Het verloren lied 1

radio-antenne Ik hoorde ooit een lied en ben het altijd blijven zoeken. Misschien hoorde ik het op een van die avonden nadat mijn grootvader was vertrokken, ik weet het niet. De laatste keer dat hij scheep ging was aan de vooravond van 1960, in een vreemd huis ergens in de buurt van de haven. We logeerden er rond de jaarwisseling, maar mijn ouders waren uitgegaan. Mijn grootouders hielden de gastheer en gastvrouw beneden gezelschap en ik lag onder een wollen deken op een divan in een halfduistere kamer met om me heen de spookachtige silhouetten van voorwerpen die bij oude mensen hoorden.
     
Een buizenradio verspreidde zijn zachte gele licht. Zijn geruis herinnerde aan een Nederlandse zender die met een sluitingsmelodie van verontrustend eentonige carillonklanken de ether had verlaten. De glazen zenderplaat met zijn toverachtige muizentrappen vol namen van grote radiostations lokte me, maar ik durfde de divan niet af in de vreemde kamer. Ten slotte kwam mijn grootvader boven kijken en zag dat ik nog wakker lag.
     
De man reikte me zijn oude, gebruinde hand en leidde me naar een rookstoel bij het raam. Hij ontstak het schemerlampje op de radio en liet me bij zich op de brede stoelleuning zitten. Achterover geleund fluisterde hij dat ik de laatste uren voor middernacht beslist wakend moest meemaken.
     
Het licht van de radio legde de groeven in zijn gezicht bloot. Men zei dat je kon zien dat hij vaak in de tropen was geweest. De pianist was aan wal geweest, had thuis in Den Haag verlof gevierd, maar hij miste de deining alweer van de zee, de geur van de danszalen op de schepen, het applaus van de passagiers en misschien miste hij nog meer, heel ver overzee.
     
Hij neuriede wat en begon met de knoppen en de toetsen in de grote houten lijst van het radiotoestel te spelen. Ik volgde de kalme bewegingen van zijn tanige vingers. Zijn vingertoppen streelden de ivoren toetsen van de golfbanden met hun confetti van namen en getallen, en hij begon zachtjes te praten. De lange golf noemde hij een lege balzaal, de korte golf een eng doolhof. Ik moest maar op de middengolf zoeken, de brede boulevard. Daar werd het `s avonds druk en spannend en kon je op de zwakste zenders gaan jagen: die waren eigenwijs en brachten je vaak de mooiste muziek. De Nederlandse zenders moest ik overslaan, de buitenlandse waren beter. Als mijn vader eens een wereldontvanger op de kop tikte, wie weet vond ik dan ooit een zender uit een land waar hij, grootvader, toevallig verbleef.
     
Hij zou teruggaan naar Indonesië, voor de laatste keer, al was het land niet meer als toen. Sinds de oorlog was het Indië niet meer, zei hij, de mensen waren niet meer zo gastvrij. Maar hij zou nog één keer gaan, op uitnodiging, en dan nooit meer. Als hij terugkwam zou hij zijn oude koffer vol bladmuziek met tango’s openmaken en er Scheveningen mee gaan veroveren.
     
Hij, grootvader Langenacht, hield van Indië maar droomde van Argentinië. Mocht ik eens een tango op de radio horen, dan moest ik maar aan hem denken.
     
Ik knikte.
     
En wilde ik hem beloven later piano te gaan spelen?
     
Ik knikte weer maar voelde me vreemd ongerust.
     
‘Maak je geen zorgen,’ zei hij, ‘als muzikant ben je nooit alleen, zul jij nooit alleen zijn later. Maar bij de radio kan een mens beter wel alleen zijn.’
     
Hij kwam uit de rookstoel en deed iets wat hij nooit gedaan had: hij kuste me op mijn voorhoofd. Toen ging hij weer naar beneden.
     
