Het Woord in Ruigoord is een maandelijks programma van Hans Plomp (presentatie) en Gerben Hellinga en wordt gehouden in de kerk van de roemruchte kunstenaarsenclave Ruigoord. Op zondag 8 mei is het woord aan Indo/Indische schrijvers, met onder meer Alfred Birney, die voorleest uit zijn boek Rivier de Brantas, en Glenn Pennock die gitaar speelt en iets vertelt over zijn aanstaande roman, die in het najaar wordt verwacht.
Gordel van Smaragd in Kikkerland
PROGRAMMA:
Met medewerking van:
Merapi Obermayer
Peter Andriesse
Alfred Birney n.a.v. zijn zojuist verschenen Rivier de Brantas
Glenn Pennock (gitaar) over zijn in het najaar te verschijnen Als gitaren schreeuwen
Ruth Bouman (gamelan)
MC ALFREDEX (van de roemruchte REBEllenklup)
Locatie Kerk Ruigoord
Datum: zondag 8 mei 2011
Tijd +/- 16.00 – 18:00
Daarna: eten € 8,00 – waarschijnlijk gado-gado, en anders iets met suikerbieten of zo
Tot slot: rondhangen, signeren, chill out etc.
Toegang: GRATIS
Locatie: hier
In 1989 liet ik Bewegingen van heimwee verschijnen, een semi-autobiografisch relaas. Aanleiding was een reünie van ex-tehuisbewoners die een jaar eerder in Voorschoten had plaatsgevonden. Er waren recensenten die niets van het boek begrepen, ervanuitgaande dat een verblijf in een tehuis zoiets is als een verblijf in een gevangenis. Ze wilden lezen wat zij in gedachten hadden, niet wat ik schreef.
Nou riep ik in mijn tehuistijd wel vaak dat ik die gevangenis haatte, maar in mijn boek koos ik voor een ander perspectief. Het leven ná een verblijf in een tehuis kan namelijk nóg beroerder zijn dan het leven ín een tehuis. En voor sommigen is het leven in een tehuis nog altijd beter en veiliger dan te moeten leven in een gezin met aan het hoofd een zwaar getraumatiseerde vader die zo paranoïde was dat hij zijn eigen kinderen niet vertrouwde. Maar daar wilde ik het toen nog niet over hebben, ik wilde een roman schrijven over eenzaamheid.
Mijn roman Het verloren lied uit 2000 speelt in verschillende tehuizen en dat boek werd geliefd, misschien wel omdat er nergens sprake is van heimwee naar een tehuis en het leven in tehuizen wat realistischer werd beschreven.
In Huize Nieuw-Voordorp te Voorschoten was Rudie Kagie, journalist, ooit een jaargenoot van me. Ik kwam zijn naam later vaak tegen in Vrij Nederland en in De Groene Amsterdammer. De Koninklijke Bibliotheek bewaart een stuk of 80 (!) boektitels over de meest uiteenlopende onderwerpen van hem. Ik zwijg nog maar even over de duizenden artikelen die hij in zijn leven uit zijn schrijfmachine heeft geramd.
We ontmoetten elkaar op een tweede reünie enkele jaren terug. Rudie Kagie, en vele anderen, had de eerste reünie gemist: de reünie die speelt in Bewegingen van heimwee. Ik verveelde me tijdens de tweede reünie, al was het natuurlijk leuk om Rudie Kagie weer terug te zien. Anders dan een jaar of twintig terug was zoiets als heimwee naar de tijd in het tehuis allang geen motief meer in mijn leven. Je ontgroeit zelfs je boeken, niet? Er was een vrouw die me aldoor lastigviel door maar te blijven roepen dat Bewegingen van heimwee een leugen was. Ze begreep niet wat fictie is. Zoals er ook talloze mensen op het internet zitten die geen benul hebben van wat fictie is. Alles wat ze lezen houden ze voor waar. Maar ook romanlezers halen makkelijk feiten en fictie door elkaar. Er zijn er weinigen die geloven dat Hazel uit Rivier de Lossie een verzonnen personage is. Om maar een voorbeeld te geven.
Rudie Kagie weet wél wat fictie is. Maar als ouderwets journalist wilde hij toch een andere kant van mijn verhaal horen. Ik stemde toe. We spraken af in een rustig restaurant ergens aan het Buitenhof. Dat was verleden jaar zomer, de zon scheen, er was een demonstratie van Turken gaande vanwege de beschieting van Israëliërs op een Turks schip dat de zeeblokkade had genegeerd.
