Dreiging sluiting Museum Nusantara

east magazine Museum Nusantara is nog maar net bekomen van een ingrijpende en geslaagde verbouwing, of de monsters van het kabinet hebben het al in het sloopzuchtige vizier. Het kent maar één mantra: “Het zijn zoals bekend economisch zware tijden en hierin is geen plaats voor de culturele sector. Alles wat niet direct zichtbaar zakken met geld oplevert, moet sneuvelen. Gemeenten moeten drastisch op hun budgetten worden gekort, want zij geven alleen maar geld uit en bieden ons daar niets voor terug.”

Dit is het beleid van de Generatie Nix, die met Nix is opgegroeid, die Nix had om naar uit te zien, die Nix uit de handen liet komen en thans aan de macht is en denkt dat de wereld beter af is met Nix. De geschiedenis begint volgens deze imbecielen in het jaar 2000, en alles wat eerder plaatsvond heeft geen enkele betekenis, een enkele oorlog daargelaten. Dit heeft in Delft tot direct gevolg dat Erfgoed Delft, het overkoepelende orgaan waar museum Nusantara onder valt, ook moet bezuinigen. En hoe!

De directie van Erfgoed Delft dreigt met ingang van 1 januari 2013 Museum Nusantara haar deuren te laten sluiten. De reden is dat het aantal bezoekers te laag is waardoor het museum niet rendabel zou zijn. Hiermee wordt volslagen gedachteloos een zoveelste poging ondernomen om het belangrijkste hoofdstuk van de Nederlandse geschiedenis, die van de VOC, het kolonialisme, de dekolonisatie en de eeuwenoude banden met Indonesië onder de zoden te stoppen.

En nu komt het… Het gebouw zal een jaar later weer voor het publiek open gaan met een presentatie rond Delfts Blauw Aardewerk.

Welnu, wat is Delfts Blauw en hoe en waardoor is het ontstaan?

Aan het einde van de 16e eeuw introduceerden de Portugezen Chinees porselein, met zijn kenmerkende blauwe beschildering, in Nederland. Dat is kort voor voordat de Hollanders op de gestolen zeevaartkaarten van Jan Huygen van Linschoten de zeilen hesen en richting Indië voeren, waardoor al gauw de VOC werd opgericht – Dit geïmporteerde Chinees porselein was fijn en sierlijk en onmiddellijk zeer gewild. Later kwam het via de Hollanders en Zeeuwen met de VOC-schepen naar Amsterdam.

Alleen de zeer rijken konden zich Chinees porselein permitteren. De Delftse majolicabakkers, die nog geen echt porselein konden maken, begonnen toen met veel succes imitaties te maken. Delfts Blauw is dus in het geheel niet los te zien van de geschiedenis van de VOC, en uiteraard is de geschiedenis van de VOC niet los te zien van Neerlands koloniale geschiedenis en ook niet van de oorlog die Nederland voerde in Indonesië, nadat het zelf was bevrijd van de Duitsers.

Een Delfts Blauw Museum betekent dus: een museum rond namaak Chinees porselein. Ik spreek niet tegen dat Delfts Blauw in een latere periode zelfs roem in China zou oogsten. Dat is het punt niet. Ik zeg: een Delfts Blauw Museum in de plaats van Museum Nusantara is een museum dat liegt, een museum dat de oorspronkelijke geschiedenis verknipt.

Concreet betekenen de plannen van de rücksichtslose overheid het einde van Nusantara als internationaal uniek museum voor Indonesisch cultureel erfgoed. De collectie blijft weliswaar in Delft – die wordt nog net niet in zee gedumpt – maar zal een slapend bestaan gaan leiden.

Zijn musea gedoemd om hun voortbestaan op lekkende zolderetages voort te zetten of zoiets?

Uiteraard strijd de conservator voor het behoud van Museum Nusantara. Maar zo’n strijd kan je niet alleen voeren. Neem deze weblogpost dan ook over, als je Museum Nusantara een warm hart toedraagt. Zet er je eigen reactie bij, of bewerk de tekst naar eigen inzicht en stuur het verder de wereld in (weblog, Facebook, Hyves, link hierna toe op Twitter etc.)

Alleen dán kan de conservator, Amy Wassing, gesterkt door alle reacties, opnieuw een dialoog aangaan met de directie in de hoop een zekere toekomst voor Nusantara te bewerkstelligen.

* * *

Bij de heropening van Museum Nusantara op 11 maart jongstleden:

This Balinese court dance was performed by DwiBhumi – Centre for Balinese Dance and Culture in The Netherlands, during the opening ceremony of Museum Nusantara, March 11th, 2011. Title of the dance: Legong Keraton Lasem. Dancers: Febrina Tanoewidjaja, Mirah Ayu Supriyono and Aafke de Jong. See also: Balinese Dans

Programmawijziging Indische schrijversavond

gekko Tot zijn, en onze, spijt heeft Ernst zojuist moeten afzeggen voor aanstaande woensdag vanwege een techniekrepetitie in Lochum. Hij had het heel leuk gevonden erbij te zij, al was het maar vanwege de viering van zijn nieuwe editie van De Overkant + cd + dvd. Misschien wordt zijn plaats vervangen door een ander, hoe dan ook: volgens de organisatoren wordt het toch een geweldige avond met zoveel kwaliteit in huis!