Ik voelde me een ingewijde en begon omzichtig met de toetsen te spelen, liet bijna vroom de zenderstaaf dwalen langs de zenderschaal. Soms, tussen twee grote zenders weggedrukt, klonk een lied vol heimwee. Dan bewoog ik de afstemwijzer zachtjes heen en weer om te voorkomen dat de muziek wegstierf en vroeg me af hoe dat lied van toen ook weer had geklonken.
     
Ik was het liefst de hele nacht in de rookstoel blijven zitten, met de geur van grootvader om me heen, maar ik werd weggeroepen van de radio door mijn teruggekeerde ouders van beneden aan de trap.
     
Het grote licht in de huiskamer deed me pijn aan de ogen. Mijn ouders, grootmoeder en de heer en mevrouw des huizes vormden een kring rond de salontafel om te proosten op het nieuwe decennium, de jaren zestig, een getal dat een geheimzinnig aanlokkende klank voor me had.
     
De klok sloeg twaalf en de lucht werd versierd boven de daken van IJmuiden. Een lichtkogel trok een streep tussen de kleurige anemonen en hoepelrokken hoog boven de haven.
     
Ze vroegen me of ik het mooi vond, het geknal en gekanonneer in de verte. Ik knikte maar vroeg me aldoor af of grootvader werkelijk naar bed was gegaan, zoals ze hadden gezegd. Misschien zat hij met zijn oor bij de radio en zou hij dat de hele nacht blijven doen.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Eindredactie, enfin

hat logo meneer b Ziezo, ik heb mijn naschrift teruggekregen van mijn eindredacteur. Het kon haar goedkeuring wegdragen. Een groot geluk voor haar, want ik was niet van plan er iets aan te veranderen. Haar kritische kanttekeningen betreffen alleen formuleringen en spelling. Elke zin, elk woord is gewikt en gewogen. Gelukkig ging het per e-mail. Verleden keer moest ik het doen met haar gekriebel in de kantlijn, wat een straf is. Ze kwam heel hulpvaardig langs om haar aantekeningen voor te lezen en toe te lichten. Ze zei dat meer schrijvers moeite hebben met haar kriebelhandschrift. Corrigeren en redigeren op het beeldscherm gaat niet, dat levert tekstverwerkersproza op, of weblogproza of zelfs cms-proza. Ik neem aan dat ze eerst dat dunne potlood van haar heeft gebruikt. Ik vraag me af hoe het bij de krant gaat tegenwoordig. Mij dunkt loopt niet de eerste de beste recensent langs de brievenbus van zijn krant of er zijn bijdrage te posten. Zo ging dat ooit. Een recensent van de Volkskrant zag de hele week uit naar dat ene loopje van zijn huis naar de brievenbus. Wat een opwindend leven had die man toch. Dat was het echte papierwerk. Zo werk ik ook nog. En ook mijn leven is, dat begrijpt u, zeer opwindend. Zo trotseerde ik vandaag het hectische verkeer op mijn mountainbike, om maar iets te noemen. Dat was werken geblazen. De dwarrelende wind was zo venijnig dat ik niet eens naar de zee kon kijken terwijl ik over de boulevard fietste. Ik was voortdurend bedacht op auto’s die van hun lijn weken. De badplaats is nog vol toeristen. Vakantielezers…

Whodunit

postzegel Een vriendin stuurde me een maffe ansichtkaart . Ik dacht dat ze nogal vroeg was voor mijn verjaardag, maar daar was die kaart niet voor. Wat betekende die kaart dan? Nou, dat ik moest blijven fietsen. Oef! Ik had me zeker in een e-mail laten ontvallen dat dat gefiets me onderhand de strot uitkwam. En dat ik wel weer eens zin kreeg in een sigaretje na tweeëneenhalf jaar niet roken. Zij heeft na vijf rookvrije jaren ook weleens zin in een sigaretje, toch steekt ze er geen op. Nah vooruit, begrepen.

