Dat was in 1998. Laten we zeggen dat het blad met de multiculturele wind mee nu op 1000 abonnees zit. Dat is peanuts op 20 miljoen Nederlands lezenden maar ook weer niet niks.

Literaire tijdschriften zat, die dat aantal abonnees zouden willen hebben. U weet wel, die tijdschriften die het een kwartaal of vijf uithouden en er dan maar de brui aan geven. Die voor 1000 abonnees je zelfs een acceptgiro zouden willen sturen. Deed Indische Letteren ook een keer, na verscheidene vruchteloze pogingen van mij om die vier tientjes op hun giro gestort te krijgen. Ging lekker met dat acceptgirootje. Maar dit jaar zijn ze daar van afgestapt. Een acceptgiro aanmaken kost te veel geld. Kennelijk meer dan vriendelijke briefjes schrijven het nog maar eens te proberen. Kan ook een millenniumprobleem zijn, een psychologisch: Indië wordt immers vager en vager. Als je de naam Indonesië niet in je mond neemt, verstaat men je al bijna niet meer.

Wil je abonnee blijven, moet dus maar zien hoe je van je vier tientjes verlost raakt. Misschien kun je ze langs brengen, maar waar ligt Alphen aan den Rijn ook al weer? In de Vorstenlanden of zo? Probeer het maar eens, al is het voor de lol: maak vier tientjes over op dat gironummer en je verzeilt in een bijzondere dialoog met bank en orgaan. Zit je bij de Postgiro, dan schijnt het gemakkelijker te gaan. Maar ik, als nazaat van een koningsplanter bij de Postgiro?

Huh huh, ik als telg van een onwettige telg van een wettige Birnie-telg, eh, ik heb toch een zekere status op te houden, niet? Snuffel maar eens aan uw beeldscherm of aan het papier van uw print-out. Ruikt u de tabak? Komt van Oost-Java. Geurt de Java-koffie u tegemoet? Komt van Gunung Blau, zit in die fraaie AH-pakken van ‘s lands grootste grutter. Voorheen Goenoeng Blaoe ligt op het Idjen Plateau, kun je tegenwoordig naar toe zonder paard, dat scheelt weer rijlessen. Het gebied werd in cultuur gebracht door David Birnie, de grote broer van mijn grootvader Willem, die een broertje dood had aan vuile handen en voortdurend achter de vrouwen aanzat.

Wat een luie donder was dat zeg, die bliksemse grootpa van me. Was-ie maar gaan schrijven. Maar ja, als schrijver stelde je helemaal niks voor in dat Indië. Zo’n Paatje Daum stelde dus ook toén al niks voor, maar dit terzijde. Zou mijn grootvader hem eruit geschreven hebben? Met sappige anekdotes over gokken in Monaco en de liefde bedrijven in Parijs?

Ach! Indië was niks! Helemaal niks! Hè grootpa?

Broer David en Willem hadden één pa (voor zover is nagegaan) en die heette George Birnie. Deze overgrootvader van me rookte graag een sigaar met bankdirecteuren en had een broertje dood aan overheidsdienaren. Hoezo? Nou, zoals ex-rokers de grootste vijanden van rokers zijn, en ex-junks de grootste plaaggeesten van junks, en ex-hetero’s de grootste verachters van de andere sekse, zo was hij, onze Sjors, als voormalig overheidsdienaar de grootste vijand van het gouvernement. Niet openlijk natuurlijk, want er moesten vergunningen worden versierd, hoge ambtenaren dronken gevoerd en bewogen worden de ganzenveer in Oost-Indische inkt te dopen om hun handtekening onder het zoveelste landbouwcontract te krijgen.

Met het diploma van de bestuursacademie te Delft op zak was fabrikantenzoon George Birnie op 12 oktober 1852 uitgezeild met de ‘Gertrude’ voor een carrière bij het Binnenlands Bestuur op Java. Hij baalde er vast van dat hij niet ergens in de Vorstenlanden werd geplaatst. Met het onherbergzame Djember onder zijn toezicht kreeg hij als controleur op zekere dag bezoek van de resident van Besoeki. De resident zag dat er grote schade was aangericht door de ‘zwarte apen’, die in grote getale in de schaduw van vernielde bomen zaten. Hij beklaagde zich bij de controleur, die deze opmerking niet bijzonder gepast vond. Die avond schreef George Birnie in zijn als ambtenaar bij te houden dagboek dat ‘er sedert het bezoek van den resident geen apen meer in de gouvernementstuinen te zien waren.’

