Hoofdkussenboek

hoofdkussenboek Waar een blog al niet goed voor is… Ik had nog maar net geschreven dat er weinig dommers bestaat dan je lievelingsboeken uitlenen of ik kreeg een e-mail van degene die het in bezit had. Die wilde het wel terug komen brengen, maar ik had haast en ben het gaan halen. De reden dat ik Sei Shōnagon’s Hoofdkussenboek zo nodig heb is natuurlijk niet de ellende die momenteel over Japan komt met aardbevingen, tsunami’s en een dreigende vérstrekkende ramp met kerncentrales. En ook niet vanwege een link tussen mijn jongste boek Rivier de Brantas en Japan. Het is gewoon het weer. Als de zon schijnt en ik zit op balkon, dan wil ik in het Hoofdkussenboek lezen. Sei Shōnagon was de eerste blogger van de mensheid (ja, ik overdrijf) en dat deed ze zonder muis en toetsenbord. Ze bezat, zoals elke hofdame, notitieboeken en bewaarde die in het laatje van haar houten hoofdsteun. Ze heeft een scherpe pen, kan erg spotziek en dweepziek zijn en komt nogal ijdel en opschepperig over. Ze beweert dat ze haar “krabbels” louter voor eigen plezier heeft geschreven, maar ik verdenk haar ervan dat ze haar hoofdkussenboek gewoon een keer heeft laten rondslingeren. Haar laatste zin – Wat men ook van mijn boek moge denken, ik betreur het nog altijd dat het aan het licht is gekomen. – neem ik dan ook niet serieus. Met haar schitterende observaties brengt ze het feodale Japan van 1000 jaar terug tot leven: een samenleving die heel wat overzichtelijker was dan, zeg, Nederland anno 2000. Ze laat ook zien dat het gedoe tussen mannen en vrouwen nauwelijks is veranderd. Het belangrijkst is dat ze me op een of andere manier inspireert tot schrijven. Zaken die ik niet op mijn weblog zet en tot nog toe nooit in boekvorm heb laten uitgeven. Want dát is het werkelijke schrijven: niet denken aan publiceren; dat zit je alleen maar in de weg. Wie weet schrijf ik ooit nog haar laatste zin over: Wat men ook van mijn boek moge denken, ik betreur het nog altijd dat het aan het licht is gekomen.

Nominatie beste literatuurblog

Bij toeval (ja, dat bestaat, en als het niet bestaat dan noem je het maar anders en dan bestaat het toch) zag ik op aboutblank dat mijn blog is genomineerd voor de beste literatuurblog van 2009. Geen idee wie me heeft voorgedragen. Deze grootste weblogverkiezing van Nederland vindt plaats onder auspiciën van Dutch Bloggies. Ik zie zo snel geen vriendjes of vriendinnetjes in de jury zitten, dus ik sta niet toevallig bij de laatste tien onder de noemer Beste Literatuur Weblog. Ik bevind me in aardig gezelschap, al is het me niet helemaal duidelijk waaraan een Literatuur Weblog nou eigenlijk moet voldoen. De een leest en recenseert zich suf, de ander houdt als een idioot het laatste nieuws bij en ik, eh… mijn laatste wapenfeit is mijn gemopper op dat Nederland Leest-gedoe rond een van de slechtste koloniale novellen die ons taalgebied ooit heeft voortgebracht.

Enfin, een plekje op de longlist heeft wel iets. Ik bedoel: ik liep net rond met het idee om maar met dat geblog te stoppen. Moet ik nou doorgaan, alleen maar omdat een stel mensen met smaak mijn weblog volgen? Weet je wat wél een gedoe is? Je moet naar het Paard in Den Haag om te horen of je bij de laatste vijf zit. En dan moet je weer wachten op de bekendmaking van de winnaar in jouw categorie. Dat betekent dus opdraven en in zo’n zaal gaan zitten wachten. Nog erger: je wint de prijs! Dan moet je het podium op en iets bloggenderwijs gaan zeggen. En als je nou net de MexGriep hebt? Moet het dan hoestenderwijs? Nou wist ik al dat het leven van een schrijver niet over rozen ging, maar ik heb nooit geweten dat dat ook voor bloggers op zou gaan. Moeten bloggers uit cyberspace nu ook al hun snoet in real life laten zien? Ik wist trouwens niet eens dat ik een blogger was. De grenzen tussen schrijven en bloggen vervagen. Dát is zeker. Zelfs bij de oude media krijgen ze dat in de gaten. Snelle jongens daar. Wat moet je ook anders verwachten met dat ge-Oeroeg van ze.