Vandaag mijn mountainbike maar weer van stal gehaald. Ja, ik rijd tegenwoordig op een mountainbike, ik ben de racefiets ontgroeid. Bedoeling was een oudemannenrondje van mijn huis via de watertoren naar de boulevard en dan weer terug om lekker op balkon te gaan zitten lezen. Maar bij de watertoren dacht ik: kom, ik rijd nog wel even de Oliebollenberg op. Op de flank van dat beruchte duin werd ik evenwel syckerig voorbijgefietst door een stel op afzichtelijke fietsen. De man bereed een ATB, de vrouw iets wat vroeger een trimfiets heette. Afschuwelijk was het dat de vrouw een racebroek onder haar shorts droeg, zo typisch voor zondagsfietsers. Ik dook in hun wiel, ze waren jong en ik was ook weer even jong. Ze blikten herhaaldelijk nerveus achterom en probeerden nu en dan amechtig een gesprekje te voeren.

Voor ik er erg in had stond ik voor de waterpomp bij Wassenaar. Het stel sloeg rechtsaf, ik vulde mijn bidon en reed door tot de vervelendste uitspanning met de vervelendste bediening in het vervelendste duingebied tussen Wassenaar en Katwijk. Daar draaide ik en reed op mijn gemak terug. Totdat ik weer syckerig voorbij werd gereden door stel bejaarden op elektrische fietsen. Ik schakelde een hogere versnelling in en sjeesde terug naar de watertoren, waar nog de verkoolde sporen van de snackcar liggen, die in het voorjaar op een nacht in de fik is gevlogen. De snackcar had er jarenlang gestaan, totdat de Gemeente stampei begon te maken. Er moest een stenen gebouwtje komen, maar de eigenaar wilde dat niet. Op een nacht was er kortsluiting en brandde het geval tot op de bodem af. Over de toedracht wordt natuurlijk veel gespeculeerd. Zoals: van welke importkrachten zou de Gemeente nou gebruik hebben gemaakt? Polen? Roemenen? Bulgaren? Of toch maar gewoon de duinwachter, die zich toch al nooit laat zien?

Storm

Die eigenzinnige weerkundige in het Engelse, die luistert naar de naam Piers Corbyn (hoe spreken ze dat aan de overkant eigenlijk uit?), is behoorlijk uitgelachen de afgelopen dagen. Het KNMI zag namelijk geen enkel teken van zoiets als een naderende storm of ook maar een herfstwindje. Integendeel: de zon zou gaan schijnen en het weer zou bijkans lenteachtig aanvoelen. Nou zat ik vandaag op de fiets, maar het was beuken geblazen tegen die noordenwind in (de weerkaart gaf een zuidenwind aan). Met de wind in mijn rug hield ik met gemak de auto’s bij terwijl ik op mijn lompe stadsfiets de boulevard afsjeesde. Ik zag één zot op een kleine surfplank over de woeste golven scheren en verwachtte elk ogenblik dat de wind zijn kite zou grijpen om hem over het havenhoofd te slingeren. De wind voelde grillig aan, zo niet onheilspellend. Maar dat kon inbeelding zijn. Nu lees ik dat het eigenwijze, of zelfvoldane, KNMI inmiddels tóch met een waarschuwing is gekomen voor wegverkeer en scheepvaart. Niet dat dat iets bijzonders is voor de tijd van het jaar, zegt het KNMI er bij. Intussen zal die Piers Corbijn misschien bijna hopen dat er een enorme storm zal gaan razen over Nederland, dan kan hij een stap verder zetten in de bewijsvoering van zijn theorie die zegt dat zonnevlekken het weer op aarde beïnvloeden. De weersverwachting dus als politiek spel tussen de gevestigde orde (KNMI) en WeatherAction: zeg maar het Linux onder de meteorologen. We zullen zien. Of voelen. Blub?