Geinig, zo’n overgrootvader. Niet voor de regering, want die achtte het hoogstgewenst de controleur over te plaatsen naar een ander district, met een verhoging van het traktement, dat wel. Maar nee, George Birnie zag er een verbanning in, nam ontslag en trok de planterslaarzen aan. Zeven jaar na zijn uitzeilen begon hij met het planten van tabak en tweemaal zeven jaar later was hij rijk. Olf Praamstra, docent Nederlands aan de VU in Amsterdam, drukte in zijn proefschrift over Busken Huet – zeg maar de man van de gevleugelde woorden de Indische melkkoe – brieven af van deze bij George Birnie om poen bedelende criticus, die chronisch omhoog zat met zijn noodlijdende krant. En hij, de rijke planter, spekte die krant dan, want je wist maar nooit uit welke hoek de revolutionaire Indonesische winden zouden komen waaien.

Verveel ik u? Neem dan een abonnement op Indische Letteren door overmaking van fl 40,– op postbanknummer 1977068 t.n.v. penningmeester Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde te Alphen aan den Rijn. En maak dan ook tegelijk even fl 12,50 vermeerderd met fl 3,20 portokosten over voor aflevering nr. 2, juni 1999, veertiende jaargang. Dat is een nummer vol geharrewar van geleerden zoals deze Olf Praamstra, die zich nasi rames vretend aan de djatifineertafel uitputten in het verzinnen van logische en onlogische argumenten bij hun pogingen enige duidelijkheid te verschaffen omtrent de afbakening van de Nederlands-Indische, of Indisch-Nederlandse, of Nederlandse koloniale en postkoloniale dan wel Nederlandse prekoloniale, koloniale en postkoloniale letteren. Met andere woorden: wie en wat horen er wel en wie en wat horen er niet bij de Indische Letteren. En: waar moeten die Indische letteren worden gesitueerd op de literaire kaart van Nederland en omstreken.

Tja, je ziet het al aan de onduidelijke naamgeving van deze onwettige tak der Nederlandse letteren, dat er veel onduidelijks tiert binnen het vakgebied. Aanleiding van deze aflevering van Indische Letteren was een lezingen- en discussiemiddag, gehouden op vrijdag 21 mei 1999, over het ‘eigen gebied’ van de ‘Indische letteren’. Aldus het redactionele commentaar, waarin ‘Indische letteren’ nu als verzamelnaam wordt gebruikt en niet als de naam van het blad zelf.

Is ‘Indische bellettrie’ dan misschien wat?

Nee, want dat zou weer uitsluiting van allerlei nevengenres tot gevolg hebben.

Ho!, ik loop hier op de zaken vooruit.

Wat deden de dame en heren daar op die middag in Leiden?

Discussiëren over de afbakening van de Indische literatuur.

Wat waren de discussiepunten?

  1. Moet de literatuur van de VOC-tijd tot de Indische letterkunde gerekend worden?
  2. Is ‘Indisch’ synoniem met ‘koloniaal’?
  3. Moet een auteur de koloniale samenleving uit eigen ervaring gekend hebben om tot de Indische letterkunde te worden gerekend?
  4. Welke argumenten zijn er om de Tweede Generatie Indische schrijvers bij het onderzoek te betrekken?
  5. Moeten alleen de klassieke genres (verhalend proza, poëzie, toneel) worden onderzocht of mogen aanklachten, kluchten, aantekeningen, autobiografieën, scheepsjournalen, berichten, opera’s, berijmde vertellingen, blijspelen, moppen, natuurbeschrijvingen, boeken in het Maleis, stripverhalen, brieven, typen en schetsen, verpoozingen, brieven in flessen (alleen van drenkelingen van en naar de Oost), dagboeken, driestuiverromans, feiten, biografieën, feuilletons, fragmenten, gedichten, damesromans, detectives, autobiografieën, geïllustreerde pulp, handboeken, sprookjes, humoresken, indrukken, jaarboeken, jeugdlectuur, journalen, krabbels, kritische pennekrassen, land- en zeetochten, levensschetsen, lotgevallen, memoires, ontboezemingen, ontmoetingen ter zee en te land, onvoltooide en onuitgegeven werken, overpeinzingen, platenboeken, reisverslagen, schetsjes, herinneringen, schotschriften, kampdagboeken, pornografische boekjes, soldatenzangen, geschied- en krijgskundige bijdragen, vertaalde werken (Pramoedya Ananta Toer bijvoorbeeld), taferelen, volksgeschriften, Javaanse mythen en sagen, telegrammen, versjes, waerachtige beschrijvingen, ideeën, zendelingenlectuur, boodschappenbriefjes en wat er al niet meer uit de bestofte koloniale boekenkist komt, óók serieus genomen worden?

In de reeds genoemde uitgave van Indische Letteren staan de bijdragen van de panelleden over het boetseerwerk aan het Indische corpus afgedrukt. Dat waren: Jacqueline Bel, Siegfried Huigen, Bert Paasman, Olf Praamstra, Gerard Termorshuizen en Peter van Zonneveld. Reggie Baay was discussievoorzitter en Liesbeth Dolk maakte aantekeningen. Overigens zijn allen, op Jacqueline Bel en Siegfried Huigen na, redactieleden van Indische Letteren.