Tijdens het interview dat Rudie Kagie me afnam, kwamen allerlei herinneringen en inzichten bij me naar boven waar ik in mijn literaire werk nooit iets mee had gedaan en ook nooit iets mee zal doen. In mijn boeken draait alles om beleving, de feiten staan in dienst van de beleving. Punt. Niettemin gaf ik Rudie Kagie toestemming om mijn relaas, dat hij met een dictafoon opnam, op te nemen in het boek waaraan hij toen werkte. Dat boek komt binnenkort uit onder de wonderlijke titel Schuifkaas.
“Weet jij wat schuifkaas is?”
Rudie Kagie stelde me die vraag, maar nee: ik wist het echt niet. Ik neem aan dat u het ook niet weet. In onderstaande tragikomische trailer legt Rudie Kagie uit wat schuifkaas is.
De flaptekst van het boek luidt voorlopig zo:
In het boek beschrijft Rudie Kagie hoe een reünie voor ex-bewoners van kindertehuis Nieuw-Voordorp totaal uit de hand dreigt te lopen. De uitnodiging om na veertig jaar weer eens bij elkaar te komen roept onvoorziene emoties op. In de aanloop tot wat een gezellige dag had moeten worden, komt de inmiddels bejaarde groepsleiding heftig in aanvaring met de al lang volwassen voogdijpupillen van toen.
Beide partijen vervallen in oude rolpatronen. De opvoeders slaan weer aan het betuttelen en censureren bijdragen aan het reünieboek. Als reactie hierop plaatsen de oud-pupillen traumatische herinneringen aan kindermishandeling in Nieuw Voordorp op internet. Sommigen werden in dit instituut voor de rest van hun leven psychisch beschadigd, maar was dat inderdaad de schuld van de directie? De sfeer tijdens de voorbereidingen van de reünie wordt zo met de dag grimmiger.
Schuifkaas is het autobiografische relaas van een reünist voor wie de pijnlijke confrontatie het ontbrekende stuk blijkt in een puzzel die hij voor het eerst meent te begrijpen.
Goed, je hebt dus fictie, factie en non-fictie. Je hebt Alfred Birney en Rudie Kagie. En wij hebben elkaar. Ieder zijn stiel. Ik ben van de partij tijdens de feestelijke presentatie op vrijdag 8 april a.s. in het Historisch Museum te Voorschoten, waar de auteur het eerste exemplaar van Schuifkaas zal overhandigen aan de 83-jarige journalist Joop Peeters. Op 12-jarige leeftijd leverde Kagie namelijk bij deze correspondent van vijf regionale dagbladen al zijn eerste verslagjes in van lokale evenementen – een stimulans die bepalend was voor zijn keuze om later journalist te worden. Is dat niet mooi?
De literatuurcriticus Jeroen Vullings (Vrij Nederland) zal in een dubbelinterview ingaan op de functie van Nieuw-Voordorp als inspiratiebron voor mij, Alfred Birney, als romanschrijver en voor Rudie Kagie, als non fictie-schrijver .
De boekpresentatie is voor genodigden, maar als u erbij wilt zijn mail dan naar schuifkaas@yahoo.com. Wie weet is er nog plaats!
Vandaag verraste mijn scheurkalender me met de volgende haiku van Shiki:
Ook vannacht wacht ik op jou.
De koude wind
verandert in regen.
Toen ik de scheurkalender als kerstcadeautje kreeg, dacht ik: O hemel, nu moet ik zeker elke dag stompzinnig een nieuw blaadje van dat bloc gaan scheuren… Ik had nooit gedacht dat scheurkalenders me zoveel moois zouden kunnen schenken. En al helemaal niet als zo’n ding de Happinez Spirituele Scheurkalender zou heten.
Overigens herinnert deze haiku me aan Het Hoofdkussenboek van Sei Shōnagon (清少納言), dat ik een half jaar terug aan iemand uitleende en tot op heden niet terugkreeg. Er bestaat weinig dommers dan een van je lievelingsboeken uitlenen. Mensen die boeken lenen, die lezen ze zelden. Ongelezen boeken maken geen indruk. Ze komen vergeten ergens in een hoekje te liggen. Hoe kan je dan verwachten dat iemand ze terugbrengt?
