Gatenkaas

logo alfred birney We hebben één beeldend kunstenaar in Nederland. Zijn naam is Jan. Sinds afgelopen week hebben we nu ook één schrijver. Zijn naam is Jan. Leuk hè? Is goed voor de poldercultuur! Zo was ik laatst op een verjaardagspartijtje. Nou, daar loopt dan een beeldend kunstenaar rond en die zegt: ‘Kijk, dan zit je in zo’n commissie en dan moet er ergens een beeld komen en roepen alle commissieleden: we nemen Jan! Zo gaat dat. Al jaren!’ De beeldend kunstenaar in kwestie klaagde niet, veeleer lag er berusting in zijn toon. Zal ik die berusting dan maar met hem delen? We hebben Jan nu eenmaal en straks wordt die man 80. Nou, hebben we dan te veel gezegd? Ik zou niet weten of het prettig is om 80 te worden, maar goed, waarom geen ouwe grijze duif het boekenweekgeschenk voor 2005 laten verzorgen? Hella Haasse hebben we al twee keer gehad, toen ze jong was en toen ze oud was, en Mulisch was toch ook al redelijk op leeftijd. De jonkies kunnen nog wel een halve eeuw wachten, mits het Pentagon het mis heeft met dat zondvloedscenario van ze voor de Lage Landen, maar goed, dan schrijven we allemaal in het Engels en dan doet die hele CPNB er niet meer toe en staat die Henk Kraima, de baas van die club, al lang haring te verkopen op Mallorca. Moet je eens horen, ik heb niks tegen onze Jan hoor, aardige vent, altijd onderhoudend, maar echt in vorm, nee, dat is ie niet meer. In 1982 was ie dat wel. En hoe! Hem was de Constantijn Huygens-prijs toegekend. Die wees hij minachtend van de hand. Voor de televisiecamera’s trok hij het ene na het andere boek van zichzelf uit zijn kast, dat hij stuk voor stuk tot meesterwerk bombardeerde. Ik lag in een deuk. Onze Jan vond dat men rijkelijk laat was met hem die prijs toe te kennen. En gelijk had ie. Maar waarom vindt hij dan nu niet dat men veel te laat is hem het boekenweekgeschenk te laten verzorgen? Nou, onze Jan was al eens eerder door de CPNB uitgenodigd, maar: ‘de afgevaardigde die toen kwam overleggen zat in de kaas. Ik heb hem toen uitgemaakt voor gatenkaas. Maar de huidige directeur van de CPNB, Henk Kraima, is een prima man!’ Dit lijkt mij het allerafschuwelijkste uit Jan Wolkers. Die bandiet van een Henk Kraima heeft in 2001 de Nederlandstalige literatuur afgeserveerd omdat ie zo nodig modieus moest doen door Salman Rushdie het boekenweekgeschenk te laten verzorgen. De man kraaide zelfs dat elk in het Nederlands vertaald boek als Nederlandse literatuur moest worden beschouwd en hij voegde er ook nog de smerige leugen aan toe dat de Nederlandse literatuur al lang en breed multicultureel was. Nou Jan, als je een kaasverkoper uitmaakt voor gatenkaas, waar maak je dan zo’n Kraai-maar-aan-mannetje voor uit? Het thema van de boekenweek staat volgend jaar in het teken van ‘de duizenden boeken waarin de geschiedenis van Nederland wordt beschreven’, is het niet? Dat is toch heel veel gatenkaas.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 9 april 2004

Gods Prullenbak

logo alfred birney Weer eentje dood, iedereen gaat maar dood, je wordt er doodziek van, elke week is het prijs, het lijkt wel alsof ze geen zin hebben in alweer zo’n neplente zonder zon en hoop. Niet dat ik een rouwkaart ontving, de dood valt tegenwoordig per e-mail in het postvak, met de virusmeldingen, spam en funny mail. De dood van een Indische jongen is behalve de dood van een individu ook een knaag aan de Indische gemeenschap, die gedoemd is uit te sterven. Of ik dat treurig moet vinden weet ik niet, de Indische geschiedenis is niet bijster vrolijk. Achterlijk van de CPNB om nooit eens een Indische auteur uit te nodigen het boekenweekgeschenk te schrijven. Theodor Holman lijkt me wel geinig. Die schrijft zo’n boekenweekgeschenkje in een weekend in de etalage van de Bijenkorf, als het moet met de camera’s op zich gericht. De literatuur is onderhand wel toe aan een gimmick, als je het reilen en zeilen van de CPNB in ogenschouw neemt. In 1992 stond de boekenweek in het teken van Nederlands-Indië. Kregen we een geschenkje over weerborstels van een Brabander. In 2001 luidde het thema: tussen twee culturen. Kregen we een uit het Engels vertaalde folder van een ex-vogelvrije megasellerauteur, zonder weerborstels maar met baard. Uit protest begon ik een multiculturele internetsite. Wie deden er mee? Indo’s, Molukkers en Surinamers. Geen Irakees, Turk, Marokkaan of Iraniër te bekennen. Wel later schijnheilig e-mailen dat ze de weekreportages prachtig vonden. Maar meedoen? Ho maar! Te druk met pr-geslijm met de CPNB-maffia, die hen eerder zo hard liet vallen, in plaats van die club de vernieling in schrijven. Maar ja, een pen is geen raket, hè? En die lui van de CPNB lezen toch niet, hebben ze geen tijd voor. Ze volgen de toptien en dat is het. Vandaar die afgezaagde boekenweekthemaatjes. Dit jaar dus: de dood. Met een verbluffende diepzinnigheid stoppen ze er ook het leven in. De grote drie thema’s uit de literatuur, dames en heren: liefde, God en de dood. Kan een deur wijder worden opengetrapt? Als ze nou eens voor een ander perspectief hadden gekozen, okay. Maar dan zetten ze er weer zo’n provinciaaltje op. De CPNB en het koor der recensenten, journalisten en overige medialui kraaiden twee jaar terug nog: ‘De Nederlandse literatuur bestaat niet meer, is allang multicultureel geworden!’ Intussen werden tientallen multiculturele Nederlandstalige schrijvers gestraft omdat ze hadden vergeten in het Engels te schrijven. Cult-uitgeverij Vassallucci haalde nog een jochie van de schoolbanken om hem een roman te laten bakken waarmee ook hij een fatwa over zich heen zou krijgen. Kan het dommer? Je moet nu echt voor je kop geschoten worden als je zo nodig die boekentoptien in wilt. Dan ben je beroemd. En dood. Ongevraagd dan, hè? Mocht de CPNB ooit zelf de moord stikken, dan zijn we nog niet verlost van de CPGP: de Collectieve Propaganda van Gods Prullenbak. Wat dát is? Windows heeft er in elk geval een icoontje voor… Click! Weet u zeker dat u de rouwfolder naar de prullenbak wilt verplaatsen? Ja / Nee.

Haagsche Courant, vrijdag 14 maart 2003

Hetzelfde liedje

logo alfred birney Weet je wat er zo vervelend is aan een jury? Het is een jury. Een commissie van schimmige leken aan wie tijdelijk een zeker gezag wordt toegekend. Waarborg is de vette merknaam die achter zo’n jury prijkt. Interessant is te weten wie die juryleden nou eigenlijk precies zijn. Met een beetje moeite is daar wel achter te komen. Maar dan. Door wie is die jury samengesteld? Wie zitten erachter? Wat zit erachter? Waar lopen de wandelgangen tussen uitgevershuizen, juryleden en media? Welke wind waait er door die gangen? Neem zo’n AKO-Literatuurprijs. De samenstelling van de jury verandert elk jaar, de namen der genomineerden nauwelijks. Er zit altijd wel een Brouwers, Dorrestein, De Moor, Mulisch en nog een Vlaminkje bij. Rond de boekenweek twee jaar geleden blaatten critici, docenten en overige schapen in koor dat de “Nederlandse” literatuur niet meer bestond. Ja, Nederlandstalige multiculturele schrijvers zat, toch moest men zo nodig een zekere Engelstalige megaster het Nederlandse boekenweekgeschenk laten verzorgen. Elk protest werd afgedaan als “nationalistisch”, “kortzichtig”, “racistisch” en wat dies meer zij. Het literaire klimaat moest grenzelozer normen en waarden krijgen. Dat liedje heeft niet lang geduurd. Schrijver Graa Boomsma merkte toen al cynisch op: “De multiculturele schrijvers kunnen nu even de kast uit en mogen er daarna weer in.” Het is inmiddels nog erger dan dat. In het huidige normen-en-waardenzoekend klimaat flikkert men in onmiskenbaar Nederlands de hele multiculturele boekenkast de sloot in.

Haagsche Courant, maandag 23 september 2002

Surinaams lintje

logo alfred birney In het kader van de bijscholing van de heer Henk Kraima, directeur van de Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek, laat ondergetekende hierbij per column weten dat het de President van de Republiek Suriname, drs. R.R. Venetiaan, heeft behaagd Franc Knipscheer te benoemen tot Ridder in de Ere Orde van de Gele Ster vanwege zijn verdiensten voor de Surinaamse literatuur. Uitgeverij In de Knipscheer, in 1976 door Franc en zijn broer Jos (1945-1997) opgericht, is betrokken geweest bij de uitgave van zo’n 75 boeken van Surinaamse auteurs uit en buiten Suriname, onder wie Edgar Cairo, Astrid H. Roemer, Albert Helman, Hugo Pos en Bea Vianen. Overigens heeft de multiculturele uitgever van het eerste uur ook een zooi Haagse auteurs in zijn fonds, zoals Pauline van Munster, Mala Kishoendajal en Adriaan Bontebal. Verder was de uitgever de ontdekker van onder anderen Marion Bloem en Leon de Winter, om over zijn prachtige vertaalde fonds nog maar te zwijgen.De versierselen bij de onderscheiding zullen Franc Knipscheer op vrijdag 15 februari in Den Haag worden uitgereikt door Ambassadeur Mr. E.S.R. Amanh. Zal die Kraaimaar vast niet bij aanwezig zijn. Die man leest voor geen ene meter buiten de boekentoptien. Hij die verleden jaar de multiculturalising van de literatuur opeens zo nodig hoog in het vaandel moest schrijven, had toch weleens een auteur uit de stal van Knipscheer het boekenweekgeschenk mogen laten verzorgen. Hardleers als hij is, kan hij maar beter opstappen bij de CPNB. Tomaten verkopen voor Leefbaar Nederland is misschien wel wat voor hem.

Haagsche Courant, woensdag 13 februari 2002
column teruggenomen van een of andere slapende website

Een Indische bladzijde

archipel Toen ik vanwege een blessure aan mijn linkerhand mijn carrière als gitarist vaarwel moest zeggen en me volledig aan het schrijven kon gaan wijden, hadden de bekendste namen van mijn aanstaande collega’s uit de Indische tak van de Nederlandse letteren hun debuten al het licht doen zien. Ik noem er enkele: Marion Bloem met Geen gewoon Indisch meisje, Frans Lopulalan met Onder de sneeuw een Indisch graf en Ernst Jansz met De overkant.

      Deze titels verschenen halverwege de jaren tachtig, een opvallende periode die bol stond van publicaties van Indische schrijvers van de zogenoemde Tweede Generatie. Marion Bloem thematiseerde het Indische identiteitsconflict, Frans Lopulalan portretteerde de Molukse vader en de Molukse gemeenschap in Nederland en Ernst Jansz componeerde een Vatersuche met een compilatie van brieven, anekdotes en een reisverslag.

      Had ik aan die boeken nog wat toe te voegen? Wellicht, maar ik was er nog niet aan toe. Je moet maar durven, zo openlijk over dergelijke thema’s te schrijven. En je moet maar willen.

      In zekere zin koesterde ik vooroordelen jegens mijn gekleurde generatiegenoten. Waren zij in staat om ook over iets anders te schrijven dan hun Indische achtergrond? Ik huldigde de kunstzinnige opvatting dat wil iemand schrijver zijn, hij of zij ook non-autobiografisch werk moest kunnen schrijven. Schrijven was immers een kunst, je moest desnoods een boeiend verhaal over een theelepeltje kunnen neerpennen.

      Met deze opvatting zette ik me feitelijk af tegen mijn eigen generatiegenoten, misschien wat eigenaardig omdat het gebruikelijker is je af te zetten tegen een voorgaande generatie.