Gekwetter all around

De mensen beginnen nu werkelijk de twitter-, hyver-, tumblr-, jaiku-, yammer- and what have you-kriebels te krijgen. Teksten op het internet worden allengs sms’jes. Ik doe mee met dit miniblog.

(Deze tekst was een zogenaamd aside getoond in een sidebar.)

To blog or not to blog

De redacteur van een jonge collega schrijfster wees haar laatst op allerlei blogs en sites van schrijvers en dichters. De man wil alles op de voet volgen, dus hij heeft daar een dagtaak aan, zoveel als er wordt uitgebracht aan boektitels. Hij kwam met complete lijsten aanzetten, zij zapte zich suf, het begon haar allemaal te duizelen. Ik weet niet of het een verborgen klacht was, maar echt blij klonk ze niet. Ik neem aan dat haar redacteur tijdgenoten noemde. Dat lijkt me niet bijster slim. Ten eerste kun je als schrijver maar beter niet weten hoeveel so called collega’s op de trom slaan, ten tweede kun je de auteur die je begeleidt beter met klassieken opzadelen van Shakespeare, Goethe, Joyce, Kafka, Proust, Beckett, Kawabata, Nabokov, Perec, Duras, Elsschot, Bordewijk enzovoort – van hen kun je tenminste iets leren, mits je het talent bezit te zien wat zij deden dat anderen niet deden.

Mijn collega schrijfster vertelde dat er wel mooie sites tussen zaten. Dat ze daar vanzelf langer bleef hangen. Kwestie van smaak natuurlijk. Maar toch: als ze te veel blogs en sites bezoekt, schijnt schrijven haar nogal zinloos toe. Nu komt het. Ze zegt dat ze ervan houdt als er een mooi fragment op een site valt te lezen, zodat je direct een beeld krijgt van hoe iemand schrijft en wat zijn of haar thematiek is. Oei, daar schrok ik even van. Ikzelf heb nauwelijks proza op mijn weblog staan dat mijn stijl en thematiek typeert! Hier en daar wat Indonesische en Engelse vertalingen, de een wat beter gelukt dan de ander, veel krantencolumns, wat recensies, blogstuff over van alles en nog wat, mijmeringen van mijn webheld Meneer B., het Yournael van Cyberney, waarmee mijn webavontuur anno 2000 is begonnen en slechts enkele prozafragmenten uit boeken. Mijn beste werk staat er bij lange na niet op, dus ik kan dit weblog moeilijk een portfolio noemen.

Dit doet me denken aan een internetdebat van twee jonge Amerikaanse schrijvers: de ene schrijver blogde zich suf om contact met zijn publiek te houden, de andere blogde helemaal niet omdat hij bang was dat de mensen een verkeerd beeld van zijn proza zouden krijgen. Immers: internetproza is natuurlijk nooit zo fijnzinnig als dat wat je in een boek publiceert. Ik heb het hier uiteraard over de serieuze schrijvers, dus zij die literatuur als een kunstvorm zien en niet als een (slecht) middel om snel beroemd en rijk te worden. Als de gedachte aan discrepantie tussen digitaal en gedrukt proza mij komt kwellen – dat is een paar keer per jaar – dan heb ik weleens de neiging om mijn hele blog off line te halen, waar ik soms ook gehoor aan geef. Na enkele weken zet ik de boel dan weer on line. Omdat er zijn mensen die erom vragen. Omdat ik de schrijftafel niet ontvluchten kan (want dat is bloggen voor mij). Omdat Google al mijn artikelen in cash heeft, dus de boel is toch te achterhalen. Er zijn wel trucs om dat te saboteren, maar dat kost tijd.

Mijn jonge collega schrijfster vindt dat al die blogs van, vooral jonge, dichters overlopen van namedropping en kalenders van podiumoptredens en meer van die show off stuff. Op zoek naar de rust van een mooi gedicht moet ze dan echt zoeken naar wat die schrijvers nou eigenlijk produceren. Er wordt veel op hun weblogs geschreeuwd, schrijfvriendjes worden bewierookt en schrijfvijanden worden afgeserveerd. Verder hebben ze zoveel optredens dat zij zich afvraagt waar ze de tijd vandaan halen om te schrijven. Ze zegt dat Tommy Wieringa hier eens een leuke column over schreef. Ze vindt zijn site overigens overzichtelijk en mooi. Maar ja, je zal niet snel op die website komen, tenzij je op zijn naam zoekt. Alleen bestsellerauteurs kunnen zich een dergelijke statische website veroorloven. Megasellerauteurs hebben helemaal geen website nodig. Een dynamische site houdt je naam levend. Veel verschuift naar het web, de grootste boekhandel van Nederland is geen fysieke maar een digitale. Het gevaar dat je lezers aantrekt die niet bij je passen, en lezers afstoot die dat wel doen, blijft bestaan. Maar dat heb je ook wanneer anderen over je schrijven. Ten slotte: wat je collega’s doen, dat zou je onverschillig moeten laten.