Ik had vier dagen geleden een interviewer over de vloer die me met het stellen van enkele simpele vragen dwong af te dalen in gebieden van mijn herinnering waar ik liever niet meer kwam. De interviewer had een duik in mijn hele oeuvre genomen en er de belangrijkste persoonlijke motieven uit gehaald. Ik ben een schrijver die die motieven in dienst van zijn boeken stelt en het liefst met distantie over zijn romanhelden praat. Ditmaal had ik geen verweer en er ontspon zich een uiterst persoonlijk gesprek. Ik verbaasde me over wat er allemaal bij me naar boven kwam en op het moment van dit schrijven verbaas ik me zelfs over wat ik allemaal al geschreven heb.
Het gesprek met de interviewer, die me een “getormenteerd schrijver” noemde, duurde uren. Later bedacht ik dat het wellicht mijn leerzaamste gesprek ooit was met welke journalist dan ook. Ik moest veel aan Kafka denken, ooit een van mijn grote inspirators. Kijk eens naar zijn tekening…
Maar de volgende dag duizelde het letterlijk in mijn hoofd. Ik zeg: letterlijk. Een dag later had ik nog steeds last van duizelingen. Ik ben het internet gaan afzoeken naar oorzaken van duizelingen. Gewapend met een lijstje van aandoeningen bezocht ik mijn huisarts. Mijn bloeddruk was perfect. Met een paar simpele bewegingen probeerde ik de duizeligheid weer op te wekken, maar er gebeurde niets.
Ik vertelde mijn huisarts over het interview. Hij zei dat duizelingwekkende gesprekken bestaan. En hij feliciteerde me met deze les.
Morgen komt een volgende journalist langs, maar alleen om over rivieren te praten… Rivier de Lossie, Rivier de IJssel, Rivier de Brantas. Intussen dient zich een duizelingwekkend aantal verhalen aan die ik nog vertellen moet.
Waar een blog al niet goed voor is… Ik had nog maar net geschreven dat er weinig dommers bestaat dan je lievelingsboeken uitlenen of ik kreeg een e-mail van degene die het in bezit had. Die wilde het wel terug komen brengen, maar ik had haast en ben het gaan halen. De reden dat ik Sei Shōnagon’s Hoofdkussenboek zo nodig heb is natuurlijk niet de ellende die momenteel over Japan komt met aardbevingen, tsunami’s en een dreigende vérstrekkende ramp met kerncentrales. En ook niet vanwege een link tussen mijn jongste boek Rivier de Brantas en Japan. Het is gewoon het weer. Als de zon schijnt en ik zit op balkon, dan wil ik in het Hoofdkussenboek lezen. Sei Shōnagon was de eerste blogger van de mensheid (ja, ik overdrijf) en dat deed ze zonder muis en toetsenbord. Ze bezat, zoals elke hofdame, notitieboeken en bewaarde die in het laatje van haar houten hoofdsteun. Ze heeft een scherpe pen, kan erg spotziek en dweepziek zijn en komt nogal ijdel en opschepperig over. Ze beweert dat ze haar “krabbels” louter voor eigen plezier heeft geschreven, maar ik verdenk haar ervan dat ze haar hoofdkussenboek gewoon een keer heeft laten rondslingeren. Haar laatste zin – Wat men ook van mijn boek moge denken, ik betreur het nog altijd dat het aan het licht is gekomen. – neem ik dan ook niet serieus. Met haar schitterende observaties brengt ze het feodale Japan van 1000 jaar terug tot leven: een samenleving die heel wat overzichtelijker was dan, zeg, Nederland anno 2000. Ze laat ook zien dat het gedoe tussen mannen en vrouwen nauwelijks is veranderd. Het belangrijkst is dat ze me op een of andere manier inspireert tot schrijven. Zaken die ik niet op mijn weblog zet en tot nog toe nooit in boekvorm heb laten uitgeven. Want dát is het werkelijke schrijven: niet denken aan publiceren; dat zit je alleen maar in de weg. Wie weet schrijf ik ooit nog haar laatste zin over: Wat men ook van mijn boek moge denken, ik betreur het nog altijd dat het aan het licht is gekomen.
Rivier de Brantas is het verhaal rond een gitarist, die bij het graf van zijn grootmoeder op Java een vloek wil bezweren die op zijn familie zou rusten. In het boek, vol tempowisselingen en vertellingen, passeert de Nederlandse koloniale geschiedenis spelenderwijs de revue. Iedereen die de reizende gitarist ontmoet lijkt van die ingrijpende geschiedenis doordrongen, in tegenstelling tot veel mensen in Nederland. Herinneringen lijken plaatsbepaald, en de gitarist, met zijn familiewortels op Java en in Nederland, moet lang met zijn vragen wachten voordat hij uiteindelijk een antwoord krijgt van toevallige passanten.