      Ongetwijfeld zal ik indertijd onder de indruk zijn geweest van schrijvers die een ogenblik uit het leven van een mens kunnen opblazen tot een heel verhaal of boek, zoals Samuel Beckett, Patrick Modiano en Marguerite Duras. Schrijvers bij wie het er in eerste instantie niet om gaat een verhaal te vertellen maar om een al dan niet beredeneerde beleving uit te beelden. Mij trok dus zo ongeveer het tegenovergestelde van de Indische letteren, waarin juist de vertelkunst op de eerste plaats komt.

      Toen ik begon aan het boek dat later mijn debuut zou worden, Tamara’s lunapark uit 1987, had ik alleen een gevoelsmatig idee van wat het moest worden. Iemand hopeloos laten dolen in schemerige locaties met veel kunstlicht. Een zwartwit-film in de geest van Orson Welles, maar die achterwaarts verteld wordt. Ik slaagde er heel lang in om autobiografische elementen uit mijn leven verborgen te houden, totdat ik in het zesde hoofdstuk mijn held in een kindertehuis terecht liet komen. Hier faalde ik in mijn poging om puur non-autobiogafisch werk te schrijven. Maar goed, wat zou het, ik had toch maar mooi mijn Indische achtergrond onzichtbaar weten te houden.

      Mijn aanstaande uitgever vroeg me waarom ik mijn held geen Indische identiteit had meegegeven. Ik vond het niet ter zake doen, zei ik. Het boek had het helemaal niet nodig. Waarop hij zei dat ik met mijn achtergrond hoe dan ook Indisch was, en dat ik het daarom dus net zo goed wél had kunnen doen.

      Ik voelde nog niet dat er iets zinnigs zat in wat hij zei en ik zal hem wel meewarig hebben aangekeken.

      Mijn eerste boek werd behoorlijk goed ontvangen. Maar… waarom schrijf je niet over je Indische achtergrond? wilden journalisten weten. Want zo’n vraag lok je kennelijk uit met een foto van een Indo op de achterflap van een boek.

Waarom deed ik zo moeilijk over mijn Indische identiteit? Ik verzweeg dat ik mezelf niet wilde profileren als Indisch schrijver. Omdat dat een beperking in zou houden. Men zou voortaan alleen nog Indische boeken van me eisen. Bovendien dreigde het gevaar van onderschatting. De koloniale én de postkoloniale literatuur worden in Nederland nog altijd niet voor vol aangezien. Beroemde titels als Max Havelaar en De stille kracht staan op zichzelf, zoals alle meesterwerken, daar heb ik het niet over. Maar de Indische tak als geheel wordt in vrijwel elk belangrijk literatuuroverzicht genegeerd. Wie bedenkt dat de geschiedenis van Nederland, Indië en Indonesië pas in 2001 voor het eerst een verplicht eindexamenvak wordt op de middelbare scholen, die zal niet vreemd opkijken dat men wat betreft de aandacht voor de Indische literatuur hopeloos achterloopt.

      En dan bestaat er ook nog zoiets als een raciale – ik zeg niet racistische – manier van lezen. Wanneer een totok een Indisch boek schrijft, laten we zeggen Hella Haasse of F. Springer, dan kan zij of hij in een volgende boek naar believen het volgende boek een geheel andere achtergrond meegeven. Andersom ligt het anders. Een Indo die eerst schrijft over hoe ellendig het kan zijn om als gekleurde in een modderpoel als Nederland te moeten leven en opeens in een volgend boek juist over een boerenliefde in de polder gaat schrijven, wordt dan niet meer serieus genomen. De door de pers gewenste thematiek is dan immers verdwenen.

      Bent u een Indo? Schrijft u dan dáárover. Jullie de toko, wij het warenhuis. Totoks die toevallig in Indië hebben gezeten of er zijn geboren, stoppen we wel in het pleziervaartuig van de Nederlandse literatuur.

      Maar ik wenste van meet af aan de vrijheid die niet-Indische schrijvers ook hebben, dus elk thema te kunnen kiezen dat mij de moeite waard leek. Ik kreeg mijn zin, maar werd daarmee wél een moeilijk te plaatsen auteur. Ik hoorde immers niet thuis in de Indische toko, ook niet in het warenhuis, er waren géén kaartjes voor het pleziervaartuig voor mij weggelegd, dus ik moest maar eens een eindje gaan wandelen.

      Nou, met genoegen.

      In mijn tweede boek, Bewegingen van heimwee uit 1989 besloot ik om eens mijn tehuisverleden te gaan thematiseren, juist om van die zogenaamde pure fictie los te kunnen komen. Wat gebeurde er? Er sloop een Indische vader als bijfiguur in. Feitelijk beschreef ik mijn eigen vader. De bladzijden die ik aan hem wijdde bleken later de voorbode te zijn op Vogels rond een vrouw uit 1991, mijn derde roman.

      Toen ik aan dat boek begon, stond mij een speurtocht naar mijn onbekende Chinese grootmoeder voor ogen. Ik maakte er een reis voor naar Java. Eigenlijk wilde ik om mijn Indische vader heen, vanwege zijn oorlogsverleden, dat zo’n zware druk op het gezin had gelegd. Dat lukte niet en zo kregen uitgever en pers dan toch nog het boek waar zij zolang op had zitten wachten: een onvervalste Indische roman van een lid van de Tweede Generatie Indische schrijvers.

      Waarom schrijf je nu opeens over je Indische achtergrond? wilden journalisten weten. Dat deed je eerst toch ook niet? Ja, het is ook nooit goed.

      Opvallend was dat juist dit boek veel aandacht kreeg. De pers, de critici en overige beroepslezers konden nu eindelijk eens een verband leggen tussen de inhoud van het boek en het portret van de schrijver op de achterkant.

      Als ik dan daar was gekomen waar ik kennelijk moest zijn, dan was ik inhoudelijk toch niet bepaald tevreden met mijn derde boek. Er moest een aanvulling op komen met een andere, minder fraaie kant van de Indische vader, namelijk zijn oorlogsverleden tijdens de Politionele Acties en de Bersiap.

      Ik schreef nu zonder enig mededogen over mijn Indische vader. Ik schaamde me er eigenlijk voor en ik hoopte dat het boek, De onschuld van een vis uit 1995, geen succes zou worden. Ik kreeg alweer mijn zin: Adriaan van Dis was mij immers met dezelfde thematiek een paar maanden voor geweest, en had alle aandacht al opgeëist.

      Twee van zulke boeken in zo’n kort tijdsbestek zouden de gangbare Nederlandse thema’s wel erg overschaduwen, je zou bijna gaan denken dat ze bang zijn dat Nederland nog altijd niet zonder de kolonie Indië kan. Nederland kan zijn geschiedenis niet vertellen zonder hun 400-jarige aanwezigheid in de Oost, maar critici willen het niet weten. De oorlog met Duitsland krijgt altijd voorrang, daarover kan nog altijd niet genoeg verschijnen.

      Wat mijzelf betreft wilde ik terug naar de literaire bron van mijn schrijverschap, moe en innerlijk geradbraakt na het schrijven van zulke gevoelige zaken als het oorlogsverleden van mijn Indische vader. Ik kreeg heimwee naar mijn geliefde verteltechniek in kreeftgang, zoals ik dat in mijn debuutroman toepaste. Zo ontstond het poëtische Sonatine voor zes vrouwen uit 1996, een boek dat werd genegeerd door de recensenten van mijn Indische boeken, uitgezonderd de recensenten die uit België komen, waar ze minder enggeestig mijn boeken het predikaat ‘Nederlands’ of ‘Indisch’ meegeven.

Het kan lang duren eer je erachter komt wat je eigenlijk bezielt om te schrijven. Soms is het voor je ontwikkeling nodig om eens flink wat te gaan lezen, zodat je je plaats duidelijk kunt bepalen. Ik kampte toevallig met geldzorgen en mijn nieuwe uitgever zocht al even toevallig iemand die een bloemlezing Indische literatuur wilde samenstellen. Mijn uitgever kende geen idealisme, hij zag er louter brood in, want elk jaar was er wel een Indisch boek in de toptien te vinden. Van totoks overigens.

      Mijn uitgever bood me een bedrag waarvan ik de eerste maanden mijn huur en mijn eten kon betalen, maar het was mijn eer te na om maar even iets in elkaar te flansen. Een bloemlezing uit de Indische letteren moest dan wel een serieuze uitbreiding zijn van wat de nestor van de Indische letteren, Rob Nieuwenhuys, al een kwart eeuw eerder met zijn bloemlezingen had gepresenteerd. Ik haalde mijn boekenkast overhoop en het bleek dat ik met de jaren veel meer Indische literatuur had gelezen dan ik had gedacht. Er zaten namen bij die gemakkelijk konden toegevoegd worden aan wat Rob Nieuwenhuys eerder had gebloemleesd. Maar dat ging mij niet ver genoeg. Ik wilde iets anders.

      Ik raadpleegde zogenaamde kenners van de Indische literatuur en vroeg hen of de geschiedenis van de Indo al eens in kaart was gebracht. Nou, als je uit de honderden geschiedenisboeken er een handjevol kon halen, dan was je knap. En in de literatuur bestond er al helemaal niet zo’n overzicht.

      Dat verbaasde me. De geschiedenis van de Indo houdt immers niet op bij de onafhankelijkheid van Indonesië, nee, die gaat door tot de dag van vandaag, ín de herinnering én in de ervaring die Indo-kinderen van hun ouders hebben meegekregen.

      Ik ben teksten gaan selecteren op hun inhoud en heb de literaire toetsing ondergeschikt gemaakt aan wat ik wilde tonen. Dat werd een heikel punt voor de kenners onder de recensenten, die me nariepen waarom die en die en die niet in de bloemlezing stonden. Hun suffige artikelen irriteerden me dermate dat ik een fel naschrift schreef in de Pasarkrant van 1999. Het is een gratis te verkrijgen krant die tot in alle Indische uithoeken gelezen wordt, dus ook door die recensenten.

      Wat is Indische literatuur eigenlijk en wie behoren daartoe te worden gerekend? Dat was het thema van een lezingenmiddag die de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde enkele maanden later in Leiden organiseerde naar aanleiding van ‘een aantal in de laatste jaren verschenen publicaties die grote verschillen van mening blootleggen…’

      Ik neem aan dat mijn eigenwijze bloemlezing Oost-Indische inkt uit 1998 ook tot die publicaties behoren. Immers twee panelleden op die lezingenmiddag hadden het boek voor Vrij Nederland en het NRC gerecenseerd en een derde lid, Bert Paasman, had me geholpen met het napluizen van biografische gegevens van enkele onbekende auteurs.

      Als schrijver speel ik een enigszins dubbele rol door met de publicatie van mijn bloemlezing enige richting te geven in de canonisering van de Indisch-Nederlandse, Nederlands-Indische, de koloniale, de postkoloniale… kortom: de Indische letteren. Eigenlijk zou je je als schrijver niet moeten bemoeien met literair-wetenschappelijke vraagstukken. Maar een vuurtje opstoken is weleens nodig.

      Je blijft toch wel gewoon boeken schrijven, hè?

      Jazeker.

      Maar zijn die boeken van jou nou Indisch of niet?

      Zijn ze het in feite niet altijd? Ja, ik geef het toe: ik heb er zelf óók lang over gedaan om dit antwoord te vinden.

* * *

Lezing geschreven voor de Conferentie 30 jaar Studie Nederlands, Universitas Jakarta, 2000

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Kopi Birnie Tubruk

Mijn voorouders hadden hun familiehuis aan de Brink nr zoveel in Deventer en koesterden een haat-liefdeverhouding met de makelaars in koffie aan de Amsterdamse grachten. Geen idee waar de familie Heyn uithing rond de eeuwwisseling. In elk geval heeft Albert Heyn thans in zijn Perla-serie een koffie met smaaktype 4 onder de naam Java Gunung Blau. De koffie smaakt bijzonder, om niet te zeggen uitstekend, maar er deugt iets niet aan de informatie op de verpakking, aan de prijs en niet in de laatste plaats aan de benaming.

Albert Heyn meldt op de verpakking dat deze koffie afkomstig is van het Idjen Plateau op de uiterste oostpunt van Java. Dat klopt. En dat hun inkopers de van oudsher Hollandse plantage Gunung Blau opnieuw hebben ontdekt. Nou, dat werd dan eens tijd, maar dan moet je niet gemakshalve spreken over een Hollandse plantage. Mijn oudoom David, die het destijds onherbergzame Idjen Plateau in cultuur bracht, was namelijk geen Hollander maar een Indo, dus de plantage was Indisch, nogal een verschil met wat je Hollands noemt.