Tussen I Tjing en I Ching

Ik heb een paar weken de tumblr service uitgeprobeerd, het zogenaamde microbloggen. Daar ben ik nu mee opgehouden, ik heb enkele microblogs naar deze site getransporteerd en de rest in de prullenbak gemikt. Mijn laatste bijdrage had niets meer met microblogging te maken, wél met de service van tumblr.nl. Ik wierp er drie Chinese munten op, zesmaal, en raadpleegde het orakel dat ik al 35 jaar lang raadpleeg:


scan i ching worp

Een groot probleem bij de interpretatie van deze uitkomst ontstaat wanneer je je van twee vertalingen bedient, of wanneer je de pech hebt beide vertalingen te kennen:

1. I Tjing; Het boek der veranderingen (naar de Duitse vertaling met toelichting van Richard Wilhelm) – Deventer, 16e druk: 1991. Deze gebruik ik al een jaar of 35. Mijn eerste exemplaar kocht ik in 1973. Mijn derde exemplaar heeft zijn stofomslag niet meer, ik zal weer een nieuw moeten kopen.

2. De oorspronkelijke I Ching (in de nieuwe vertaling van Alfred Huang) – Haarlem, 1e druk: 2000 (oorspronkelijke titel: The Complete I Ching). Deze gebruik ik een jaar of zeven. Ik kocht het boek in de zomer van 2001.

Het grootste verschil tussen beide versies ligt in de interpretaties van hexagrammen wanneer er méér dan één lijn beweegt. In bovenstaand hexagram – op zich een prachtige uitkomst – bewegen er liefst drie lijnen. Richard Wilhelm zegt dat alle drie bewogen lijnen in hun tegendeel omslaan. Ze worden dus alle drie yin. Het hexagram nr 1 (Het Scheppende) verandert dan in hexagram nr 42 (De Vermeerdering). Alfred Huang daarentegen zegt (onder meer) dat bij drie bewogen lijnen alleen de middelste bewogen lijn moet worden gekozen. Volgens hem zou de uitkomst dan niet hexagram nr 42 zijn, maar hexagram nr 10 (Vervulling).

Overigens heeft Alfred Huang hexagram nr 1, Het Scheppende, hernoemd tot gua nr 1: In Gang Zetten. Nr 10, Het Optreden, heet voortaan Vervulling.

Volg ik de interpretatie van Richard Wilhelm, dan zou het inwisselen van mijn klassieke weblog voor een microblog meer ruimte geven voor het ouderwetse schrijven, dat ik bij het werpen van de drie munten in gedachten had. Volg ik de interpretatie van Alfred Huang, dan moet ik de derde lijn, de middelste van de drie bewogen lijnen dus, aandachtig lezen. Daar staat onder meer: “Wie op deze plaats staat, moet opletten dat hij niet te ver van het centrale pad afwijkt en daarmee een ongunstige situatie creëert.” Maar wat is nu “het centrale pad”? Mijn weblog of mijn schrijverij? Richard Wilhelm spreekt bij deze lijn onder meer: “Reeds menig groot man ging te gronde doordat de massa’s hem toevielen en hem meesleepten in hun eigen baan.” Zijn “de massa’s” al die wegloggers en microbloggers die mij van mijn core bizz weghouden: het schrijven en publiceren van boeken?

Het zal me nog menig meditatief uurtje kosten eer ik deze kwestie heb opgelost. Ik zal ook wel moeten, want er ligt een e-mail van mijn host met de vraag of ik een tweede domein, waarmee ik mijn tijd verkwansel, wil verlengen of wens te laten verlopen.

Oemf, het antwoord ligt voor het oprapen, zo te zien.

Update 26 dec:

Harmen Mesker van I Tjing Centrum Nederland mailde me dat hij hexagram 1 interessant vond. Het is immers een compleet yang hexagram en staat voor ideeën, maar niks concreets (dat zou hexagram 2 eerder zijn). Er is dus geen resultaat, het levert niks op. Drie bewegende lijnen is overigens best wel veel, het geeft aan dat er – voor jou in ieder geval – best wel wat haken en ogen aan het systeem zitten. En dat het dan eindigt in hexagram 42, De Vermeerdering, is niet echt ‘micro’. Het lijkt meer van minder te worden, en of je daar nou op zit te wachten…

Met ‘micro’ doelt hij op de microblogging service van Tumblr. Prettig dat zo’n orakel even de moeite neemt om zijn inzichten te delen. Ik hing namelijk nog altijd met een zwaar hoofd boven deze uitkomst.

