Weer veel te laat opgestaan, zonder zin in fietsen. Mijn zoon adviseerde me toch te gaan, het fietsen was er door die feestdagen al bij ingeschoten. Ik had namelijk gisteren nog een 3e kerstdag, high tea bij een gezelschap dat ik de laatste keer zag ergens in april. Het was aangenaam toen, gisteren minder. De gastvrouw had de kamertemperatuur bijzonder laag, ik had het erg koud. Haar zuster was al vertrokken toen ik aankwam, een bijzonder mens van wie een ondefinieerbare kalmerende werking uitgaat. Als je hoopt iemand ergens aan te treffen en die persoon is er niet, dan moet je niet die persoon gaan zitten missen, want dan ga je niet mee met waar je leven je brengt, wat het leven je biedt, wat het leven van je eist en zo meer. We zaten met ons vieren aan een ronde tafel, toch ontstond er geen geanimeerd gesprek, het liep allemaal door elkaar heen, nogal nerveus en ongericht. Het mooiste tafelgesprek met vier personen klinkt als een strijkkwartet. Misschien lag het aan mij en botsten mijn vibraties met die van de anderen. Het was geen groot probleem, immers de dagen tussen kerst en Oud en Nieuw vragen bijna om allerlei ongericht verkeer. Niet alleen in het sociale leven, maar ook op straat. In het kader van mijn revalidering maakte ik wat tempo op mijn zware stadsfiets en ontweek een tiental auto’s die vreemde capriolen uithaalden. Op de boulevard werd ik verwelkomd door twee begrafenisauto’s, die met gierende banden de bocht om scheurden.
Tagarchief: boulevard
Worstelen en zo
Afgelopen nacht versie numero 5 van een novelle afgerond. Door bepaalde bladzijden, zelfs een heel hoofdstuk, te schrappen heeft het in elk geval zijn saaiheid verloren. Maar het is nog niet goed. Komt door de vorm die ik heb gekozen. Door al dat gekras in het manuscript is de boel moeilijk leesbaar geworden, ik zal de correcties en veranderingen dus moeten invoeren. En dan weet ik nog niet waar ik de novelle moet plaatsen in de serie van drie waaraan ik werk. Omdat ik daar al zo lang mee worstel, probeer ik de teksten nu zodanig te schrijven dat de volgorde waarin je de novellen leest geen invloed heeft op het narratieve geheel. Toch vraagt een boek nu eenmaal om een presentatie, daar ontkom je niet aan. Eén van de novellen zal vooraan moeten staan, één in het midden en één achteraan. Er zal bijna geen lezer zijn die de boel van achteren naar voren leest of bijvoorbeeld in het midden begint. Aanwijzingen voor leesstrategieën hebben geen zin, dat heb ik al eens ondervonden met de samenstelling van een bloemlezing. Ik weet niet of het afronden van een nieuwe versie mijn energieniveau voor vandaag heeft aangetast. Ik zag op tegen mijn revalidatierondje en koerste ditmaal recht op de boulevard af, om van daar via het havengebied terug te fietsen. Volkomen buiten adem, met vage verschijnselen op de borst, kwam ik thuis. Voor het eerst sinds mijn hartinfarct kreeg ik even de aanvechting een ambulance te bellen. Schrijven is topsport. Pauze.
Nooit weerom
De klok wees precies 12.00 uur aan toen ik uit bed sprong. Dat is twee uur vroeger dan normaal, maar ik moet mijn ritme aanpassen om tenminste een hele middag daglicht te krijgen. Er zijn mensen die tweemaal zo veel nodig hebben, maar voor mij is dit voldoende om een winterdip te ontlopen. Ik voelde me niet fit genoeg voor een rondje Watertoren en fietste naar de stad om sokken te kopen. Ooit had de HEMA 100 procent katoen sokken, maar die tijden zijn voorbij. De Bijenkorf biedt 100 procent katoen sokken aan van Boss. Die zijn heel duur en de boord scheurt al na een paar wasbeurten. Ik had geen zin de stad verder af te zoeken en fietste naar het Hertenkamp, vanwaar ik koers zette richting zee. Ik fietste heel lang achter een jongen aan en zag aan zijn houding dat voor hem school noch thuis vrolijke plaatsen waren om te vertoeven. Het weer was zacht, de wind viel mee, toch kwam ik stuk te zitten op de boulevard vanwege die twee uur minder slaap. Ik dook een visrestaurantje in voor een broodje haring. De Scheveningsche Courant meldde dat afgelopen zaterdag de laatste boten van de Norfolkline waren vertrokken. Het speciaal eromheen georganiseerde rouwfeest is volkomen aan mij voorbijgegaan. Den Haag raakt veel kwijt in korte tijd: de Haagsche Courant, het North Sea Jazz Festival en nu de Norfolkline. Ik zal nooit meer de scheepshoorn over de slapende stad horen galmen, terwijl ik in stilte zit te schrijven.