De koffie smaakt dan ook Indisch, licht gepeperd, en zijn aroma kan moeilijk ‘rond’ genoemd worden, zoals op het pak staat. Ik zou een aroma met smaaktype 4 vierkant noemen, net als de Birnies, die waren ook vierkant, kijk maar naar Carel Birnie, de oprichter van het Nederlands Dans Theater. Die man overleefde 12 gemeentebesturen eer hij zijn theater in het Haagse mocht neerpoten en dat kon hij omdat hij vierkant was. De ronding in de architectuur van het theater moet dan ook worden gezien als een tegemoetkoming aan die gemeenteambtenaren die koffie met een rond aroma drinken. Maar vierkante mensen zelf drinken vierkante koffie, meneer Albert Heyn.

De eerste uit het vierkante ondernemersgeslacht Birnie was ooit begonnen met het vervaardigen van dweilen en zeildoek. Zijn zoon liet de fabriek uitgroeien tot de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. In 1848 kreeg de fabriek het moeilijk en de directeur verzoop zich met een steen aan zijn voet in een meer, waarop de orders weer begonnen binnen te stromen. Maar zijn zoon George, mijn overgrootvader, had er geen zin in om in de voetsporen van zijn vader te treden. Met het diploma van de bestuursacademie te Delft op zak zeilde hij op 12 oktober 1852 uit met de ‘Gertrude’ voor een carrière bij het Binnenlands Bestuur op Java. Hij baalde er vast van dat hij niet ergens in de Vorstenlanden was geplaatst.

Met het onherbergzame Djember onder zijn toezicht kreeg hij als controleur op zekere dag bezoek van de resident van Besoeki. De resident zag dat er grote schade was aangericht door arbeiders, die in grote getale in de schaduw van vernielde bomen zaten en hij, de resident, beklaagde zich over die ‘zwarte apen’ bij de controleur, die deze opmerking niet bijzonder gepast vond. Die avond schreef George Birnie in zijn als ambtenaar bij te houden dagboek dat er sedert het bezoek van den resident geen apen meer in de gouvernementstuinen te zien waren.

Geinig, zo’n overgrootvader. Niet voor het bestuur, want die achtte het hoogstgewenst de controleur over te plaatsen naar een nog onherbergzamer district, met een verhoging van het traktement, dat wel. Maar nee, George Birnie zag er een verbanning in, nam ontslag en trok de planterslaarzen aan. Zeven jaar na zijn uitzeilen begon hij met het planten van tabak en tweemaal zeven jaar later was hij rijk, een gevierd man die meteen die vlieg van een Busken Huet op zijn huid kreeg. Deze om poen bedelende criticus zat namelijk chronisch omhoog zat met zijn noodlijdende krant. En hij, de rijke planter, spekte die conservatieve krant dan maar, al walgden Busken Huet en zijn vrouw van het idee dat deze George Birnie met een zogenoemde inlandse vrouw was gehuwd.

Inzet was het tegengaan van het opheffen van het Cultuurstelsel. Die strijd verloren ze, maar de eerstgeborene uit George en zijn Oost-Javaanse vrouw – David – zou wel raad weten met de nieuwe Agrarische Wet. Van vader George leerde David hoe een sigaartje te roken met lui bij wie landbouwvergunningen moesten worden versierd, hoe je ze met whisky dronken voerde en bewoog de ganzenveer in Oost-Indische inkt te dopen. Later liet David op zijn beurt zijn vader zien dat koffie een grotere toekomst had dan die zware tabak uit Djember, die het zou gaan verliezen van de lichtere tabak uit Deli. De stoere Indo schrok niet terug van de kou en de mist op het vulkanische Idjen Plateau, waarvan Albert Heyn een plaatje op de verpakking van zijn koffie Gunung Blau heeft afgedrukt.

Smaaktype 4 met een rond aroma, Albert Heyn weet niet helemaal wat hij in handen heeft. Nou ja, een beetje, want deze koffie kost per pak van 250 gram fl 4,95 en dat is gemiddeld anderhalve gulden meer dan, zeg, een pak koffie van Van Nelle. De Birnie-koffie – want zo moet die eigenlijk heten – wordt geleverd in een speciale luxe verpakking en wordt niet vacuüm verpakt. Is dat een voordeel? Ik weet het niet. Als je eens even een voertuig nodig hebt om in het holst van de nacht naar de andere kant van Den Haag te crossen voor een pakje tabak bij de benzinepomp, dan kun je met zo’n vacuüm getrokken straatklinker van Van Nelle tenminste nog een gabber van zijn bromscooter af keilen.

Albert Heyn wil met een glossy verpakking de suggestie wekken dat zijn Perla Gourmet Java Gunung Blau in snelfiltermaling niet anders dan zo duur kan zijn. Op de voorkant van de knisperende folie vinden we een zegel, zeggende koffiebranders sinds 1895. In het zegel een kop van een zo te zien Indisch-Chinese heer. Zou een apotheker kunnen zijn, ik zie er althans geen kop van een vierkante planter in.

Aangezien Albert Heyn niet direct laat zien onze Indische geschiedenis een beetje te kennen, het kennelijk heeft gelaten bij het doorbladeren van de Max Havelaar alleen, dan zou ik hem adviseren in het zegel de kop van mijn grootvader Willem te plakken, de man die nog geen koffieboon van een tabaksblad kon onderscheiden en voortdurend achter de vrouwen aan zat.

In het huidige Indonesië is de rupiah zo weinig waard dat zelfs bedelaars geen muntgeld van je aannemen en ik maak me sterk dat je daar momenteel niet voor een koopje je koffie haalt.

Mijn voorouders hadden hun familiehuis aan de Brink nr zoveel in Deventer en zijn ooit begonnen met het invoeren van vaste koffieprijzen. Als die daar nog gelden en Albert Heyn geen corruptie kent, dan nog hoeft een bijzondere koffie niet extra belast worden met een onduidelijke toeslag voor een onduidelijk doel. Een prijsverschil van anderhalve gulden met een redelijk goede koffie moet elders terug te vinden zijn.

Wat voor geschenken worden er geboden aan de noeste spaarder van de waardepunten aan de zijkant van het pak? Zal wel weer koffieservies zijn… Albert Heyn, luister! In de huidige tijd dient u uw overmatige winsten aan te wenden voor sponsoring van culturele projecten! Nu het Fonds voor de Letteren voor de kranten van de leerlingen van Busken Huet op de knieën dreigt te gaan en zich laat ringeloren door een staatssecretaris van cultuur, die geen onderscheid kent tussen een schrijver en een ondernemer, geef ik u in overweging om althans die enkele gesubsidieerde Indische schrijver uit de contemporaine Nederlandstalige literatuur in staat te stellen zijn verhaal over het Birnie-imperium te vertellen. Gebruik dus voor uw waardepunten de boekomslagen van Alfred Birney, zodat de liefhebber van uw vierkante koffie voor het complete oeuvre van deze schrijvende nazaat van uw geliefde planters kan gaan sparen.

Met de hartelijke groeten uit het familiehuis aan de Brink nummer zoveel, Deventer,

Alfred Birney © 2000

Voorgedragen door Maarten van Rossem alias Droogstoppel in Amsterdam, De Balie, in het kader van ‘Adieu 19e eeuw’, op dinsdag 14 november 2000, 20:00 tijdens een schrijversparade rond Multatuli’s ‘Pak van Sjaalman’, met Maria Barnas, Karel Glastra van Loon, Adriaan Jaeggi, Atte Jongstra, Mariët Meester, Wanda Reisel en Pauline Slot, terwijl die slome Cyberney verstek moest laten gaan vanwege griep dit en griep dat, jetlag dit en jetlag dat, allemaal opgelopen na een lood- en loodzwaar wereldtournee, tijdens welke hij, die dekselse Cyberney, zich in het bijzonder sterk maakte voor zijn schrijvende generatiegenoten, die weer op hun beurt verzuimden hem tijdig van aspirientjes en appelsientjes te voorzien opdat hij zich van zijn wederom loodzware taak kon gaan kwijten het podium van De Balie van enige kleur te voorzien, zodat het massaal opgekomen publiek niet direct met tomaten zou gaan gooien enz. enz., om kort te gaan: Cyberney heeft tinka’s, zoals al die blauwen, vraag maar aan Frans Lopulalan en zijn schildknaap Joro.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Apartheid in de literaire kritiek

Korte verhalen hebben hun geschiedenis. Wilde je halverwege de jaren zeventig schrijver worden, dan stonden de regels al vast. Ideaal was om met poëzie te beginnen, je vervolgens aan het korte verhaal te wijden en dan de sprong te maken naar de roman. Die route, zeiden ze, hadden de huidige arrivés bijna allemaal afgelegd. Poëzie als stijloefening, het korte verhaal als vingeroefening. Natuurlijk werd de poëzie hier heel braaf beschouwd als de hoogste vorm van literaire kunst, maar het waren vooral de romans waarover in de literaire salon werd gesproken. Tussen de genres in lag het niemandsland van het korte verhaal: speelplaats voor debutanten.

Als er één positief aspect aan de traditionele route van de schrijver kleefde, dan was het wel dat er bijzonder werd gelet op stijl. Helaas verstond men onder stijl voornamelijk een erudiete manier van schrijven. Wist je te suggereren dat je je klassieken goed kende, door middel van speelse verwijzingen bijvoorbeeld, dan zat je goed. Je bewees dan in elk geval dat je niet van de straat was. Uiteraard met de westerse klassieken in je bagage, de rest van de wereld telde niet mee.

Het was een tijd waarin men niet meer sprak over een kort verhaal maar over een tekst. Je leverde dus een tekst in bij een literair tijdschrift. De redacteuren van die tijdschriften, meestal zelf schrijvers, bekeken de tekst en retourneerden je die met een opmerking over je stijl, in het beste geval met de uitnodiging nog eens wat in te sturen. Een verhaal waarin iets verteld werd, heette anekdotisch, was een zonde en ging rechtstreeks naar de hel van de prullenbak. Pas met een verhaal waarin niets gebeurde, bewees je te kunnen schrijven, juist door niets te laten gebeuren.

Een debuut in een van de literair tijdschriften was belangrijk. Die werden immers uitgegeven door de grote uitgeverijen in Amsterdam. Daar konden ze dan je ontwikkeling als schrijver op de voet volgen en kijken of er al iets over je geschreven werd in de kranten en de invloedrijkste recensenten je misschien al in hun vizier hadden. Was dat het geval, dan kon je eens komen praten. Snel waren ze niet met publiceren. Jij was de wijn die in hun kelders moest rijpen. En wel zo, dat je je enigszins ontwikkelde naar hun normen. Immers: jij was voorbestemd tot hun stal, jou wachtte het keurmerk van hun label, jouw paspoort naar de literaire pers.

In die tijd zag je geen schrijvers uit minderheidsgroeperingen bij de gevestigde uitgeverijen debuteren. Die schrijvers spraken een ander soort Nederlands, en, wat erger was: zij hadden werkelijk iets te vertellen, vooral verhalen die men hier liever niet hoorde of die hen eenvoudig onverschillig liet. Deze schrijvers konden terecht bij de kleinere, idealistische uitgevers, die hen later op hun beurt weer zagen vertrekken naar de rijkere uitgevers, toen die eenmaal geld begonnen te ruiken.

In de jaren zeventig kon een roman of verhalenbundel zeven jaar op de schappen van de winkels liggen wachten om ontdekt worden door het publiek. Momenteel is dat zeven weken. Eerst daalde het proces naar twee jaar in de jaren tachtig, toen het literaire bedrijf big business begon te worden. Literaire tijdschriften werden voortaan doorgebladerd op korte verhalen. Voor de poëzie was dit een harde klap.

Kreeg daarmee het korte verhaal een herwaardering? Integendeel, want je hoefde er maar één schrijven, als een soort proefwerk. Eén goed kort verhaal was voldoende voor een contract en moest desnoods een hele bundel vol haastwerk en troep dragen. Zo’n debuut was meer dan ooit een sprong naar de roman: het genre waar het uiteindelijk om ging en waar het heden ten dage vrijwel alleen nog maar om draait.