I Ching geeft nr 47 (de uitputting)

op de vraag wat ik met mijn officiële weblog moet doen, aangezien dat zich ongebreideld uitdijend monster me al te lang in de weg zit. Laatst haalde ik postings weg uit het jaar 2000. Een hele zwik krantencolumns uit de periode 2002 – 2005 heeft zichzelf nu wel overleefd. Na een eenvoudige filtering zullen ongetwijfeld enige tientallen verhalen bewaard blijven. Uit een blogserie in de periode 2005 – 2007 kan zelfs nog wel een roman verrijzen. Maar dan moet de boel eerst offline en op papier bekeken worden. Ziehier het dilemma van de bloggende schrijver: hij heeft de neiging om wat hij op het web heeft gezet als gepubliceerd te beschouwen.

Wat gaf het Boek der Veranderingen op mijn vraag of ik de heleboel maar offline moest halen? Hexagram 47 met de 1e en 6e lijnen bewegend van yin naar yang. De 1e lijn zegt, volgens de interpretatie van Alfred Huang, die de jongste vertaling van het oude Chinese orakel maakte, dat “wie in een treurige situatie zit (uitputting), op zoek moet gaan naar verlichting en wijsheid.” De 6e lijn zegt, in de beroemde vertaling van Richard Wilhelm: “Men leeft onder de druk van banden, die gemakkelijk verbroken kunnen worden. Het einde van de benauwenis is in zicht, maar men kan nog niet tot een besluit komen. Nog onder de indruk van de vroegere toestand meent men reden tot berouw te zullen hebben, wanneer men zich beweegt. Maar zodra men tot inzicht komt, deze geestelijke houding aflegt en een resoluut besluit neemt, gelukt het, de druk te boven te komen.” Welaan, de jaarwisseling zou een goed moment kunnen zijn.

Clickverzoek

logo AH U kent vast wel die vervelende Google-ads. Je kunt geen website bezoeken of je ziet ze wel verschijnen, die zogenaamd niet-opdringerige advertenties van Google. Moet je eens kijken wat ik met mijn blog heb gedaan! Ads all around! Waarom? Vertel ik straks. Het is onduidelijk met welk doel Google ooit is begonnen, er stonden al snel van die kleine advertenties heel onopvallend naast de zoekresultaten te wezen. Terwijl andere zoekmachines steeds moeilijker begonnen te doen over wat er wel en niet werd geïndexeerd, hing Google gewoon alle was buiten, zowel de schone als de vuile. Vond je niet wat je zocht, dan clickte je maar op zo’n ad. Google had ook een hele slimme zoekformule. Verder stopte Google een cookie in elke pc. Dat ding is geloof ik tot ergens in de jaren dertig “legaal”. Google houdt veel van uw surfgedrag bij. Google is spyware, heus, geloof me. Vandaar dat rondom deze post u vast wel ergens een advertentie ziet waar u in tijden van verveling op zou kunnen clicken. Nou is dit wel een vervelende post, niet? Er-rug vervelend, niet? Okay, ik heb een account bij dat enge bedrijf, dat grijnzend beide o’s van George Orwell in zijn naam heeft. Erg mijn best heb ik nooit gedaan om wat aan die domme ads te verdienen, maar… ik zag zojuist dat mijn teller richting de 100 dollar gaat! Dat wordt dokken voor Google! En dan houd ik op, want Google wordt mij veel te machtig. Ik haat monopolisten. Dus help me even van dat idiote account af en click op een ad. Je gaat er niet dood van, u komt gewoon op de een of andere site en ik krijg voor uw click een paar stuivers. Draait uw site ook ads? Laat maar achter, uw URL, en ik kom wel even clicken. Nou doei! En allemaal bedankt nog voor die mooie verjaardagskaarten (sommige waren echt heel mooi handmade), e-cards, sms’jes, telefoontjes etc. Ik vierde mijn verjaardag met tweelingbroer, zoon en vriendin in een klein restaurantje om de hoek, 57 meter lopen… Voor grote feesten moest het minimaal 27 graden zijn, anders is het zo koud op balkon. Okay, gaat u clicken?