Haring niet buitengewoon

hat logo meneer b Het verbaasde me vanmiddag dat ik ter hoogte van de begraafplaats aan de Kerkhoflaan een bordje zag staan met de tekst: NIEUWE HARING. Het koffiehuisje, dat er tegenover ligt, in de schaduw van de Scheveningse Bosjes, bleek dus haring te verkopen. Ik moest even denken aan De roman over de Eerste Verheven Keizer, Tj’in Sje-hwang-ti van Jean Lévi.(1985), met name het hoofdstuk Haring voor een lijk. Toen de keizer, geobsedeerd door onsterfelijkheid, door de Hemel in de steek was gelaten en toch stierf, lieten de bevelhebbers het volk nog even in het ongewisse en naast het keizerlijk rijtuig een lading gerookte haring meevoeren om de lijkenlucht die uit de slaapwagen opsteeg te maskeren. Welke lezer van dit op ware feiten gebaseerde boek zou na deze lectuur nog een haring willen eten tegenover een begraafplaats? Bovendien: was het koffiehuisje met twee dagen vóór vlaggetjesdag niet in overtreding? Ik fietste verder, rustig op neusademhaling, er hing veel smog in de lucht ondanks de pittige noordoostenwind. Eenmaal op de boulevard vielen mij het grote aantal toeristen op. Het was heiig boven het winderige strand, ik had honger en wilde een haring. De jongen in mijn favoriete kraampje vertelde me dat gisteren het eerste vaatje haring voor een recordprijs van 70.000 euro was geveild. En dat daarom de nieuwe haring nu mag worden verkocht. Uiteraard smaakte de haring beter dan die van afgelopen jaar. Ik proefde hem, zonder uitjes. Hij was lekker vet, goed op smaak, gewoon zoals ie hoort te zijn. Niet buitengewoon.

Ook slechte kunst houdt de zee niet tegen

otterness Na mijn vorig bericht herinnerde ik me dat de klimaatverandering in eerste instantie grote gevolgen zou krijgen voor de grote kunst van de grote Amerikaanse kunstenaar Tom Otterness. Van de weeromstuit ben ik me maar even in beide schrikbeelden gaan verdiepen. Het zit zo: de Sprookjesbeelden van de grote Tom Otterness vormen thans als voorportaal van het museum een permanente gratis buitententoonstelling. Maar er is een groot probleem: klimaatverandering. Voor de Sprookjesbeelden van de grote Amerikaanse kunstenaar Tom Otterness is in 2004 een speciaal terras aan de boulevard geschapen. De bronzen sculpturen verbeelden voornamelijk beroemde sprookjesfiguren als Gulliver, Hans & Grietje en Pinokkio, maar ook iemand die een haring in zijn keel laat glijden. De grote Amerikaanse kunstenaar Tom Otterness heeft dus een referentiekader dat in elk geval de grote lectuur van de Donald Duck ontstijgt.

Helaas is de plek bij Beelden aan Zee één van de zwakke schakels in de kustwering bij Scheveningen. Eén springtij bij nieuwe maan en de huizenmarkt van heel Den Haag ligt op zijn gat en vele inwoners liggen in plastic zakken vanwege te weinig kisten om de verdronkenen in te verpakken. Voor dit gevaar is weer eens een buitenlandse architect aangetrokken – architecten schijnen wij zelf namelijk niet te hebben – en in het plan van De Sola-Morales moet een verharde zeewering worden aangelegd. Dat had een Scheveningse visser natuurlijk niet kunnen bedenken, en ook de piekeraar van de grote Amerikaanse kunstenaar Tom Otterness niet, in wie wij stellig de grote Gulliver moeten herkennen. Het plan moet tussen 2008 en eind 2010 zijn gerealiseerd. Dus ná 2007, het jaar waarin Nederland volgens het Pentagon onder water zal lopen. De grote Amerikaanse kunstenaar Tom Otterness zal helaas niet op zijn oude plek kunnen rekenen, waar uiteraard nieuwbouw zal verrijzen. Zelfs kan hem nog niet verteld worden wat er in de tussentijd met zijn beelden moet gebeuren. Mij dunkt is de beste oplossing die infantiele blikzooi op het vliegtuig naar Amerika te zetten. Er is vast wel een regeling voor kunstobjecten die ergens een land worden uitgezet .