Inmiddels heeft het korte verhaal als examenstuk of paspoort afgedaan. En schrijvers worden minder dan ooit beoordeeld op hun werk alleen: hun imago telt zwaar. Imago’s hebben een gezicht en kunnen het stellen met, als het moet, nog minder inhoud dan een literaire vingeroefening. De fusten in de kelders van de literaire tijdschriften zijn ernstig begonnen te rotten, uitgevers zijn achter hun redactiebureaus vandaangekomen en naar buiten gegaan om in jeugdhonken en universiteitskantines de vangnetten uit te werpen.

Op zich is het vreemd dat in het huidige tijdgewricht, waarin informatie met de dag toeneemt, en mensen ook steeds meer informatie uit verschillende kanalen tot zich willen nemen, dat juist nu het korte verhaal weinig serieus genomen wordt. Ik maak me sterk dat al die kopers van die lijvige megasellers, en al die recensenten die die boeken bespreken niet ook ‘s avonds naar de televisie kijken, een uurtje gaan surfen op het Internet, naar de kroeg gaan en concerten bezoeken, of musea, tentoonstellingen en wat er al niet bij een zogenaamd cultureel leven hoort. In zo’n manier van leven zou toch juist het genre van het korte verhaal uitstekend passen.

Het klinkt misschien vreemd, maar een lijvige roman kan zich sneller laten lezen dan een verhalenbundel, interpreterenderwijs welteverstaan, met wat geblader door de minder sterke pagina’s. Een verhalenbundel laat zich moeilijker veroveren: de lezer moet bij elk verhaal als het ware aan een nieuw boek beginnen. En een goed verhaal kent geen zinnen en als helemaal geen bladzijden die men kan overslaan.

Een bundeling van korte verhalen van één schrijver eist meer tijd, aandacht en kundigheid van de recensent om er iets zinnigs te kunnen zeggen. Een aanwijzing hiervoor is de grotere aandacht die anthologieën krijgen. De recensent pikt er een paar schrijvers uit en laat de rest voor wat het is. Mijn verhalenbundel Fantasia heeft na lezing door een recensent nog een aardig verhaal opgeleverd. Daarover straks meer.

Toen ik serieus begon te schrijven, dat wil zeggen, schrijven met het oog op publiceren, had ik een probleem. Het klinkt misschien wat dubbel, maar ik had een vrij groot arsenaal waaruit ik kon putten. Complex ook. Mijn vader was afkomstig uit het voormalige Nederlands-Indië, mijn moeder uit Nederland. Ze ontmoetten elkaar na de Tweede Wereldoorlog in Nederland en gaven mij daar het leven, of het leven mij, een vraag die onuitgesproken in mijn hele literaire werk doorklinkt.

Laat ik nog even bij mijn ouders blijven. In de meeste gevallen lag de verhouding als volgt waar het om een interraciaal huwelijk ging: de man was een Hollander, de vrouw een al dan niet gemengdbloedige uit Nederlands-Indië. Bij mijn ouders lag dat andersom. Mijn moeder werd als blanke vrouw met argusogen bekeken wanneer ze met haar bruine kroost over straat ging. En mijn vader werd beschouwd als een exotisch dier dat er eigenlijk maar beter aan deed naar zijn geboorteland op te krassen, en al helemaal met zijn tengels van een blanke vrouw af te blijven.

Dat hij als gemengdbloedige Indo-Europeaan reeds in Nederlands-Indië een Europees paspoort had en in zijn patriottistische hoedanigheid aan de kant van de Nederlanders had gevochten tijdens de vrijheidsstrijd van de Indonesiërs, daar wist men hier in Holland niets van af. Zij hadden de Duitse bezetting gehad en iedereen met een andere geschiedenis werd niet gehoord, en al helemaal niet als aan die geschiedenis iets ‘koloniaals’ kleefde. Dat Nederland haar welvaart voor een groot deel juist aan die voormalige kolonie Nederlands-Indië had te danken, werd voor het gemak maar even niet onderwezen op de scholen.

De oorlog in Nederlands-Indië – eerst de Japanse bezetting, daarna de Indonesische vrijheidsstrijd en ten slotte de uittocht van 300.000 Indo-Europeanen die de wijk naar Nederland namen – had mijn vader dermate getraumatiseerd dat het hem niet meer gegeven was zoiets als een normaal gezinsleven te leiden. Problemen in het Hollandse maatschappelijke leven, zo anders dan in zijn geboorteland, communicatieproblemen met zijn vrouw, al spraken ze dezelfde taal, racisme die ook zijn kinderen moesten ondergaan, en vooral de achtervolgingswaan die hem parten speelde, maakte hem bij tijd en wijlen onmogelijk om mee te leven.

Het idee dat een harde opvoeding zijn kinderen later weerbaar zou maken, dreef hij te ver door. Zijn rigide lijfstraffen pasten nauwelijks in de cultuur waarin hij terecht was gekomen. En zijn gekte al helemaal niet. Ik was dertien toen ons gezin uiteenviel en moest, met mijn twee broertjes en twee zusjes, mijn verdere jeugd in tehuizen doorbrengen.

Een nieuw leven, ver weg van de verhalen over de oorlog, die mijn vader dagelijks na het eten als dessert op onze borden had gekwakt. Een ander rumoer kwam er voor in de plaats: de hardheid binnen tehuismuren, waar ongeschreven wetten zwaarder telden dan geschreven wetten, waar je moest vechten voor je plaats temidden van twaalf jongens per afdeling, die door één groepsleider in toom gehouden moesten worden. Een ander bestaan, niet minder wereldvreemd dan het leven in het vroegere gemengd-culturele gezin, waarin cultuurbotsingen en verhuld racisme tussen echtelieden voor een kind nauwelijks te bevatten waren.

Op mijn achttiende jaar had ik dus mijn eigen beladen tehuisverleden en droeg ik ook nog dat van mijn ouders vroeger thuis en dat van mijn vaders oorlog in Nederlands-Indië met me mee.

Verder zag de wereld er ook nog eens lelijk uit. Ik was onderhand tenminste de bomen en de velden rond de muren van het tehuis gaan liefhebben. Nu zwierf ik van stad naar stad en verafschuwde ik elke plek waar ik terechtkwam. Het zou nog tien jaar duren eer ik de rust vond ergens langer dan een seizoen te wonen. En zo vond ik ook de rust te gaan schrijven, ik was dertig inmiddels, het werd eens tijd. Maar waarover moest ik nou gaan schrijven?

Een slechte jeugd is een goudmijn voor een schrijver, zeggen ze. Dat betekent niet dat je ermee kunt volstaan je handen aan het papier af te vegen. Voor wie zijn of haar levensverhaal wil vertellen, kan eventueel zonder veel liefde voor het schrijversambacht dat verhaal gratuit op papier smijten en er de loterij van de boekentoptien mee in. Daarvoor is de roman een uitstekend middel. Zeker in de huidige tijd, waarin een boek vooral dik, om niet te zeggen lijvig moet zijn.

Veel woorden over een catchy issue tegen een aantrekkelijke verkoopprijs. Zulke boeken zetten zelfs de meest vooraanstaande critici op het verkeerde been. Je vindt ze veel onder de huidige bestsellers. Sommige komen gelukkig van immigranten en immigrantenkinderen en worden bejubeld, niet zozeer vanwege de literaire waarde, waar men anders de mond vol van heeft, maar denkelijk vanwege de antipropaganda die zulke boeken impliciet bevatten.
Nederlandse critici zijn vrijwel allemaal blank en ik hoor ze zachtjes jubelen: zie je wat voor prachtig democratisch en openminded land wij zijn? Ze wijden hele krantenpagina’s aan één zo’n boek, waarmee ze zichzelf profileren als progressief dan wel als cultureel correct en gaan de volgende dag weer verder met hun geleuter in hun traditionele westerse denken en vooral hun voelen.

Natuurlijk worden er nog altijd verhalen gepubliceerd. Maar dan vooral verzamelde werken van nog levende romanciers die tussen de bedrijven door even hun vingers warm willen houden en liefdeloos hun metroproza voor kranten en weekbladen schrijven, verhalen die je als een hamburger tussen halte 1 en 3 even tot je neemt. Verhalen die naar niks smaken, maar waar althans een beroemde naam boven staat. Het zijn dikke bundels en worden in hardcover voor spotprijzen aangeboden onder titels die tot dan toe alleen verzamelde werken sierden. Het enige aardige is dat zo’n schrijver niet meer eerst hoeft dood te gaan voor er een dergelijk overzicht verschijnt. Minder prettig is, dat het verhaal bijkans alleen nog in honderdtallen gesleten kan worden. Als schrijvers en uitgevers zelf het korte verhaal niet echt meer serieus nemen, ja dan kunnen de recensenten moeilijk achterblijven.

Ik wil niet direct een lans breken voor de overdreven en veelal harkerige stijloefeningen die ooit veel van de literaire tijdschriften bijkans onleesbaar maakten. Woordkunst zonder een duidelijke verhaallijn kan boeiend zijn, maar dan vooral voor wie wil leren schrijven of voor wie intussen zo veel heeft gelezen dat alleen virtuositeit nog kan bekoren.

Toen ik mijn eerste verhalen begon te schrijven, hield ik me veel bezig met vorm en stijl. Die manier van werken bood me het grote voordeel om me niet met het verleden van mijzelf, mijn moeder of mijn vader en zijn plantersfamilie uit Nederlands-Indië bezig te hoeven houden, en al helemaal niet met zoiets als mijn huidskleur.

Ook ik heb geleerd een tekst te schrijven met een dédain voor het narratieve element. Ik heb er geen gewoonte van gemaakt, want ik wilde gaan vertellen, het moest eruit. Dus ben ik gaan zoeken naar een balans tussen vorm en inhoud. Zoek ik dan naar zoiets als het literaire midden? Nee, ik probeer talent en bagage te verenigen. Waarmee het volgende probleem in de receptie optreedt:

Recensenten lijken te beschikken over een linkeroog voor vorm en een rechteroog voor inhoud. Met het linkeroog bekijken ze de verhalen van ‘autochtone’ schrijvers. Met het rechteroog de verhalen van die men hier ‘allochtonen’ noemt (om niet het woord ‘immigrant’ of ‘immigrantenkinderen’ te hoeven gebruiken, wat kennelijk not done en wat mij betreft tamelijk schijnheilig is). Het linkeroog kent een literaire norm. Het rechteroog merkt de werken van immigranten uit niet westerse culturen op, herkent het nog niet en geeft het het voordeel van de twijfel. Zodra beide ogen samen moeten kijken naar het werk van schrijvers die, al is het in de tweede graad, een mengcultuur in zich dragen, gaan ze scheel zien.

Verhalen uit de Nederlandse literatuur die zich afspelen in de lage landen, zijn doorgaans saai. De thema’s verschillen nauwelijks van die uit de andere Europese literaturen. Op zich interessant, maar veel Nederlandse verhalen missen brille, hebben geen schwung, wel emotie maar geen gevoel. De koloniale letteren zijn lang zo saai niet. Het is niet toevallig dat de Nederlandse meesterwerken met de langste adem in Nederlands-Indië spelen. Het zijn de pijlers waarop de Nederlandse literatuur rust: boeken die een Europese vorm en perspectief paren aan een, zeg, exotische inhoud.

Over het leven aan de andere kant van de oceaan viel dan ook meer te vertellen. De kolonie verleidde de Nederlanders tot uitspattingen die in het moederland onacceptabel zouden zijn geweest. Je hoeft maar enkele verhalen uit de koloniale letteren te lezen en losbandigheid, zedeloosheid, corruptie, vrouwenhaat, moordzucht, machtswellust, tovenarij, racisme, seksisme, taalstrijd, spot en laster slaan je tegemoet.

Zijn dat nou de motieven die ze ook van een postkoloniale auteur verwachten? In zekere zin wil men er een vervolg op zien, maar dan wél het liefst in problematisch perspectief. Ben je van gemengde afkomst, dan moet je daar een probleem mee hebben. Zo niet, dan speel je niet mee.

Waarmee een bekend dilemma aan den dag treedt: representeer je een groep of jezelf? In mijn geval: representeer je de Indische groep van je vader, de Hollandse groep van je moeder of beide? Op grond van mijn uiterlijk is het eerste gewenst, niet direct het tweede.