Ik heb een zwak voor preludes, voor dat wat begint, wat worstelt met de aanvang of eenvoudig zonder enige worsteling begint, de prelude als lente die iets groots aankondigt of waarop direct, zonder tussenliggende zomer, het verval van de herfst volgt, de prelude als instrumentaal voorspel zonder vastliggende vorm of als een improvisatie die voor het hoofdwerk wordt gespeeld, dan wel als opwarmer voor de muzikant of als mogelijkheid je virtuositeit te tonen, de prelude desnoods als aanloop waarmee je je instrument stemt, als inleiding van een suite of als een stuk dat aan een fuga voorafgaat en hiermee een contrast vormt, en anders gewoon als officieel muziekstuk, als zelfstandige compositie, in het extreemste geval als opperste vorm van verveling – het maakt me allemaal niet uit: de prelude is mijn favoriete muziekvorm. De prelude laat iets open. Altijd. Maar daar, in dat hotel, met die onaflatende karavaan van herriemakers langs mijn balkon, in het smorende Jakarta onder een deken van smog waar geen satellietcamera doorheen kon gluren, hoorde die gitaarmuziek niet thuis.
De pers:
De vele lagen in het boek maken het een feest om te recenseren: hoe vaker je het leest, hoe meer je ziet. Indisch 3.0
Iedere regel, elk woord staat op de juiste plek. Minder is meer. Er ontstaat een rust die de lezer de tijd en de ruimte gunt ergens over na te denken. Literatuurplein
En na het lezen stroomt het verhaal nog door. Als in een rivier waarbij de stroom nooit eindigt en het water altijd een weg zal vinden.De Aziatische Tijger
In het laatste nummer van Archipel Magazine staat een recensie van me. Het recenseren van boeken is niet direct de dankbaarste taak die je kunt hebben, vooral wanneer het fictie is. Je wordt dan al gauw gezien als een vriendje of als een verrader van je schrijvende broeders of zusters. Met nonfictie heb ik geen moeite, dat is toch bijna allemaal rotzooi en inwisselbaar.
Helaas is het boek, waarvan ik de titel alweer ben vergeten, een neokoloniaal gedrocht van de eerste orde (en de eerste generatie). Mijn bespreking lijkt wel een symbolisch slot van het magazine, dat vanaf het voorjaar echt een andere koers gaat varen onder de naam East Magazine.
Quote magazine:
Het zat er al even aan te komen: de transformatie van Archipel naar een breder magazine over Indonesië en Zuidoost-Azië. Binnenkort is het dan zover en is de gedaantewisseling een feit. Vaarwel Archipel, welkom East! Een introductie op een oude vriend in een nieuwe jas. Lezers worden in de nieuwe formule nog meer betrokken bij het magazine. Uw verhalen, foto’s en video’s krijgen een plek in het blad of op de site. Volg de berichten op www.eastmagazine.nl.
De link werkt momenteel nog niet, verwijst althans nog naar Archipel Magazine. Enfin: koop de laatste Archipel! Wie weet wordt het een collector’s item!
Het probleem met het postkoloniale debat in Nederland is dat er geen postkoloniaal debat is. Nou klinkt dit wat flauw, dus ik zal het wat genuanceerder zeggen: het postkoloniale debat in Nederland is afhankelijk van incidentele oprispingen bij de aandacht voor de Indische, Surinaamse en Caribische literatuur en, breder getrokken, voor boeken afkomstig van immigranten en hun nazaten. Wie wil weten wat koloniale en postkoloniale literatuur behelst, moet lezen Europa Buitengaats; koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen onder redactie van Theo D’Haen.
Onlangs trok een nieuw Indisch boek de aandacht van recensenten, onder wie er velen zaten die dachten dat het wiel was uitgevonden. Het boek is van Eveline Stoel, getiteld Asta’s ogen. Het is een documentair geschreven boek dat toevallig zijn weg vindt naar het grote publiek. Ik zeg toevallig, omdat er jaarlijks tientallen van dergelijke boeken verschijnen, al decennia lang. De meeste van die boeken belanden in de prullenbakken van de redactielokalen, een enkele titel vindt zijn weg.