Mijn collega’s en ik melden ons om 18.00 uur in het Mondiaal Centrum Haarlem om gezamenlijk Chinees te eten. Chinees eten op een “Indische” avond is wel lollig, in Indonesië eten ze ook vaak Chinees voor of na literaire avonden. Mijn vader, ooit, at alleen maar Chinees buiten de deur in Surabaya, Indisch eten dat deed je immers thuis.

Na het eten spreken we het programma vooraf door en worden er soundchecks gedaan. Het is de bedoeling dat we tijdens ons optreden rond de tafel zitten en dat tijdens het gesprek elke auteur “iets doet”. Mocht Archipel Magazine verschenen zijn, dan lees ik mijn polemisch stuk voor als tegenstem voor het op handen zijnde idiote CPNB-feestje “Nederland leest”.

Natuurlijk komt mijn novelle Rivier de Lossie ook aan bod, wellicht in een interviewvorm met Peter de Rijk. Verder worden er fragmenten vertoond uit de televisieontmoeting tussen Ernst Jansz en Frans Lopulalan anno 1986.

Van Peter van Dongen is beeldmateriaal zien uit zijn strips en hij wordt geïnterviewd de ontstaansgeschiedenis van zijn werk, dat ook in Indonesië bekend is, net als mijn romans Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis.

Glenn Pennock, terug van lang weggeweest, werkt aan nieuwe roman en vertelt erover en leest enkele fragmenten voor. Als entre act speelt hij een of twee nummers op de gitaar. Er staan een paar nummers van Glenn Pennock online, waaronder een nummer samen met de jonge Indo-mondharmonikaspeelster Iris Frikke. In principe wordt de hele avond opgenomen, in elk geval in geluid. In beeld, dat weet ik niet.

Beerput – verhaal in Archipel Magazine

Het zuiden van Nederland was nog niet bevrijd door de geallieerden of de slogan Indië verloren, rampspoed geboren galmde als een mantra in de Haagse regeringsgebouwen. De eerste scheepsladingen met mariniers, gerekruteerd in Brabant en Limburg, bleken niet voldoende en na een grondwetswijziging waren dienstplichtigen de klos. Onder die jongens bevond zich mijn oom Jan. ‘Ons Jan’, zo genoemd in het Helmondse, kwam tegen zijn zin als soldaat in de zelfgeproclameerde republiek Indonesië terecht, wendde direct na aankomst buikkrampen voor, misselijkheid, hoofdpijnen en een volslagen afkeer van de tropische hitte.

Mijn vader was een jaar of twintig toen hij in zijn geboorteplaats Soerabaja de pantserwagens van de geallieerden binnen zag rijden en zich als tolk aanbood. Nu, na de Japanse capitulatie, de Nederlanders het stokje van de geallieerden kwamen overnemen, trok hij op met de mariniers en voerde een oorlog die in onze geschiedenisboeken de Politionele Acties genoemd wordt. Koloniale inkt, kroontjespennen, simpel.

Nederlandse jongens speelden domme bijrollen in mijn vaders heldenverhalen, anders dan de Britse en Amerikaanse die hij had meegemaakt. Belanda’s staken een sigaret op in het pikkedonker met de vijand op een steenworp van ze vandaan. Dat soort dingen. Dorpjes platbranden viel niet onder de noemer heldenverhalen, dat was gewoon marinierswerk, er school geen romantiek in. Romantiek kwam pas tot leven wanneer werd besloten om een dorpje níet plat te branden.

Vrouwen, dat.

‘Niet doen, er zit een liefje van mij daar in die kampong.’

‘Hey, daar zit een meid die beweert een kind te hebben van een oom van me, ha ha! Die Belanda’s naaien ook maar raak hier. Mogen wij Indo’s dat dáár ook in Holland? Vreemd is het wel dat die Belanda’s hun vrouwen niet slaan. Hoor je dat? Die Belanda’s slaan hun vrouwen niet, in Holland slaan de vrouwen hun mannen, duh! Die meiden daar hebben haren op hun tanden, loh!’

Oost-Java, vage geschiedenissen alom, op elk niveau. Lijken dreven nooit lang in de kali, de krokodil zwom er nog. Tegen de tijd dat Politionele Actie numero 1 werd ondernomen, had onze lepe Jan de terugreis per schip al aanvaard, hij veegde zich de krokodillentranen van zijn snoet en floot schijnheilig deuntjes van heimwee door de patrijspoort van zijn scheepshut. Gezeten op een truck die hem naar de haven bracht had hij hilarisch zijn correspondentieboekje in de richting van een stel tolken geworpen. Mijn vader had het opgevangen en koesterde het als een juweel. Limbo’s en Brabo’s zwaaiden vaker vlijtig met hun correspondentieboekjes. Er stonden portretten in van bekoorlijke Nederlandse meisjes: godinnen in de ogen van elke Indo.