Zo kom je op de vraag: als je beide groepen representeert, doe je jezelf en je kunstenaarschap dan daarmee vanzelfsprekend het meeste recht? Ik draai het liever om en zeg dat ik hoe dan ook beide groepen representeer, zo lang ik trouw blijf aan mezelf. Dat lijkt mij althans vanzelfsprekend.

Waarom geef jij je verhaal geen Indo-Europese achtergrond mee? Die vraag werd mij gesteld toen ik in een tijdschrift debuteerde waarin plaats was voor verhalen waarin ook nog iets verteld mocht worden. Mijn antwoord luidde dat er voor mij geen reden was het verhaal van een Indisch behang te voorzien. Omdat het verhaal dat niet nodig had, er niet om vroeg.

Toen ik daarna een verhaal over een roots-reis naar Indonesië in een krant publiceerde, luidde de vraag: waarom schrijf je nu over je Indo-schap? Dat deed je eerst toch ook niet? Kortom: zwijgen over mijn Indische achtergrond riep een kennelijk dwingende vraag op en het tegenovergestelde ook. Achter die vraag schuilt de eis dat je één van beide groepen vertegenwoordigt. Beide groepen tegelijk vertegenwoordigen wordt (onbewust?) gezien als vals spel, onduidelijk gedrag, op zijn ergst als verraad.

Elke lezer kent het fenomeen van zich willen verzetten wanneer je een verhaal begint te lezen. Dat is de gewone uitdaging van de lezer aan het verhaal: kom op, verover me maar. Hier gaat het om een ánder verzet. Ze willen niet veroverd worden, ze willen gewoonweg lezen wat ze van je willen lezen.

Voor mijn verhalenbundel Fantasia uitkwam had ik louter romans gepubliceerd. Afgaande op de receptie van mijn romans was één ding duidelijk geworden: er waren recensenten die alleen mijn ‘Nederlandse’ romans bespraken en er waren er die alleen voor mijn ‘Indische’, of ‘postkoloniale’ romans belangstelling hadden. Uitzonderingen op die apartheid zaten niet in Nederland maar in België, waar men dezelfde taal spreekt als hier maar althans niet zit opgezadeld met een koloniaal verleden in de Oost, om maar even te zwijgen over hun eigen koloniale verleden in Congo.

Recensenten die de vinger wisten te leggen op één overkoepelend thema dat in ál mijn verhalen en romans terugkeert, kwamen dus uit het buitenland. Zij noemen het eenvoudig ‘vervreemding’, een thema dat terug is te vinden in de hele wereldliteratuur. Dat thema kan verbonden worden met kwesties rond iemands afkomst, verleden, sekse, seksuele geaardheid, neurosen, fantasieën, gekte, kortom met alles wat je je maar kunt indenken. Vervreemding kent geen vasteland, vervreemding zoekt ernaar. En zolang het niet gevonden is, is de vervreemding het vasteland zelf.

Natuurlijk heeft de lezer het recht de vervreemding die mijn protagonisten beheerst, te kunnen plaatsen. Ik geef die lezer althans het vasteland van de taal en het verhaal. Maar de recensent, de beroepslezer, wil meer. Die wil op zijn beurt de lezer tonen dat hij de schrijver die hij bespreekt volledig begrijpt dan wel doorziet. Daarom zijn schrijvers die zich op welke manier dan ook duidelijk profileren voor hen gemakkelijker te bespreken dan zij wier werk een persoonlijke synthese ademen van diverse culturele invloeden die zij hebben ondergaan.

Wanneer ik een verhaal schrijf zonder een expliciet Indisch accent, dan is dat verhaal nog altijd geschreven door iemand die Indische accenten in zich draagt. Vanuit mijn achtergrond leg ik vanzelfsprekend andere accenten, ook zónder die achtergrond expliciet te berde te brengen. En dát is nu juist iets waar men geen oog voor heeft of wenst te hebben.

Ik vind niet dat ik, om maar wat te noemen, een spookverhaal tegen een Indische achtergrond hoef te plaatsen om het voor een Nederlandse lezer geloofwaardiger te maken. Een spookverhaal is in Indische kringen niets bijzonders, in Nederlandse kringen nog altijd wel. Daarom moeten spookverhalen bij voorkeur uit het buitenland komen. Of van een schrijver zoals ik, maar dan wél geplaatst in een Indisch kader. Dan kunnen ze je een plaats geven en vorm je verder geen bedreiging voor de ‘autochtone’ auteurs, die zo hun eigen thema’s hebben en die men kennelijk voor die groep gereserveerd wenst te houden. Wij de magie, zij de liefde.

In het hedendaagse Nederland, waar men de mond vol heeft van ‘multiculturele uitingen’, wordt een separatisme gehandhaafd die teruggaat tot ver in de koloniale geschiedenis van het land. Niet wenst men hier tot zoiets als wederzijdse beïnvloeding te komen. Nee, men wenst dat iedereen zijn eigen cultuur binnenskamers houdt. Men kan dat aflezen aan de boeken van, daar gaan we weer, ‘autochtone’ schrijvers, die in een periode waarin de discipline ‘filosofie’ mode was, bol stonden van de verwijzingen naar de meest uiteenlopende Westerse filosofen. Oosters gedachtegoed wordt in het beste geval beschouwd als een aardige uiting van een andere cultuur, passend bij ‘allochtone’ schrijvers. Zij mogen sprookjes vertellen, Hollandse rivieren verleggen en geesten over de Amsterdamse grachten laten zweven.
De ‘autochtone’ schrijver die dat doet, wordt gestraft dan wel overdreven bejubeld, vooral als hij of zij als blanke dat ‘goede oude Nederlands-Indië’ nog heeft meegemaakt en er nog maar eens, als de zoveelste in vier eeuwen letterkunde, de Eurocentrische blik over laat schijnen.

Ik vraag me af wat de recensenten zouden doen met een liefdesverhaal spelend in de Hollandse polder, geschreven door een Marokkaan. Misschien toch maar heel hard juichen omdat nu dan eindelijk die langverwachte multiculturele droom gestalte heeft gekregen in de Nederlandse letteren? Daar zullen ze dan toch zeker eerst een symposium over willen beleggen. Even elkaar besnuffelen om te zien of er geen luchtje van schaamte rond hun zetels hangt.

Als schrijver met een Indische achtergrond, geboren en getogen in Nederland, feitelijk ‘autochtoon’ noch ‘allochtoon’, ben ik belast met het erfgoed van mijn vader én dat van mijn moeder: een Indo uit het voormalige Nederlands-Indië en een schoenmakersdochter uit het zuiden van het land. Ik herinner me dat mijn Nederlandse grootvader mij als kind spijkertjes liet wegen in zijn schoenmakerij. Die werden voor 15 cent per zakje verkocht aan arme mensen die zelf hun schoenen moesten repareren.

Ik zie na twaalf jaar schrijversschap nog altijd geen noodzaak om een jongetje dat in de schoenmakerij van zijn grootvader spijkertjes staat te wegen, een Indische achtergrond mee te geven. Ik heb weliswaar de keus, afhankelijk van wat ik wil tonen. Maar elke keus houdt in het huidige tijdsgewricht een diskwalificatie in. Geef ik het jongetje een bruin gezicht, dan tel ik niet meer mee met de Nederlandse letteren. Geef ik het jongetje een wit gezicht, dan tel ik niet mee met de Indische of postkoloniale letteren.

Tot nog toe heb ik het meestal zó gedaan: mijn protagonisten géén gezicht meegegeven. Wat ik ze áltijd heb meegegeven is een gevoel van vervreemding, met de achterliggende vraag: wat doe ik hier?

Als schrijver wens ik uiteraard te worden beoordeeld op mijn kunstenaarschap en niet op mijn afkomst, die in vette letters in een flaptekst op mijn boeken komt te staan. Die behandeling geven ze blanke schrijvers ook niet wanneer ze eens zin hebben een verhaal in het voormalige Nederlands-Indië te situeren. Ja, hen wordt zoiets zonder meer toegestaan en daarna mogen ze weer overgaan tot de orde van de dag. Leest u die laatste vier woorden nog maar eens.

U heeft nog een verhaal van mij tegoed. Toen mijn verhalenbundel Fantasia op de markt kwam, bleven de recensies vrijwel uit. Dat overkomt wel meer schrijvers, verhalenbundels zijn niet populair bij recensenten, maar zo’n magere ontvangst was ik toch niet gewend.

In die periode maakte ik kennis met het Internet. Mijn broer bouwde een website voor me en er begonnen e-mails binnen te rollen. Op zekere dag meldde zich een recensent. Hij wilde alleen maar even zeggen dat hij mijn website zo mooi vond.

Nou, dank u wel.

Er ontwikkelde zich een correspondentie per e-mail en hij liet zich ontvallen dat hij binnenkort aan mijn verhalenbundel zou beginnen. Een tijdlang hoorde ik niets. Toen mailde hij me dat hij mijn verhalenbundel had gelezen, dat hij had genoten van de stijl maar dat hij zo gauw niet wist wat hij erover moest schrijven.

Waarom niet? Nou, hij had geen kapstok om de verhalen aan op te hangen. De recensent gaf me het advies om voortaan bij elke nieuwe uitgave met een persmap te komen, liefst met een review van mijn oudere werk waartegen het nieuwe werk geplaatst kon worden. Kortom hij vroeg me of ik voortaan niet zelf alvast de helft van zijn recensie wilde schrijven, dan maakte ik het hem een stuk eenvoudiger. Ik had het al vermoed, dat ze lui waren, die recensenten.

Ik heb de man, die overigens behoort tot de groep van recensenten die alleen mijn postkoloniale boeken bespreken, geen sleutel tot mijn verhalen gegeven. Dat was mijn eer te na. Een recensent moet mijn verhalen waardig zijn, behoort de kunst van het lezen te verstaan.

Wat is een goede lezer? Eén die niet alleen met de ogen maar ook met het gevoel leest. Ik vertrouw op mijn publiek. Dat kan mijn verhalen waarderen zonder verhaaltheoretische kennis, zelfs zonder kennis van de achtergronden van de mengcultuur die een schrijver indirect representeert. Kwestie van openstaan. Voor wat mijn recensenten aangaat, die mijn persoonlijke vervreemding alleen maar bevestigen, veronderstelt dat onderhand wel het aanleren van een andere manier van lezen. Waarmee de vraag blijft wie van de beroepslezers bereid is opnieuw te leren lezen.

Oorspronkelijk geschreven voor de Amerikaanse lezer naar aanleiding van de Sixth International Conference on the Short Story, october 2000, Iowa, USA.

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

de Engelenverzen, de Derde Generatie en de CPIB

De Boekenweek 2001 heeft een hoop pennen in beroering gebracht. Ziezo, zullen de propagandisten van het Nederlandse Boek, de CPNB, denken, de eerste slag is binnen. Aan zoveel voortijdige aandacht is de CPNB toch niet gewend. Wie maakt zich nou druk om een boekenweekgeschenk? Maar ja, boekenproducenten vinden zichzelf in de huidige markthysterie belangrijker dan schrijvers, dus ze moeten mee met de tijd, die CPNB, niet? Je zou bijna gaan denken dat het om een uitgekiend scenario gaat: ze nemen een hot issue als thema, ze vragen een buitenlandse en in het Engels schrijvend auteur het boekenweekgeschenk te schrijven en vervolgens staan ze de pers te woord met de meest stompzinnige argumenten die ze maar kunnen bedenken. Ja, zo krijg je wel de pennen in beroering. En niet alleen dat, óók de uitgevers, je eigen achterban dus, trap je eens lekker op de tenen. Kunnen die eens voelen wie hier de macht heeft.

Nou, de uitgevers laten zich niet onbetuigd. En hoe. Hierover berichtte het Yournael al eerder in de afleveringen 2 & 13. U weet wel: die lui van Vassallucci bijvoorbeeld. Die laten er mooi geen gras over groeien. Ze hebben namelijk inmiddels hun oog laten vallen op ene Said El Haji, een tweedejaars student Nederlands, die momenteel hard aan zijn debuutroman werkt. De dagen zijn immers voorbij dat je eerst maar eens met iets goeds op de proppen moet komen voor men aanstalten maakt een boek van je uit te geven. In het kader van de multiculturalising is het al genoeg om Said te heten en aan een studie Nederlands bezig te zijn, want dan ben je toch mooi van de straat en van de straat, als u begrijpt wat ik bedoel.