Schrijf een pizza

logo alfred birney Toen ik debuteerde werd het aantal schrijvende mensen in Nederland geschat op 20.000. Eind vorige eeuw was het aantal vertienvoudigd: 200.000. Nou had ik vanavond de televisie aan laten staan na een uitzending over de Olympische Spelen in China. Ik stond wat met vis, rijst en komkommer in de keuken te freaken toen ik iets over Idols voor schrijven hoorde. De verslaggever zei dat er momenteel 1.000.000 Nederlanders aan zoiets als een roman of verhalenbundel bezig zijn. Eén miljoen! Hoe komen ze aan dat getal? Worden webloggers meegeteld? Dat moet haast wel. Veel webloggers dromen van een boekuitgave. Elk mens heeft een verhaal, right? Een groepje wedstrijdvee mag zijn opwachting maken voor de televisiecamera. Well, you can’t judge a book by the cover. Evenwel… de jury… Kwam dat vee dáár de stallen voor uit? Een kandidaat vertelde dat hij energie kreeg van schrijven. Hoe kan dat nou? Je wordt er hartstikke moe van, man! Werk dag en nacht aan een roman, een jaarlang, en je bent zo mager als een lat. Plus volkomen vervreemd van de wereld. Een wereld die nauwelijks begrijpt waar je het eigenlijk over hebt. Maar je schrijft tenminste goed. Daar gaat het om. Helaas, wat ik uit die monden hoorde komen stelde teleur. En hoopvol tegelijk. Er verschijnt al genoeg rotzooi, dat moet maar eens afgelopen zijn. Uitgevers worden dagelijks overladen met manuscripten. Ze klagen over het enorme aanbod. Waarom dan toch een wedstrijd uitschrijven? Het heeft iets weg van een pizza bestellen. Customized. Got it?

Tumble

tumblr Binnen de digitale revolutie heeft het internet een ontwikkeling doorgemaakt die het adjectief stormachtig naar de taalprullenbak voor anachronismen verwijst. Wat een website is, kan niet zomaar meer omschreven worden als een vlag ergens in cyberspace. Het weblog is momenteel misschien wel het populairst onder actieve internetgebruikers, maar het fenomeen tumbleblog is in opkomst. Men neemt de tijd niet meer om met liefde en toewijding zoiets als een eigen virtueel dagboek te onderhouden, liever kleddert men maar wat als graffiti op het web, waarbij de codes alt+c en alt+v geheimtaal zijn voor stelen. Feitelijk is het tumbleblog een cynische variant op het weblog in zijn origineelste vorm.: een soort stream of consciousness. Maar de taal is nu teruggebracht tot wat quotes en oneliners en daarmee ondergeschikt gemaakt aan beeld en geluid. Tumblelogs zijn nauwelijks bezoekersvriendelijk en wellicht alleen goed, of zelfs gemaakt voor big brother-clubs die profielen verzamelen van mensen die zich al dan niet onder pseudoniem tonen op het internet. In een eventueel nóg nieuwere vorm dan tumbling zou je elke vorige posting door een volgende kunnen overschrijven. Het archief, voer voor zoekrobots en regeringen, verliest zo zijn betekenis, de dingen gaan voorbij, zoals het leven is. Je bent terug bij af, bij de eenvoudige webpagina, die nu en dan verandert. Kijk je nog verder terug, dan zie je schrijvers achter typmachines zitten en lezers zonder een flikkerende televisie op de achtergrond wegkruipen op de bank met een boek in de hand. Ik heb soms heimwee naar die tijd.

Gat

logo alfred birney Elke schrijver kent het, het zogenaamde gat waarin je valt na voltooiing van een boek. Het gat ziet er na elk boek anders uit, voelt anders, je kunt er geen staat op maken. Ik weet nog dat ik na Bewegingen van heimwee zes weken lang elke dag in de kroeg ben gaan zuipen. Na Vogels rond een vrouw ben ik als een idioot op mijn racefiets door de duinen gaan jakkeren. De onschuld van een vis bezorgde me een half jaar lang pseudo-hartritmestoornissen. Herinneringen aan mijn andere boeken komen nu even niet direct naar boven. Ik heb net een essaybundel afgerond en verveel me nu. Ik doe alles uit verveling. Ik fiets uit verveling. Ik blog uit verveling. Ik maak mijn huis schoon uit verveling. Het is wel een lekkere verveling. O ja, je krijgt de nawerking in twee etappes: 1. als je je manuscript klaar hebt. 2. als het boek uit is. De essaybundel gaat over koloniale literatuur, canonisering, etniciteit en racisme. Verschijnt denkelijk in de loop van het volgende jaar.