Waarom is deze discussie zo interessant? Omdat er beslist wordt wie er nu, straks en later wél en wie er níet behandeld worden in de Indische letteren. Wie gepresenteerd wordt, heeft kans te worden genuttigd. Van wie niet gepresenteerd wordt, onverschillig mét of zonder ketjapsaus, wordt niet gesnoept. Een plek in de canon van de Indische letteren garandeert althans een klein en aandachtig publiek: mensen die om de een of andere reden bestelling hebben voor Indië, in haar lente, zomer en herfst. Ja, totdat de winter begint. Volgens de profeten onder ons hangt de sneeuw al in de lucht en menigeen meldt reeds nachtvorst. Want waar blijft de Derde Generatie, om daar maar weer eens op terug te komen.

Het logge, van bloemkoolintellect vergeven huis der ‘Nederlandse letteren’ toont overigens nauwelijks oog voor de halfverscholen toko van de ‘Indische letteren’. Literatuurgeschiedschrijvers met de wortels in de Gereformeerde polder zien dolend in de nevelen van de door een koopmansgeest doorweekte Amsterdamse grachtengordel maar geen kans het slaapverwekkende rijtje Multatuli, Couperus, Du Perron en Haasse – voor zover die al als ‘Indisch’ kunnen worden aangeduid – ook maar uit te breiden met de namen Maria Dermoût en Vincent Mahieu. En als ze al tot een poging in de richting van Indië of het Indische proberen te komen, nemen ze toch gewoon schrijvers als Springer, Ruebsamen en Van Dis, die voor de beslagen brillen van Hollandse literatuurwetenschappers althans een waarneembaar Europees perspectief bieden.

Aan uitbreiding van Nederlandse, Indische, Surinaamse en allerhande Etnische literatuur tot zoiets als de NederlandsTALIGE letteren zal men wel helemaal niet denken met die monsters van de CPNB in de buurt, die het liefst de hele reut in vette Euro’s aan de Amerikanen zouden verkopen, die op hun beurt de hele plank van Reynaert tot en met eh… Birney door de plee zouden trekken, opdat de lezer van het Amsterdamse en omliggende polder- en duinlandschap zich voortaan slechts zou verdiepen in Moby Kwik, Huckleberry Kwek en Jefferson Kwak.

Stellen de Nederlandse letteren al weinig voor op de kaart van Europa, zo bezien maken de Indische letteren al helemaal geen kans. Tenzij de koloniale en postkoloniale literaturen zich mondiaal verenigen. Hoewel…. Hier is een citaat uit een e-mail die mijn Nederlands-Amerikaanse vertaalster Wanda Boeke me stuurde:

Ik word zelf dol van de manier waarop men al dat academisch (nu vaak feministisch of multicultureel) gedoe bediscussiert – ook, ondertussen, schrijvers die literaire kritiek willen ondernemen en toch dezelfde methoden gebruiken. Dus, zelfs critici en/of schrijvers van het Caribisch gebied bijvoorbeeld zitten met een soort Eurostandaard dat doorschijnt. De eilanden worden ook volgens een haast achterstevoren chronologie van koloniale bezetting (dus eerst de Engelstalige, dan de Franse, dan de Spaanse en de Portugese, en nu mogen de Nederlandstalige eilanden) ‘herondekt’ door uitgevers en critici. Heb je ooit Kenneth Ramchand gelezen? In ieder geval was deze zeer onder de indruk dat er ook wat ‘literairs’ gebeurde op de ‘Nederlandstalige’ eilanden, waarvan hij zelf niets afwist. Kolonialisme dat op een ander niveau nog steeds de maat bepaalt.

Als de marge het lot is van de Nederlandse literatuur, dan moet dat toch zeker komen doordat de Indische en Surinaamse letterkunde niet voldoende onder de aandacht zijn gebracht. Ligt dat misschien ook aan de boekhouders van bijvoorbeeld de Indische Letteren? Het Yournael zal marginalisering niet als een beschikking van het lot aanvaarden en in de volgende nummers ruimschoots aandacht gaan besteden aan hoe men nu eigenlijk de meetlat hanteert bij de afbakening van de Indische letterkunde. De vraag wat wel en wat niet en waarom dan dát wel en waarom dan dát niet en wie wel en wie niet en waarom dan wel en waarom dan wel niet… Uw Cyberney behoort onder anderen tot de zogenaamde Tweede Generatie Indische schrijvers en zal niet in de laatste plaats bekijken welke plek in het Indisch literaire reservaat men deze Tweede Generatie toebedeelt. De stal of de beerput?

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!