Anticipatie
Het weer lijkt op een vroege lente. Ik spring op mijn fiets, richting Watertoren. De mensen gedragen zich anders dan normaal, net als de ganzen die vanwege het extreem zachte weer niet aan de grote trek willen beginnen. Het wemelt van de wandelaars, joggers, renners, mountainbikers en nordic walkers in de duinen. Wanneer ik het gedrocht Scheveningen binnen fiets, staat er zowaar een file. Dat wordt oppassen, want op een zondag als deze claimen automobilisten straat, stoep én fietspad, onverschillig of ze zich in of buiten hun milieuvervuilende auto’s bevinden. Op de boulevard begint mijn dagelijkse inspanningstest. Met de wind pal van voren leg ik mijn duimen over mijn stuurpen, duik in elkaar en leg mezelf een zo hoog mogelijke pedaalomwenteling op. Ik hoor gehijg van andere fietsers in mijn rug. Het verbaast me dat ze me niet inhalen. Laten zij zich door een hartpatiënt uit de wind zetten? Wanneer ik bij de haven afsla en achterom kijk, zie ik dat vier fietsers mijn kielzog hadden gekozen. Ze zijn jong, één rijdt zelfs op een mountainbike. Dit geeft hoop voor de toekomst… Nou ja, voor mij dan. Gisteravond aan tafel sprak ik met mijn bijna 14-jarige zoon over de vergiftigde Russische ex-spion. Via de radioactieve stof polonium 10, die hem velde, kwamen we op het milieu. Ik noemde het jaar 2050. ‘Dan draag ik een gasmasker,’ zei mijn zoon. Ik vroeg hem of dat beeld soms door leraren op zijn school was geschetst. ‘Nee,’ zei hij, ‘dit denk ik zelf.’
Schrijvers kennen geen pensioen
De herfst wil maar niet vallen. Niet slecht voor wie dagelijks verplicht een uurtje moet fietsen in het kader van zijn revalidatie. Gisteren viel het me zwaar, psychisch, en ik jakkerde mijn retourtje boulevard dan ook haastig af, voor zo ver ik met mijn conditie van jakkeren kan spreken. Maar vandaag had ik er wel zin in, ik trok een wijde boog via de watertoren en dook het architectonische gedrocht genaamd Scheveningen in, waar tussen de flipperkasten ergens een Kurhaus schijnt te staan. Achter een geasfalteerd stuk duin, scherprechter voor revaliderende trimmers (krijg je hier geen hartinfarct, dan kun je nog wel een weekje mee), lag de zee, de grijsbruine zee. De zee was sloom, vertoonde nauwelijks golfslag. Ook wandelaars op de boulevard waren sloom, en de honden op het strand, de hele middag was sloom. Ik dook met mijn fiets het havengebied in, at een slome haring tussen bedelende meeuwen – wat heb ik een gruwelijke hekel aan die beesten, ik zou ze het liefst naar Siberië sturen – en fietste van verveling maar weer terug naar de boulevard. Daar stortte ik opeens in. Een tegenvaller. Ik had mijn krachten overschat. Kijken naar de zee op een bankje is een aardig alternatief, als maar niet aldoor gepensioneerde vergrijzende generatiegenoten als manke meeuwen langslopen en mijn uitzicht bederven. Wat moet het afschuwelijk zijn om op zo’n manier van je oude dag te genieten. Wij schrijvers kennen geen pensioen, wij schrijven tot we erbij neervallen. Louis Paul Boon stierf in het harnas. Mooi.
Uit mijn humeur
Mijn naam is Meneer B. en één van mijn hinderlijkste eigenschappen is mijn receptief vermogen. Vooral ikzelf heb er last van. Was ik gisteren nog volkomen in balans na mijn bezoek aan de cardioloog, die mij achteraf gezien weinig wijzer maakte met het obligate zinnetje ‘je moet naar je lichaam luisteren’, vandaag werd die verstoord door iemand die ooit werkster heette, daarna hulp in de huishouding, thans interieurverzorgster en over enkele jaren wellicht apartment manager heet. Mijn thuishulp belde een kwartier te vroeg aan en verstoorde zodoende mijn ontbijt, dat ik graag alleen nuttig, zonder enig verbale begeleiding, ongeacht van wie. Ik had al speciaal voor haar mijn rooster gewijzigd, opdat zij morgen een of ander huwelijksfeest kon bijwonen, en nu bleef ze ook nog drie kwartier bij mij aan tafel zitten, klagend over haar mobiele telefoon, die ze bij haar vorige cliënt had laten liggen. Ik verdacht haar van opzet en voorzag een vroegtijdig vertrek. Ik ontvluchtte mijn huis en fietste naar de zonnige boulevard. Ik voelde me niet zo optimaal als gisteren, lichtelijk misantropisch ook. In de haven kocht ik een gestoomde makreel van een lekker viswijf, zo’n klassiek type met haren onder de visolie, een liederlijk schort om en van vet druipende vingers die onze bankbiljetten zo fraai bijkleuren. Na thuiskomst verraste mijn thuishulp me inderdaad met een buitengewoon vroegtijdige aftocht. Ik kan dingen voorvoelen, maar gebeuren ze eenmaal, dan ben ik danig uit mijn humeur. Het is als het luisteren naar je lichaam: niemand hoort je.