Het licht van de maan

mitorai light of the moon Een groot voordeel van de weeromslag is dat er veel meer zuurstof in de lucht zit. Als een mens moet kiezen tussen een leven in een zonovergoten bakpan vol koolmonoxide of een leven in een winderige betonnen hel vol zuurstof, dan hij maar beter voor de hel kiezen. Ik kwam bijna geen fietser tegen gisteren, de softies hadden de auto genomen, bang voor een druppeltje regen, te slap om tegen de wind in te beuken. Nou moet ik niet stoer gaan doen, want toen ik op de boulevard de wind vol tegen kreeg, dacht ik heel even aan afstappen, ha! Ik keek om me heen en genoot van Igor Mitoraj’s Light of the Moon, ik vind dat beeld toevallig mooi, hoe zeer tegenstanders (kunstkenners) mij ook op andere gedachten hebben geprobeerd te brengen. Die Igor Mitoraj heeft als peuter het bombardement van Dresden meegemaakt, dus wie weet is hij daarom zo gepreoccupeerd met beschadiging. De beschadiging van het klassieke beeld, veel meer hoef je niet achter zijn werk te zoeken, denk ik.

Even verderop, als je helling af bent en het vlakke deel van de boulevard op fietst, krijg je die afschuwelijke Sprookjesbeelden aan Zee van Tom Otterness. Ik had tot afgelopen middag altijd geweigerd om die infantiele beelden wat beter te bekijken, maar nu het zo hard waaide en ik van narigheid even niet wist waarnaar ik kijken moest, ontwaarde ik de Haringeter. Dat kwam natuurlijk doordat ik vlak voor het ontwaken een voorspellende droom had over de nieuwe haring. Ja, ik droomde dat de nieuwe haring véél lekkerder was dan die van afgelopen jaar, die waarschijnlijk de slechtste haring is sinds Hollanders besloten rauwe vis uit de zee te eten. Men had verleden jaar besloten de nieuwe haringvangst met twee weken uit te stellen vanwege het veel te koude weer. Een blunder. Net als die Sprookjesbeelden aan Zee. Maar wil het zeewater niet al te koud blijven zodat de haring wat op gewicht kan komen, moet de zon straks wel weer gaan schijnen. Het zal dan weer een gekkenhuis zijn op Scheveningen, met kilometers lange files die de lucht verzieken. Hoe zal het leven op de maan zijn over vijftig jaar?

Chinees nieuwjaar knort me tegemoet

hat logo meneer b Ik had een halve afspraak in de stad met de ex-hoofdredacteur van een krant, maar versliep me grandioos vandaag. Ik zag een gemiste oproep op mijn mobiel, belde de man op, sprak wat in zijn voicemail en at een boterham met aardbeienjam. Die aardbeienjam is bedoeld als afwisseling op de kersenjam die ik bij elk ontbijt tot mij neem. Ik ben overigens een poosje aan de gemberjam geweest, maar toen rookte ik nog. Ik vind gemberjam echt iets voor rokers. Kersenjam vind ik iets voor dames, maar op één of andere manier past het ook wel bij een schrijver. Ik hoop dat u begrijpt wat ik bedoel. Is dat niet het geval, wéét dan dat ik zelf ook niet helemaal weet wat ik nou precies bedoel.

De dag was ook wel eigenaardig. Ik had het gevoel naar de stad te moeten vanwege die halve afspraak en besloot om dan maar de Chinese nieuwjaarsviering bij te wonen. Mijn zoon, gekluisterd aan zijn pc, wilde niet mee. Eenmaal buiten besloot ik om een grote omweg te maken, zodat ik, eenmaal in de stad gekomen, het einde van de Chinese optocht zou zien. Ik houd namelijk erg van achteraan lopen, ik weet niet waarom, maar als jongen liep ik tijdens schoolreisjes en zo meer graag achteraan.