Enfin, Said El Haji, die we met een beetje aandacht maar even vooruit zullen helpen, werkt momenteel onder de ‘harde leiding’ van Vassallucci aan zijn boek, een product dat in oktober dit jaar uit zal moeten komen. Ja, ruim vóór de boekenweek, zodat ze als het effe kan Salman Rushdie de wind uit de zeilen kunnen nemen. De roman heeft als werktitel De dagen van Sjaitan, maar het zal vast wel De engelenverzen gaan heten of iets dergelijks. Immers: Vassallucci heeft de debutant-in-spe een fatwa beloofd. Het zal wel niet in zijn contract staan, maar die ayatollahs hebben ook allemaal een GSM-metje en Vassalucci zal beslist pogingen ondernemen om hen draadloos ervan te verwittigen dat de hoofdpersoon uit de aangekondigde roman van Said El Haji toevallig wél Sjaitan heet: Duivel! Zo, die zit, als jullie dat maar weten.

De tweedejaars student Nederlands uit Leiden verzucht: ‘Schrijven wordt nu echt werken, en eigenlijk is het minder plezierig.’ Ja joh, schrijven is inderdaad werken: hard werken en weinig verdienen. Als je ze vragen waarom je dan wel schrijft, zegt dan nooit waarom, want dat snappen ze toch niet. Tenzij je levensmoe bent en werkelijk een fatwa over je heen wilt krijgen. Nou Said, het Yournael schreef het al in aflevering 5: werkelijk onderdak bieden, doen uitgevers niet aan hun auteurs. Als jij een fatwa over je heen krijgt, strijken zij de poen op. Jij je doodskist, zij hun aandelen in je grafzerk. Maar… het moet gezegd: Vassallucci is tenminste duidelijk. De uitgever windt er geen doekjes om: allochtoontjes zijn in en Vassallucci’s only in it for the money.

Nee, dan Uitgeverij Querido. Die komt daar even met een persbericht waar de schijnheiligheid vanaf druipt. Querido organiseert een schrijfwedstrijd dat aansluit bij het thema van de boekenweek. Querido bekent namelijk kleur. Tjonge, daar komt spuit elf van de Grachtengordel. De deelnemers moeten dan ook ‘niet-Nederlanders’ zijn, omdat de uitgeverij haar fonds wil uitbreiden met niet-Nederlandse schrijvers.

Wat niet-Nederlandse schrijvers zijn, dat weet ik even niet. Zijn het schrijvers zonder Nederlands paspoort en any colour of schrijvers met een verse Nederlandse nationaliteit en een kleurtje? Enfin, wat ze beloven is dat voor de beste schrijvers ‘een flink prijzenpakket staat te wachten’:

1. Een begeleiding in hun schrijfcarrière,
2. Een optreden op het Crossing Border Festival, Amsterdam,
3. Publicatie in de bundel ‘Querido bekent kleur’.

Een begeleiding in de schrijfcarrière. Huh huh, staat er zeker een lul-de-behanger van een redacteur over je schouder mee te lezen en te roepen dat er meer seks in moet, nóg meer duivels, meer hoofddoekjes en wat minder spruitjes. Of: zo’n onbenul geeft de schrijver-in-spe een voorbeeldige roman mee van Hugo Claus voor het leren hanteren van perspectieven, van Harry Mulisch voor het juiste gebruik van de puntkomma, en van Cees Nooteboom voor een cursusje studentikoos citatendropping. Van niet-westerse literaturen heeft de doorsnee redacteur toch geen kaas gegeten, zo er al kaas van kan worden gegeten, maar dit terzijde.

Het Yournael zegt het bericht van Querido voort!

De wedstrijdvoorwaarden zijn als volgt:

1. Het verhaal mag niet eerder zijn gepubliceerd.
2. De deelnemer mag niet jonger zijn dan 16 jaar en moet van niet-Nederlandse afkomst wezen.
3. Het verhaal moet zijn geschreven in het Nederlands, Engels of Duits en niet meer dan 5000 woorden tellen.
4. Het geheel moet op diskette worden ingeleverd bij: Uitgeverij Querido, onder vermelding van: Verhalenwedstrijd, Antwoordnummer 11589, 1000 RA Amsterdam.

Waarvan acte.

Wat een vuile discriminatoire zooi is het daarro langs de Grachtengordel, jemig zeg. Je mag niet eens meer gewoon lekker boerenhollands zijn, je mag geen 15 zijn, zoals een beetje tennisser, maar je mag ook weer niet in het Turks of in spijkerschrift schrijven. Waar moet een, zeg, derde generatie-Indo nou naar toe met zijn of haar tempoduurtmaarvoortproza, om maar even wat te noemen? Een Indo heeft natuurlijk weer de pech dat-ie Indo is, dus Nederlands, en zowel niet als wel van Nederlandse afkomst. Ja, beetje ingewikkeld blijft dat toch. Hebben ze geen wedstrijden voor bedacht nog. Zullen ook wel niet komen, die wedstrijden.

Nu ik het er toch over heb: waar blijven ze met hun proza, die derde generatie Indo’s? Hebben zij niet hun eigen thema soms? Er zijn er die zich uiten in wetenschappelijke publicaties, zoals Esther Captain, of in hun eentje de Pasarkrant vol schrijven, zoals Siem Boon. Maar ja, die Siem Boon dat is weer geen derde maar tweede, of twee-en-een-halfde generatie, daar wil ik even vanaf wezen. Bij mijn weten zijn de jongste Indische schrijvers van 1953: Frans Lopulalan, Glenn Pennock en Dinges. Met een beetje peper in de kloten kunnen die allang grootvader zijn. Nou: waar blijven hun kinderen? Is de derde generatie al uitgeluld voordat ze ook maar zijn begonnen met lullen? Let wel: ik heb het over het schrijven van proza, fictie. Verhalen. Novellen. Romans. Wetenschappelijke artikelen worden niet door het gewone volk, zeg maar het publiek van Vassallucci en consorten, gelezen. Het volk wil verhalen! Dus: géén wetenschappelijke opstellen over waarom Indo’s niet zo maar even met Indo’s zoenen. Maarrr… een roman die leidt naar het moment waarop de ene Indo de andere niet of juist wel zoent.

Ja, waarom?

Weet ik het. Moet je de derde generatie eens vragen. Want die begint zich te vermengen met Saids en Rachida’s. Straks is die El Haji de derde generatie nog voor. Met: De kus van Sinjo Roy in de tweeduidend-en-eerste nacht of zo. En moeten we weer een hele generatie lang lezen hoe anderen over Indo’s schrijven.

Weet je wat? Het Yournael van Cyberney & Co schrijft een verhalenwedstrijd uit. Alleen zij die tenminste één tweede generatie-Indo als ouder hebben, mogen meedoen. Aantal woorden: 999. Taal: Nederlands, krom-Hollands of petjôh. Thema moet aansluiten bij de boekenweek.

Prijzenpakket:

1. Publicatie in het Yournael van Cyberney & Co;
2. Eigen webpage in het Yournael van Cyberney;
3. Begeleiding door hoofdredacteur Papa Cyberney;
4. Optreden op de Pasar Malam Besar, Den Haag, inclusief consumptiebonnen voor Paviljoen De Soos;
5. Boekenbon waarmee El Haji’s debuut gekocht, en een van de vele alternatieve boekenweekgeschenken verkregen kan worden.

De CPIB, Cyberney’s Propaganda voor het Indische Boek, kan u helaas geen fatwa beloven. Misschien een goena goena-behandeling.

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Japanse oogst

De viering van 400 jaar Japans-Nederlandse betrekkingen is nog niet voorbij of Adriaan van Dis heeft zijn reisverslag al in de winkel. Zou hij zijn teksten van Tokio snel hebben doorgefaxt naar Amsterdam? Nou ja, wie op een eerlijke manier zijn geld wil verdienen, die mag dat. Zo heeft roem zijn voordelen. Je kunt ongestraft in hoog tempo de onbenulligste troep op de markt smijten, de lezers vreten het toch wel, vooral wanneer je met een hot issue komt. Een nadeel is dat zulke boeken niet meteen daarna de hoogovens ingaan, maar op de boekenlijsten van scholen en universiteiten terechtkomen, waar ze tot in lengte van jaren het voetnotenapparaat van brandstof blijven voorzien.

Iemand zegt dat iets goed is. Een tweede zegt hetzelfde tegen een volgende, een derde herhaalt het en als dat een poosje zo doorgaat, dan denkt iedereen dat je, om even iets te noemen, voor echt Indisch eten naar Restaurant Bogor in Den Haag moet gaan, zoals de moeder van Van Dis doet. Een beetje Indo wil gewoon ergens nasi goreng kunnen eten. Nou, die lui van Bogor maken een hoop tamtam over hun saté kambing of vis in pisangblad, maar nasi bakken ho maar. Adriaan van Dis ging er dus met zijn moeder eten, om nog even zijn tekst door te spreken die hij had geschreven ter voorbereiding van zijn bezoek aan Japan. Later in het boek zal er door zoonlief heel wat worden afgebogen. Hatelijk uiteraard. Zeker om zijn moeder en haar generatiegenoten te behagen.

Het zit zo: een familielid van Van Dis is door de Japanners om zeep geholpen en dat heeft hij zijn hele jeugd te horen gekregen. Van mijn eigen familie zijn er acht door de Japanners om zeep geholpen, maar daar zeik ik niet over. Hoe zit het met de overlevenden? Mijn tante Ella die bestond het toch maar om verliefd te worden op een Japanse officier. En ze baarde nog een kind van die Japanner ook, terwijl deze officier ergens op een pasar in het maandonker werd getjingtjengd door boze Indonesiërs, of Indo’s, of Belanda’s, of Totoks, of Chinezen – wie zal het zeggen. Het kind van deze Jap is mijn nicht, een Indo-Jap of een Japindo of hoe men zulke kinderen ook mag noemen. Tja, shame and scandal in the Indo-family. De Indische geschiedenis is geweldig gevarieerd, en vooral schrijvers wie die geschiedenis niet werkelijk interesseert kunnen daar al 100 jaar over meepraten. En hoe.

In zijn haastwerkje ‘Op oorlogspad in Japan’ beschrijft Van Dis wat Japan, Japans, Jap en Japanner betekenden bij hem thuis, toen hij nog een kleine jongen was. Hij vertelt onder meer hoe geweldig jaloers hij kon zijn op zijn Indische zusjes, omdat zij konden tellen in het Japans. ‘Bovendien waren ze bruin’. Hij zegt ook dat hij niet tot de Indische gemeenschap behoort, omdat hij niet, zoals zijn zusjes, ruim drie jaar van zijn jeugd achter matten en hekken heeft moeten doorbrengen. En: ‘Ik behoor maar voor de helft tot de zogenoemde “tweede generatie”.

Moet je in het kamp hebben gezeten om bij de Indische Gemeenschap te horen? Behoor je maar voor de helft tot de Tweede Generatie als je toevallig bruine zusjes hebt die van een andere vader zijn? Leg dat maar even uit, om te beginnen.

En dat moet dan naar Japan om er namens de slachtoffers van de Japanse bezetting te spreken. Daar heeft Van Dis het uiteraard moeilijk mee, hij zal zijn beperkingen ongetwijfeld kennen. Niet getreurd Adriaan, je bent de enige niet, maar om nou steeds weer op dat ironische toontje te blijven leunen is wel erg vrijblijvend. Moet je toch nog maar even gaan kijken bij je voorbeelden Couperus en Kawabata, over wie je zo de loftrompet blaast.

Want dat doet ie, Adriaan van Dis. Naast zijn levende collega’s, die hem deels op zijn Japanse tocht vergezellen (F. Springer, Arnon Grunberg en Ian Buruma), zijn dat de enige schrijvers naar wie hij veelvuldig verwijst. Couperus wordt opgevoerd als een van Neerlands grootste schrijvers en ‘een meesterlijk portrettist van de veranderende wereld rond 1900.’ Nou, dat hij een van grootste schrijvers was die ons land ooit voortbracht, is niet zo moeilijk te beweren. Wat Van Dis met zijn toevoeging bedoelt, is mij evenwel niet helemaal duidelijk. De wereld verandert constant, en ook weer niet. Hij zal wel hebben gehoord dat het toentertijd in Indië allemaal zo erg veranderde, dat tempo doeloe tempo doelloos werd, om maar even met Roy Piette te spreken. Hij suggereert in elk geval dat Couperus een scherp en gedetailleerd oog had voor Indië en je zou bijna gaan denken dat het volstaat Couperus te lezen als je een beeld van het Indië van rond 1900 wilt krijgen. Kun je toch beter bij Daum terecht, al schrijft die Schilderswijker dan als een krant.