Waar haalt een mens zijn eten op maandag?
Heen en terug fietsen langs dezelfde weg tussen huis en boulevard wordt vervelend. Ik besloot vandaag om via de watertoren te rijden. In vijf minuten bevind ik me in de ambassadewijk van de stad. Het is er groen en uitgestorven. Langs de Scheveningse Bosjes via de Kerkhoflaan gaat niet zonder reminiscenties aan toen ik 20 was en nog helemaal niets van Couperus wilde weten, die de hele omgeving in De boeken der kleine zielen heeft vereeuwigd. Na het kerkhof sla ik linksaf en fiets langs Madurodam de Badhuisweg op, waar ik van mijn 17e tot mijn 18e met een stuk of 20 jongens onder de kinderbescherming in een villa rondhing. Het tehuis is afgebroken, ik ben niet bezig aan een sentimental journey maar aan de revalidatie van mijn hart. Ik word voorbijgestoken door toeristen, dus snel fietsen doe ik niet. Bij de watertoren stop ik even, neem een slokje water uit een flesje dat ik bij me heb, en fiets dan verder, langs de duinpan richting Scheveningen: een chaos van architectonische gedrochten die geen enkele jeugdherinnering bij me oproepen. Een klimmetje duinop moet staande op de pedalen, het is een verademing de zee te zien, altijd weer. Ik fiets de boulevard helemaal af en ga op zoek naar een viswinkel in de binnenhaven. Ze zijn er, en allemaal gesloten. Waar haalt een mens zijn eten op maandag als de supermarkten er zo tam bij liggen? Enfin, ik heb mijn actie radius driemaal vergroot. Dat zal mijn cardioloog fijn vinden morgen.
Nog eens de zee
De zee, nog eens de zee. Het was vandaag nog kouder dan gisteren aan de kust, toch waagde ik het helemaal naar de vloedlijn te lopen om er foto’s te nemen. Dat zou ik gisteren niet hebben gedurfd. Ik testte een Samsung camera uit, die ik inderhaast tijdens een tournee over Java in Solo had gekocht. De digicam kan het Hollandse klimaat kennelijk niet meer verdragen en brengt nog slechts aquarellen voort. Ik dook verkleumd een snackcar in, waar ik patat in een puntzak bestelde. De smaak van patat zonder mayonaise, pindasaus, ketjup of een combinatie van die sausen met daarbij gevoegd uitjes dan wel sambal oelek of daar weer een combinatie van – ik bedoel te zeggen dat een patatje plain verbazingwekkend saai smaakt. Het was nog een geluk dat de patatbakker een jongeman was die een verre nazaat kon zijn van Quasimodo, bochelloos evenwel, met een lelijkheid die mij bijzonder imponeerde, anders was mijn verblijf in die frietkraam nog saaier geweest. Ik hoorde honden blaffen en zag hoe een eindje verder twee honden een skateboarder in een been beten. Veel meer dan schelden op de eigenaar van de honden viel er voor de skateboarder niet te doen. Overig terreur op de boulevard kwam van de meeuwen, een vogelsoort die ik om redenen die mijzelf absoluut duister blijven verafschuw, die alsmaar op mijn patatje plain aasden. Brutale kauwtjes waren ook van de partij en aangezien ik die vogels amusant vind, besloot ik om mijn patat met hen te delen, in het bijzonder met een ouder exemplaar, met wie ik me verwant voelde.