Het was erg rustig aan de boulevard, misschien bevindt een kwart van Nederland zich in de Europese sneeuwgebieden terwijl een tweede kwart wat rondhangt in goedkope Afrikaanse toeristenoorden en de rest met griep ligt? Ik besloot langs de Scheveningse gevangenis naar de stad terug te fietsen en zag in een flits Helga Ruebsamen, die aan de verkeerde kant van de weg fietste. De laatste keer dat ik haar zag was rond 1990, Margaretha Ferguson leefde toen nog en Helga Ruebsamen reed in een oude Mercedes rond. Nu reed ze op een fiets, zwaar opgemaakt, ze lachte een beetje schaapachtig maar ik zal wel ernstig hebben gekeken, want fietsen is ernst. Ik bedoel: als ik fiets, dan fiets ik en dan ga ik niet uitgebreid naar passerende collega’s zwaaien. Schrijvers onder elkaar is toch al een ramp, een enkele uitzondering daargelaten.

Ik hing zo’n beetje achter een jong wezen op een mountainbike en kon niet uitmaken of het een meisje of een jongen was. Achter me hoorde ik iemand in mijn wiel puffen, al fietste ik niet hard. Mijn zoon zou later zeggen dat vandaag iedereen duf was. Zeker suf geblaft in het voorbije Hondenjaar.

De weg was lang, werkelijk, het Haagse Bos doemde akelig kaal op, de Laan van Nieuw-Oost-Indië was desolaat als de hel, alsof de Engelsen dat gebied zijn blijven bombarderen sinds de Tweede Wereldoorlog. Ik kocht een risolles bij mijn vroegere favoriete toko, die inmiddels van naam is veranderd, en fietste naar mijn oude wijk achter het CS, momenteel nauwelijks bereikbaar vanwege allerlei nieuwbouwactiviteiten, een soort speeltuin voor gewetenloze projectontwikkelaars en hardvochtige architecten.

Op de hoek van mijn oude straat at ik mijn risolles, gezeten op de bagagedrager van mijn trouwe fiets. Verderop stond een huurwoning aangeboden, waarvoor ik hoge ogen zou kunnen scoren en die ik nu wilde gaan bekijken. Maar zodra ik mijn oude straat in fietste vroeg ik me af: moet een mens ooit teruggaan naar waar hij vandaan kwam? Je gaat toch ook niet terug naar een ex-geliefde? De woning bleek onzichtbaar ook nog, want het hele portiek ging schuil achter een ondoorzichtige plastic bouwzeil, alsof er een week eerder een bomaanslag was gepleegd of er tenminste een kakkerlakkenplaag is bestreden.

De wijk was ooit de enige stationsbuurt die níet was verpauperd, maar toen woonden er nog schrijvers als ik. De wijk was ook ooit één van de moeilijkst bereikbare van de stad, nu waarschijnlijk van het hele land. Zelfs op de fiets kon ik het gebied niet aan de kant van het station verlaten. Ik moest hem aan de hand nemen. Ik ontmoette troosteloze gezichten in een grimasserende stationshal. Toen klonk het geweld van de Chinese optocht uit de stad, ik sprong op mijn zadel en ging er op af. Bij de Markthof zag ik nog net de staart van de stoet het Spui oversteken naar het plein.

Ik denk dat het de staart van de Hond was, het voorbije jaar. Vandaag is immers oudjaar en morgen nieuwjaar: het jaar van het Varken. Waarom wordt het niet om middernacht gevierd? Omdat dan de christenen en de moslims willen slapen? Ik had trouwens een Hondenjaar, na een nog verschrikkelijker Hanenjaar. Mag ik nu varkentjes gaan wassen?