Boeken als Asta’s ogen hebben als voordeel dat de Indische geschiedenis weer even levend wordt. Ik zeg: even. Want die geschiedenis wordt niet werkelijk levend gehouden, althans niet in de officiële canon. Onze beroepslezers hebben beroerd geschiedenisonderwijs genoten en in het kielzog daarvan dus net zulk beroerd literatuurgeschiedenis. Ze hebben geen helder zicht op de verschillen in perspectief tussen blanke en niet-blanke schrijvers uit Nederlands-Indië en de Cariben. Vanzelfsprekend geven zij hun beperkte kennis van de (post)koloniale literatuur door aan hun studenten, die op hun beurt doodleuk boeken als Orpheus in de desa en Oeroeg hoogtepunten noemen in de Indische literatuurgeschiedenis.
Let wel: het gaat hier niet over smaak, maar over perspectief. Een voorbeeld hiervan is de kritiek van Tjalie Robinson op Oeroeg, een stuk geschreven in 1948. Dit stuk, vol met sterke argumenten, heeft nooit enige invloed gekregen op de smaakmakers van de Nederlandse literatuur. Hoe komt dat?
Dit soort vraagstukken behoren bekend te zijn bij deelnemers aan een postkoloniaal debat. Anders weet je niet waarover het gaat. Afgelopen zaterdag werd er een dergelijk debat gevoerd in Nijmegen, er werd althans een poging ondernomen.
Op het podium nemen plaats Wim Willems, Eveline Stoel, Lizzy van Leeuwen en ik. Gespreksleider is Wim Brandts.
Wim Willems zit al 30 jaar met zijn neus in de materie, is biograaf van Tjalie Robinson en ziet soms door de vele bomen het bos niet meer. Eveline Stoel is een nieuwkomer die het zich kan permitteren onbevangen en ongehinderd door een veelheid aan kennis haar zegje te doen. Lizzy van Leeuwen doolt rond in het niemandsland tussen wetenschap en essayistiek en heeft de neiging het gesprek al te technisch voor de toehoorders te maken. Ikzelf doe vooral aan het begin van zo’n debat niets anders dan iedereen maar meteen in de rede vallen omdat ik denk dat ik het allemaal beter weet. Mij word herhaaldelijk door Wim Brandts ingefluisterd dat ik even mijn mond moet houden en dan gedraag ik me wel. Diezelfde Wim Brandts is een journalist (en dichter) met veel ervaring op het gebied van postkoloniale en etnische literatuur. Hij leidt het debat in strakke banen, omdat het anders een gekijf van jewelste wordt.
Dat een dergelijk debat nooit een bevredigend einde krijgt, dat weet je van te voren, al is het maar omdat meer dan de helft van de gesprekstijd opgaat aan het uitleggen van waar het nou eigenlijk allemaal om gaat. Toch zijn dit soort gesprekken zinvol. Want er zijn altijd mensen in de zaal die ermee aan de gang gaan, erover gaan nadenken, ook al hebben ze de helft maar begrepen.
Mijn punt is dat het postkoloniale debat een vanzelfsprekend onderdeel zou moeten zijn van het algehele literaire debat. Dat de postkoloniale geschiedenis als een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel zou moeten worden gepresenteerd van de algemene Nederlandse geschiedschrijving.
Maar ja… ís er überhaupt wel een literair debat? En wordt de canon van de Nederlandse geschiedenis wel écht vernieuwd met dat beetje VOC-gelul dat eraan is toegevoegd? Wanneer zijn we zover dat we vanuit verschillende perspectieven naar onze eigen (literatuur)geschiedenis kunnen kijken?
Wim Willems brak aan het einde van het debat, voor een volle zaal, een lans voor de Turkse schrijver Sadik Yemni, die klaagde dat hij als Turk alleen maar om zo te zeggen over kamelen mag schrijven. Dat vond Wim Brandts wel aardig om de avond mee af te sluiten. Nieuw is de klacht van Yemni natuurlijk niet. Ik schreef het al tien jaar geleden in mijn Yournael van Cyberney, een e-zine dat ik later herschreef en in boekvorm liet uitgeven. Dit zeg ik niet uit gelijkhebberigheid. Maar om te illustreren dat conclusies die ooit door schrijvende immigrantenkinderen worden getrokken niet direct door blanke Nederlanders worden overgenomen. Nee, die nemen ook nog eens tien jaar de tijd om tot dezelfde conclusie te komen. En als het even kan brengen ze het alsof het zelf hebben bedacht. Het komt er uiteindelijk toch steeds weer op neer dat je pas wordt geloofd zodra je een heel blank peloton achter je hebt. Een van de weinigen die dat tot dusver voor elkaar kreeg was Salman Rushdie. Maar daarvoor moest ie wel eerst een fatwa over zich heen krijgen. En zo ben ik weer terug bij af bij mijn eerste aflevering van Yournael van Cyberney, tien jaar geleden.