Van Dis geeft als voorbeeld voor Couperus’ kunstenaarsschap diens bundel met een aantal Japanse legenden. Om een beeld te krijgen van Japan volstaat het uiteraard niet van deze legenden kennis te nemen. En ook niet de boeken van Kawabata, van wie bekend is dat hij zich strikt afzijdig hield van politiek. Van Dis verwijst naar deze schrijvers om zijn eigen naieviteit te onderstrepen en dat is meer dan koddig voor iemand die op reis gaat naar Japan om er debatten te gaat voeren over de rol van Japan en Nederland in het voormalige Indië. Zijn gedweep met deze schrijvers geeft een uiterst beperkt referentiekader weer. Dat op zich zij hem vergeven, een schrijver is maar een nar in de immer veranderende wereld. Maar wie een debat moet gaan bijwonen over ‘het beeld van onze expansiedrift in de Nederlandse, Indonesische en Japanse literatuur’, die moest zich schamen voor de onnozelheid waarmee hij de volgende zin noteert: ‘Gelukkig zijn er geleerden uitgenodigd die daar alles van weten.’

Zal wel weer ironisch bedoeld zijn. Lekker veilig, kun je alle kanten mee op.

Twintig bladzijden eerder heeft de schrijver ons dan al laten weten dat hij nauwelijks op de hoogte is van wat er in de koloniale en postkoloniale letteren geschreven wordt: ‘Wat weet ik eigenlijk van die oorlog? Ik ken alleen de verhalen van thuis – de achterafverhalen van na het grote zwijgen; de geschiedenis heb ik nooit willen lezen. Ook geen romans of verhalen die zich in Indië afspeelden. Du Perrons Land van herkomst? Niet gelezen en al die andere Indischgasten ook niet.’

Zijn we blij mee, met zo’n ambassadeur daar in Japan. ‘Het grote zwijgen’. Fijn weer, zo’n cliché. Er is helemaal niet gezwegen. Er is eenvoudig nooit geluisterd. Wat bedoelt ie trouwens met ‘Indischgasten’? Lekker toontje ook: ‘al die Indischgasten.’ Flikker maar op een hoop joh. Is toch allemaal hetzelfde, hè?

Zou Van Dis het hoofdstuk over Indië en daarna voor zichzelf willen reserveren in de toekomstige beschrijving van onze geleerden over de Nederlandstalige letteren? Hij is aardig op weg. Voor een lezer in Tokio is er weinig anders uit de hedendaagse literatuur te lezen dan een boek van Adriaan van Dis of F. Springer wanneer het over Indië gaat. Precies zoals Van Dis zelf ook weinig verder kijkt dan de Couperusstraat en het Kawabataplein wanneer het over het Verre Oosten gaat.

Van Dis is wel zo handig om een psychologische wending aan zijn leesluiheid te geven: ‘Alsof ik het me nooit toestond naar een andere stem dan die van mijn vader te luisteren.’ Tja, dat ís een excuus. Maar niet voor iemand die als een belangrijk schrijver wordt voorgesteld aan het Japanse publiek. Van Dis was al zo handig zichzelf als een ‘minder opgepoetste spreker’ voor te stellen in het voorwoord van zijn boek. Adriaan op schoolreis naar Japan, zo ongeveer moeten we zijn nieuwe boek lezen.

Zo, als ‘minder opgepoetste spreker’, met al zijn lichtvoetigheid, representeerde Adriaan van Dis ‘ons land’ op de boekenbeurs in Tokio, april 2000. Het was te verwachten met zo’n man. Dat krijg je als alleen celibrities als afgevaardigden de aardbol over worden gestuurd om als clown aan de debattafel plaats te laten nemen. Alweer wordt er gedaan alsof de oorlog in Indië alleen maar een zaak was van Japanners, Hollanders en Indonesiërs. Van Dis, met zijn onzichtbare Indische zusjes, staat aan de zijlijn. Hij is een toeschouwer, hij hoort nergens bij en is daar diep in zijn hart ook wel blij om. Alleen zij die nergens bijhoren kunnen grote schrijvers worden, nietwaar? Maar daar is toch wel wat meer voor nodig dan je lezers vertellen welke kleur schoenen je vandaag weer zal dragen, het motief van de Japanse beleefdheidsbuiging ad infinitum herhalen en steeds weer roepen hoe zeer je naar een gebakje verlangt als het je emotioneel allemaal te veel wordt. Het CPNB zal hem wel een uitnodiging sturen voor het schrijven van het boekenweekgeschenk, tegen de tijd dat Hella Haasse niet meer onder ons is. Of Rushdie, maar daar wil ik vanaf wezen.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Indische familiekwesties in de literaire salon

alfred birney cover pasarkrant De bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren, samengesteld door ondergetekende, roept veel reacties op. Het boek ontmoet weerstand maar vindt uiteindelijk zijn weg, zijn plek. Vanwaar die weerstand? Enerzijds door de presentatie van het boek, anderzijds door de verwachting die de ingevoerde lezer van de Indische letteren bij voorbaat koestert.

Allereerst is daar de Javaanse jongen op het omslag van het ‘toch wel fraai uitgevoerde boek’. ‘Moet daar geen Indo op staan?’ is een veel gehoorde opmerking. Het doet me genoegen dat na een slordige halve eeuw aanwezigheid van een enorme groep Indische mensen in Nederland men eindelijk eens het verschil heeft leren zien tussen een Javaan en een Indo. Ik ben benieuwd wanneer men zich druk begint te maken over de afbeelding van een Surinaams meisje op een pak Angolese koffie in de supermarkten van een land dat een uitgesproken Nederlandse schrijver als A.F.Th. van der Heijden het boekenweekgeschenk laat schrijven in de Indische Boekenweek (1992). Een Zeeuws meisje op het etiket van een diepgevroren stuk Pepesan, home made in een Scheveningse vissersloods en verkrijgbaar bij de Turkse zondagswinkel lijkt me een aardige stap op weg naar een vorm van multiculturele humor.

Ter zake. Dat de Javaan een van de stamvaders is van de uiterst diverse groep Indische mensen en dat hij als een cartoonheld te pas en te onpas uit allerlei hoeken en gaten in de Indische letteren opduikt, is men zeker opeens vergeten. Ik heb deze overbekende figuur slechts een bescheiden rol in mijn bloemlezing willen geven en daarom mocht mijn lieve uitgever met zijn Hollandse handelsgeest hem best als plaatje gebruiken. Het is een mooie jongen en dat is weer eens wat anders dan een mooi meisje met een melati-bloem in haar hand.

De subtitel van de bloemlezing, 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren, klopt niet helemaal, vindt men. Die zou bedrieglijk zijn en de lezer op het verkeerde been zetten. Ook de flaptekst zou de lezer zand in de ogen strooien, al wordt er toch duidelijk gerept over een nieuw beeld van Indië in de Nederlandse letteren. Pas in het voorwoord staat vermeld waar het werkelijk om gaat, maar zelfs dan verzet men zich nog.

Wat er werkelijk achter die weerstand zit is het volgende. Men krijgt een bloemlezing onder ogen met een titel die belooft een beeld te geven van 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren en men verwacht dan meteen een beeld dat strookt met het perspectief van de Nederlander turend vanaf de dijk. Men begint maar direct te zoeken naar Rumphius, Junghuhn, Friedericy, Alexander Cohen en Jeroen Brouwers en mort als ze ontbreken.

Plaats je de camera op de schouder van een Indo en laat je de lens inzoomen op het Indië van en rond en in Eurazatische (Engelse term) respectievelijk Indo-Europese bevolkingsgroepen, dan betekent dat niet dat je de boel met de gebruikte subtitel voor de gek houdt. Je verplaatst eenvoudig het perspectief en ik zie niet in waarom ik dat al in de subtitel zou moeten legitimeren. Het samengaan van mensen uit Oost en West werd zichtbaar in de kinderen die eruit geboren werden, met hun vermenging van leefstijl en cultuur. Dat is het Indische verhaal achter de economische handel en wandel van Europeanen en Aziaten. En dat Indische verhaal is nog niet uit.

Het voorwoord. Belangrijk. Dat heb ik beknopt gehouden, omdat ik niet belerend wilde doen. Resultaat: men vindt het wat kort, dat voorwoord, maar ik vermoed dat die kritiek van de snellezers vandaan komt. Immers: er staat alles in dat het boek behelst. Joop van den Berg (Trouw, 27 november 1998) weet het en beoordeelt het boek met een redelijke onbevangenheid. Peter van Zonneveld (Vrij Nederland, 21 november 1998) had een uitgebreide inleiding gewenst en valt over een suggestieve passage. Zijn eigen stuk bevat zo’n inleiding, een enorme, ik zou bijna denken dat hij stond te popelen het me voor te doen. Jacqueline Bel (NRC Handelsblad, 29 januari 1999) lijkt de boodschap te begrijpen maar vergeet haar later te pas en te onpas toch maar weer.

Welke boodschap? Dat ik de weg van de Mesties tot en met de Indo-kinderen van de tweede generatie wilde volgen. En dat de lezer die het boek van voren naar achteren leest (een beleefd Indische uitnodiging) een beeld gegeven wordt van de geschiedenis van die bijzondere groep. Ik verduidelijk: een literair beeld.

In het voorwoord vermeld ik ook dat schrijvers die uit romantische motieven over het huidige Indonesië schrijven buiten het bestek van mijn bloemlezing vallen. Ik bedoel natuurlijk schrijvers als Kees Ruys, Duco van Weerlee en Wiecher Hulst. Jacqueline Bel noemt het een vaag criterium, je zou bijna denken dat ze het verschil niet kent tussen Indië en Indonesië. Want, vraagt ze zich af, waarom doen Rudy Kousbroek en Helga Ruebsamen wél mee, “of zijn zij niet romantisch?”.

Warhoofdige vraag. Ik heb niets tegen romantiek en ook niets tegen Indonesië, ik heb het over Indo’s en die stappen toevallig rond in het werk van Kousbroek en Ruebsamen. Ik vind ze niet bij Jeroen Brouwers. En Kester Freriks, die door de NRC-recensent wordt gemist, heb ik niet uit de bloemlezing gelaten omdat hij romantisch is. Zijn romantiek richt zich trouwens op een niet persoonlijk beleefd en verdwenen Indië en niet op Indonesië. Maar als hij op een oeuvre van zeven boeken in slechts één Indisch boek acht pagina’s wijdt aan een Indisch vriendje, hoe aardig ook, dan vind ik dat te weinig voor mijn bloemlezing. Waarmee ik niet zeg dat hij met zijn twintig jaar na dato herziene Indische verhalenbundel niet tot de Indische letteren behoort. Daar gaat het helemaal niet om in Oost-Indische inkt.

Men leest verder en krijgt langzamerhand in de gaten wat de bloemlezing beoogt. ‘Há, ik snap het nu,’ denkt men en roept meteen: ‘Maar Jill Stolk staat er niet in!’ Alsof het er mij om te doen is geweest om alle contemporaine Indische schrijvers in de bloemlezing te zetten. Dat is inventariseren en geen bloemlezen. Dat juist zij bij uitstek over Indo’s en Indisch-zijn heeft geschreven, is iedereen bekend. Zet je haar echter tussen een dozijn anderen, dan moet je vragen: hoe heeft zij erover geschreven?

Opvallend is dat men geen gewag maakt van namen die ik uit de relatieve anonimiteit van het ‘tweede circuit’ heb gehaald, zoals de voorbeeldige Wies van Groningen. Eerst maar wachten totdat de een of andere autoriteit roept dat ze bijzonder schrijft zeker.

Peter van Zonneveld heeft het in zijn artikel over ‘het gevaar dat literaire kwaliteit ondergeschikt wordt gemaakt aan politieke correctheid met terugwerkende kracht.’ Dit lijkt een interessante zin. Politieke correctheid slaat waarschijnlijk op de mode van historici om de positie van de Indo uitvoeriger te belichten dan tot dusver (niet) is gedaan. Die zogenaamde politieke correctheid kun je misschien aan Nederlanders toeschrijven, maar moeilijk aan een Indo die al jaren zit te wachten op een overzicht van de geschiedenis van zijn Indische voorouders.