Hindostaanse suiker
Meeuwen behoren te vliegen. Er is werkelijk niets lelijkers dan een meeuw die naast je komt staan niksen terwijl jij lekker op je strandmatje ligt te zonnen in Scheveningen Paradise. Vooral de jongere exemplaren zitten afgrijselijk in hun veren. Daarbij zijn ze ook nog eens strontvervelend. Je meisje is amper teruggekeerd van de Egyptische snackcar, of er komt zo’n afzichtelijke, brutale meeuw een patatje uit je bakje wegkapen, en passant ook nog eens een lik mayo dan wel pinda nemend. Maar het moet gezegd: vliegt zo’n meeuw eenmaal weg, dan metamorfoseert zijn lelijkheid allengs in een schoonheid waar de mooiste mannen en vrouwen op het strand bij verbleken. En ze zien al zo bleek, die volgevreten auto’s (autochtonen) en allo’s (allochtonen) die het strand bezoedelen met hun weggeworpen halfgeconsumeerde etenswaren. Ziedaar de reden van de meeuwenplaag, die Scheveningen Paradise teistert. Waar hangen de hindostanen eigenlijk uit? Met 40.000 zijn ze in ’t Haegsche neergestreken, maar je ziet ze nauwelijks op het strand. En al helemaal niet in badkleding. Het lijken wel Scheveningers! Die beperken zich ook tot geflaneer over de boulevard. Het is daar waar je de hindostanen moet zoeken, smetteloos gekleed en all that, wandelend of tuffend over de boulevard. Zouden zij zich zelfs op de boulevard suf snoepen aan zuurstokken, smarties, suikerspinnen, popcorn, spekkies en meer van die levensverkortende goedjes? De krant staat weer vol over de eetgewoonten van onze kampioenen suikerzieken. Opvallend is dat hierbij melding wordt gemaakt van hindostanen en niet van hindoestanen. Hindostanen hebben hun wortels in en rond India en hun omweg naar Nederland via Suriname. Tachtig procent is hindoe en twintig procent moslim. Volgens de GGD heeft veertig procent van de Haagse hindostanen kans op suikerziekte. Nou ben ik benieuwd of er verschillen zijn tussen de hindoes en de moslims onder de hindostanen. Hebben rituele maaltijden invloed op suikerziekte? Hebben moslims onder de hindostanen misschien minder kans op suikerziekte omdat ze wellicht minder snoepen dan hindoes? Interessante vraag, lijkt mij. Enfin, onderzoek en berichtgeving over ‘etnische minderheden’ munten toch al zelden uit in helderheid. Ik hou het er maar even op dat niet hindostanen maar hindoestanen in de rij staan voor een abonnement op insuline. Mijn advies aan hen luidt: eet wat u wilt, maar blijf niet op de boulevard aan die suikerspinnen plakken. Trek eens een zwembroek of badpak aan en meng u op het strand tussen de auto’s, allo’s en meeuwen! Neem eens een verfrissende duik in onze van geneeskrachtige algen vergeven zee. Die is schoner dan de Ganges. Cool! En laat die heilige auto eens staan. Ga fietsen! Een hindoestaan op een fiets is nog altijd zoiets als een eskimo op rolschaatsen. Niet dan? Nee? Waar fietsen jullie dan, hindoe… eh… hindostanen?
Haagsche Courant, vrijdag 18 juli 2003
Broodje meeuw
Wil je nagaan hoe verwend een volk is, dan moet je kijken naar hoe ze met hun dieren omgaan. Rijke volken houden dieren als maatje, object of knuffel, arme volken vreten ze gewoon op, tenzij een of ander geloof dat verbiedt, zoals in India, waar de koe heilig is. In China eten ze alles, van sprinkhanen en babymuizen (lekker met ketjap) tot en met slangendarmen. In Vietnam en Cambodja is de wilde rat erg populair.
Men zegt dat je meeuwen niet kunt eten. Taaie beesten, weinig mee te beginnen. Maar wij hier eten sowieso weinig van wat er om ons heen vliegt. Wij eten bij voorkeur vlees van dieren met een levensloop waar we weinig meer van weten dan dat die zich op de vierkante meter afspeelt.
Mocht de anti-bio-industrie-lobby het ooit ver schoppen, dan zal er schaarste aan vlees ontstaan. Die moet dan worden opgevuld met wild, zoals rat, mier, eend én misschien toch nog meeuw. Van mij mag het, want zo’n meeuw wordt met de dag luier. Je wandelt nog niet met je patatje van de snackcar aan de boulevard weg of die vervelende, opdringerige lelijkerds cirkelen al om je heen. Sommige zijn al zo brutaal om in glijvlucht een patatje uit je bakje te jatten. De gevorderden nemen er dan ook nog effe een lik mayo of pinda bij mee.
’t Is wat, hè?
Hopelijk zal die vette patat de meeuw ooit een andere substantie gaan geven: malser, sappiger, eh… eh… in elk geval rijp voor broodje meeuw (eventueel met zeewiergarni).
Het zal de patatboer aan de boulevard worst zijn. Die vraagt je toch niet: ‘En? Heeft het gesmaakt?’
Haagsche Courant, vrijdag 3 mei 2002