Turkoois

hat logo meneer b Het extreme zachte weer is een zegen voor wie regelmatig op de fiets moet klimmen. Maar de jongste cijfers van een of ander onderzoeksbureau laten zien dat fietsers harder worden getroffen door uitlaatgassen dan automobilisten. Voor zo ver ik me kan herinneren kwam men ooit met het ironische nieuws dat automobilisten het ergst werden blootgesteld aan vergiftiging, via de airco van je automobiel die zich voedt met de uitlaatgassen van de auto waar jij achter hangt. Nu blijkt dat fietsers althans in de stad het meest te lijden hebben onder de terreur van automobiliteit. Is het dan eigenlijk wel gezond om te revalideren op een fiets? En wat wordt nou met de stad bedoeld? Houdt Den Haag op bij de duinen en kan ik daar nog vertrouwen op de lucht, of is die frisheid daar suggestie? De wind was krachtig aan de boulevard vandaag en mijn mobiel ging af net toen ik de top van de Scheveningse Slag had bereikt en uitkeek over zee. Ik kreeg de manager aan de lijn van het Thuiszorg Syndicaat. Ze vertelde me dat ik de afgelopen weken geen thuiszorg meer had ontvangen. Dat klopte. En dat de thuiszorg hervat kon worden. Ho! Even nadenken! Kunt u mij volgende week misschien terugbellen? Dan heb ik mijn agenda bij de hand. Ja hoor, Meneer B. Ik wilde haar ook nog vragen of ze had gelezen dat Chick Corea opeens zo nodig Mozart moet komen spelen in Holland. Die pianist was al verdacht vanwege zijn geflirt met L. Ron Hubbard’s geschrift Return to tomorrow (daarom heette zijn band begin jaren zeventig Return to Forever), en nu gaat ie ook nog die vreselijke tutmuziek komen brengen met een hoop kauwgom erdoorheen. En we zijn al zo doodgegooid met die eeuwige Mozart, die men niet eens een fatsoenlijk graf heeft gegeven. Zet een klassieke radiozender aan en je hoort Mozart, terwijl je je wezenloos zoekt naar Pärt, Górecki of Schnittke. Ik had dit even willen aansnijden bij de manager van het Thuiszorg Syndicaat, maar er was al opgehangen. De bewolking boven zee liet een breuk zien in ragfijn turkoois.

Nieuwjaarsrondje

hat logo meneer b Na een solitaire oudejaarsavond was ik wat vroeger naar bed gegaan om op tijd te kunnen zijn als toeschouwer van de 39e nieuwjaarsduik in Scheveningen (als grap begonnen in 1965). Maar er was ruzie op straat, mensen werden emotioneel en schreeuwden elkaar allerlei verwensingen naar het hoofd. Opgestaan, appelflap gegeten, een slaappil met een blikje cola naar binnen gespoeld. Halfelf werd ik wakker, maar het regende als een godsgericht. Ik heb me lekker omgedraaid en sliep een gat in de dag. De zon scheen toen ik op mijn fiets stapte, ik zag veel joggers en renners, veel lachende gezichten. Een stroom van bezoekers verliet juist het Huis van Bewaring toen ik er langs fietste, het fietspad in de duinen werd ingepikt door automobilisten die ook alle asfalt claimen wanneer ze wandelen. Ik sloeg linksaf richting boulevard en kreeg de wind vol van voren. Mijn hartslag bleef rustig, ik denk dat ik in het voorjaar wel op de racefiets kan. In mijn klim omhoog op de Scheveningse Slag werd ik door een windvlaag bijna van mijn fiets gerukt. Ik liep het laatste stuk omhoog. De zee was wild. Het enige dat herinnerde aan de nieuwjaarsduik waren een enorme tent en touringcars uit diverse landen. Eén kitesurfer waagde zich op zee. Fietsend over de boulevard met de zon en de wind op mijn snoet prevelde ik mijn eigen mantra op de beat van Thug Mansion van 2PAC: cycling for peace in my heart, cycling for peace in my heart, cycling for peace…