Literaire kwaliteit wordt afgemeten aan een bepaalde norm die voortkomt uit consensus. Consensus ontstaat waar één denkt en tien anderen ja knikken. Hanteer je de Nederlandse norm op wat ik heb gebloemleesd, dan kan driekwart in de prullenbak. Hanteer je de Europese norm voor de Nederlandse letteren, dan kan vrijwel alles in de prullenbak.

De Indische wereld beschreven vanuit huiskamerperspectief is zelfs binnen de Indische letteren nooit als literair interessant aanvaard. In de huidige tijd, waarin je wekelijks met nieuwe literaire meesterwerken van overal ter wereld bekogeld wordt, kan het een verademing zijn om schitterende pulp uit het oude Indië te lezen. Dan hoor je weer eens een ander geluid dan die eeuwige P.A. Daum, onder wiens aanvoering van krantenmagnaat schrijfsters als Dé-lilah in no time de letteren uitgeschreven werden. En hoor je ook eens een ander die Tjalie Robinson in het gebruik van het petjôh voorging. Dát is ook canoniseren, zó ver moet het kwartaaltijdschrift Indische letteren van Peter van Zonneveld en consorten durven gaan in plaats van te blijven hangen in die vastgeroeste wetenschappelijke Leidse traditie van ze.

Ik heb tijdens het werken aan de bloemlezing verschillende lijstjes gemaakt. Eén liep van grofweg de eerste Indo-schrijver tot voorlopig de laatste: van G. Valette tot Basha Faber. Met louter Indo’s zou het natuurlijk een onderonsje zijn geworden dat de gemiddelde lezer geen breed kader biedt. Want waarom moet G. Valette zo nodig een lans breken voor de Indische jongen? Waarom zet Dé-Lilah een Amsterdammer temidden van een groep Indo’s te kijk? Waar zeurt Victor Ido toch over met zijn paupers? De redenen daarvoor vind je dus terug in denigrerende teksten die door anderen over Indo’s zijn geschreven.

De geschiedenis van de Indo staat niet los van die van zijn voorouders: Aziaten en Europeanen. Hoe bekend is die geschiedenis? Op de middelbare scholen wordt nauwelijks aandacht geschonken aan de geschiedenis van de Indo. Dat gaat veranderen. Deze bloemlezing wil daarvan een literair overzicht bieden.

Voor het verhaal begin je uiteraard in de oudste teksten te zoeken. Omdat Indië rond 1600 een geografisch groter gebied was dan het latere Nederlands-Indië en er in de door Portugezen bezette gebieden al een cultuur bestond die was ontstaan door vermenging van bevolkingsgroepen uit Oost en West, besloot ik om bij Jan Huygen van Linschoten te beginnen. Hij beschrijft een samenleving van ‘Mestiezen’, die we kunnen beschouwen als de oergroep van Euraziaten, waartoe de Indo’s behoren.

Dit vertrekpunt vroeg om een verduidelijking van het literaire kader. De Nederlandse, of koloniale, of Indisch-Nederlandse, of Indische letteren (valt u het enorme geharrewar in benaming op?) zijn toevallig gezegend met de aanwezigheid van vier grote namen die hun meesterwerken, deels of geheel, in Indië laten spelen: Multatuli, Couperus, Dermoût, Du Perron. Door dit grote vierkant in de bloemlezing te plaatsen zou het boek ook de niet ingewijde lezer in elk geval literair toch genoeg houvast moeten bieden. Een historisch kader geven wilde ik niet. Ik wilde met een literaire geschiedenis van Indo’s verbazing, nieuwsgierigheid en vragen oproepen. Maar geen vragen in de trant van ‘moeten die en die er niet bij?’

Terug naar de ‘vier grote namen’. Wat maakt iemand tot een groot schrijver? Stijl. Inhoud. Visie. Historisch bewustzijn. Een bijzonder oog (niet te verwarren met visie). De schrijvers van het grote Indische vierkant bezitten alle deze afzonderlijke kwaliteiten. En wat hun oog zo bijzonder maakt is dat die verder reikte dan de wereld van de Hollander en de Javaan, flora, fauna, de soos en de plantages. Het reikte ook tot de wereld van de Indo-Europeaan. En het is moeilijk een van deze schrijvers te betrappen op zoiets als stereotyperingen. Wat je niet kunt zeggen van schrijvers als Augusta de Wit, Carry van Bruggen, Hella Haasse en de ook in Indische kringen zeer gewaardeerde Johan Fabricius. De eerste twee van de genoemde schrijvers voeren de Indo of Nonna als verdacht op in respectievelijk Orpheus in de dessa en Een Indisch huwelijk. Hella Haasse geeft in Oeroeg haar held laatdunkende gedachten mee over Indische mensen en meneer Fabricius beschrijft zijn Indo-helden met een hinderlijk paternalistisch ik-heb-jullie-wel-door-toontje.

Er was al eerder een serieuze bloemlezing. Van Rob Nieuwenhuys, getiteld Het laat je niet los (1985). Een soort finale selectie van een serie van vier bloemlezingen die hij eerder onder verschillende titels publiceerde. Die bloemlezingen vormden de basis voor zijn befaamde Oost-Indische Spiegel (1972), een nog altijd onovertroffen standaardwerk over de Indische letteren. Nieuwenhuys ging op zijn smaak af, veelal inventariserend. Het mooiste van wat er is verschenen had hij al gebloemleesd. Daar een paragraaf aan toevoegen is stomweg doorgaan met inventariseren in de traditie van Nieuwenhuys.

Ik wilde iets ánders, niet omdat ik zo nodig anders wil zijn (dat ben ik toch wel, net als zovelen van ‘de Indische familie’), maar omdat het eens hoog tijd werd. Ik deed iets dat nog niet eerder gedaan was: de literaire geschiedenis van de Indo in kaart brengen. Als je er goed over nadenkt is het eigenlijk belachelijk dat het zo lang heeft geduurd. En, inderdaad, als de recensenten aan het einde van hun artikelen zijn, dan lijkt er iets veranderd aan de bril die ze al op hadden. Iets. Ze zien dat ze iets te lezen krijgen in een kader dat ze gewoonweg niet verwacht hadden. Ik vermoedde al dat ze lui waren.

Interessant is dat Marion Bloem in het Algemeen Dagblad (3 oktober 1998) klaagde dat het boek niet Indisch genoeg was. Met deze Indische schrijfster als bloemlezer waren ze mooi klaar geweest.

Het literaire establishment wordt bevolkt door gewoontedieren die er moeite mee hebben hun literaire norm bij te stellen en hun eurocentrische houding los te laten. Ik vraag ze niet ‘politiek of cultureel correct’ te zijn. De toename van multiculturele uitingen is echter sterk. Dus ze kunnen maar beter leren zwemmen willen ze niet verdrinken.

Moeten de Indische schrijvers van nu maar bij, zeg, de allochtonen-literatuur worden gevoegd? Nee. Wij hebben een andere geschiedenis. De Indische geschiedenis is niet opgehouden met de onafhankelijkheid van Indonesië. De tweede generatie Indo’s hebben hùn vervolggeschiedenis, al speelt die dan in Nederland. Er zijn er bij die de letteren uitkiezen als hun uitlaatklep. Dat is bekend. Het is in vakkringen en in de media gebruikelijk om rijtjes te maken die in één adem worden genoemd als men name-dropping meent te moeten plegen. Iedereen kent het rijtje Marion Bloem, Ernst Jansz, Jill Stolk, Frans Lopulalan. Het is niet slecht om zo’n rijtje een poosje te gebruiken, maar dat moet geen 15 jaar duren. Dat is dodelijk: je krijgt de indruk dat er geen nieuwe schrijvers bij komen. Die schrijvers staan heus wel op maar zij die het publiek voorgeven ze te volgen, liggen te slapen.

Marion Bloem heeft met Geen gewoon Indisch meisje de loot van de tweede generatie op de Indische tak geplaatst. Met de toevoeging van Nicolette Smabers, Theodor Holman, Glenn Pennock en mezelf aan ‘het rijtje’ kan iemand als Jill Stolk (om wie door meerdere recensenten geroepen werd) schitteren in afwezigheid. Geen onaardige rol voor een performer. Ze is trouwens niet de enige afwezige. Als zij interessant is voor de stuurlui aan de wal, dan zijn Yvonne Keuls, Hans Vervoort, Ralph Boekholt, Betty Roos, Mischa de Vreede en Basha Faber dat ook. En dan heb ik nog een rijtje interessante namen uit het ‘tweede circuit’ in mijn kaartenbak liggen.

Nogmaals: het is de kwestie niet wie wel of niet bij de Indische letteren horen. Voor Oost-Indische inkt is de keuze van schrijvers en teksten onderschikt gemaakt aan wat ik wilde (laten) vertellen. Waar Peter van Zonneveld onnadenkend ‘politieke correctheid met terugwerkende kracht’ in ziet. Hopelijk bestaat er niet zoiets als stereotiep denken met vooruitwerkende kracht.

Dat de Indische vader naar de smaak van Jacqueline Bel een wel zeer prominente rol krijgt toebedeeld, geef ik grif toe. Er was in mijn opzet geen plaats voor alle motieven uit het Indische leven. Maar ze moet niet Nicolette Smabers vergeten te noemen naast Marion Bloem als ze klaagt over te weinig moeders. En als ze zo van kruidenieren houdt, heeft ze zeker ook gezien dat een ruwe verdeling van 20 vrouwelijke en 30 mannelijke auteurs over 400 jaar genomen ongehoord en spectaculair is, wat je moeilijk in welk ander literatuuroverzicht waar ook ter wereld zult aantreffen. Gerekend vanaf de eerste vrouwelijke auteur in mijn bloemlezing is de stand zelfs gelijk. Had Hans van der Wall (de Indische schrijver achter het pseudoniem Victor Ido) in zijn toonaangevende functie van recensent niet zo braaf de opvattingen van P.A. Daum overgenomen, dan hadden de vrouwen het optelspelletje over de afgelopen 100 jaar ruimschoots gewonnen.

Een persoonlijke keuze. Dat is een bloemlezing per definitie. Weerspiegelt een bloemlezing de smaak van de samensteller? Uiteraard. Door de opzet van Oost-Indische inkt in mijn geval niet altijd. Ik heb met verdriet auteurs moeten overslaan van wie ik houd en morrend auteurs moeten opnemen om wie ik weinig geef of aan wie ik zelfs een hekel heb. Schitterende teksten heb ik moeten laten liggen. Wat niet wegneemt dat er een andere schittering voor in de plaats is gekomen. Eén waar je soms met een andere zonnebril naar moet kijken. Die je de Indische letteren op een andere manier laat zien en beleven. Is dat niet spannend?

Ten slotte. Je eigen naam aan een bloemlezing toevoegen is aanmatigend, jezelf weglaten is liegen. Zo luidt het zinnetje in bloemlezerspraat. Voor een Indo ligt het nog gecompliceerder. Laat je jezelf eruit, dan vraagt men waarom je weer zo’n bescheiden Indo moest zijn. In het tegengestelde geval krijg je de vraag of je je als Indo niet wat bescheidener had kunnen opstellen.

In mijn tot nu toe twaalfjarige schrijverscarrière heb ik mezelf nooit als Indisch schrijver willen laten bestempelen. Waarom niet? Omdat die kwalificatie iets beperkends in zich heeft en ik mijn positie zelf wilde bepalen: wanneer ik vond dat het tijd werd en vooral wanneer ik daaraan toe was. Nu dan, door mezelf in de bloemlezing op te nemen. Toegegeven: het is een luxe je eigen plaats te kunnen bepalen. Maar die krijg je niet cadeau.

Men zegt wel dat als je tien mensen vraagt een bloemlezing samen te stellen van de Indische letteren, je dan tien verschillende bloemlezingen krijgt. Afgaand op wat er over Oost-Indische inkt is geschreven ben ik geneigd te denken dat van de zogenoemde kenners er negen van hetzelfde zouden zijn geweest en eentje anders. Was getekend,

Alfred Birney

*** Dit artikel verscheen als antwoord aan de recensenten van Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren, en werd eerder afgedrukt in de Pasarkrant, voorjaar 1999.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!