Mijn vader had de pech Adolf te heten, maar ook het geluk in een land te wonen waar bijnamen belangrijker zijn dan geboortenamen. Hij werd Do genoemd, soms Dodo. Mooie Do kreeg drie correspondentievriendinnetjes: een hoogopgeleide Amsterdamse dame die zich liet fotograferen op een hemelreikende trap in een chique studio, een dame uit de Haagse middenstand poserend met parasol voor het Kurhaus en dan nog een vrolijk lachend kamerolifantje uit het Brabantse Helmond, zeg maar het Kediri van Nederland.

De Amsterdamse schreef haar vlekkeloze brieven in schoonschrift met groene inkt en bestrikte haar enveloppen met paarse lintjes. De Haagse gebruikte een schrijfmachine waarvan de e en de o versleten waren. Daar stond tegenover dat ze naar eigen zeggen zeer hoge snelheden tot wel 200 aanslagen per minuut haalde. Do was daar eigenlijk wel jaloers op. Alsof het niet genoeg was wat zijn elegante vingers op de papierrol hamerden van wat Indonesische verzetsstrijders uitschreeuwden onder de martelingen van de Nederlanders.

Do maakte deel uit van een drietal tolken. Hij sprak en schreef Nederlands, Engels, Frans, Duits, Hoog-Javaans, Midden-Javaans, Laag-Javaans, Madoerees, Soendanees, Pidgin-Chinees, Kantonees, Japans, een beetje Arabisch en natuurlijk Maleis, de voertaal in de kustgebieden van de archipel. Het Helmondse kamerolifantje was erg onder de indruk van Do’s Nederlands. Andersom verbaasde hij zich over haar kinderlijke schrift, idiote interpunctie en onnozele mededelingen. Maar ze had een paar zusters, van wie de leukste serieus uit was op een knappe tropenjongen. Ze dicteerde haar oudste zus, het kamerolifantje, dat ze ‘als boter zo geyl is van je augen’.

‘Dat is geen Nederlands,’ grijnsde een marinier naast hem op een pantserwagen. Een ogenblik later reed mooie Do tijdens Politionele Actie numero 1 op een landmijn en tuimelde tachtig meter een ravijn in. Tot zijn leedwezen kon hij vanwege verwondingen aan zijn rug niet aan Politionele Actie numero 2 meedoen. Hij verbleef een poos in de Willemsoordkazerne. Hij ging wel eens op stap, totdat hij vaker en vaker zijn naam op de wind voorbij hoorde komen, die was opgestoken in de achtertuin van Soekarno. Zijn naam stond op de zwarte lijst. De strijd was beslecht, voor Do verloren, de dekolonisatie kon beginnen. Het ene na het andere schip vol militairen of burgers vertrok richting Holland. Mooie Do kreeg het bevel permanent binnen de muren van de kazerne te blijven. Hij zou hulp krijgen van een schimmige Nederlandse kapitein, zonder wiens netwerk hij nooit zijn land had kunnen ontvluchten, waar zijn toekomst in de maag van een krokodil lag.

Daags voor zijn vertrek nam hij tijdens de stille en minder onveilige middaguren afscheid van zijn moeder, de kokkin en de huisbediende. Alle anderen waren afwezig. In de avond sloop hij de kazerne uit met Ben, een Ambonese vriend, die een goede Chinees wist aan de Embong Malang. Volgens Ben was het varkensvlees bij die Chinees het beste van de stad en wellicht van heel Oost-Java, zo niet van het hele eiland. Hij kende ook het geheim van de Chinees, maar wilde dat niet zeggen. Hij liet alleen maar een hilarisch gegrinnik horen.

‘Ik kom er toch wel achter,’ zei Do, ‘ik kom overal achter, dat wéét je.’

Do doelde op de ondervragingstactieken die hij kende om Indonesische gevangenen aan het praten te krijgen. Een lange bootreis wachtte beiden. Hij had dan alle tijd Ben aan het praten te krijgen.

* * *

U bent op ongeveer eenderde van Alfred Birney’s verhaal Beerput. Verder lezen? Click hier voor het nemen van een abonnement of het aanvragen van een proefnummer van Archipel Magazine. Of hol naar een goede boekwinkel of kiosk. Geen idee waar in uw woonplaats? Vraag het Archipel Magazine per e-mail.

Metamorfose

logo alfred birney Als je veel schrijft of hebt geschreven, dan krijg je een handschrift dat men wel een ‘doktershandschrift’ noemt. Ik heb zo’n handschrift. Mijn geschreven teksten zien er het mooist uit wanneer je ze een kwartslag draait. Je krijgt dan iets wat op Chinees lijkt. De afgelopen avond ben ik meer tijd kwijt geweest aan het ontcijferen van mijn eigen handschrift dan het invoeren van de correcties, die ik de afgelopen zomer lekker in de zon op mijn balcon maakte. Het gaat om een essaybundel rond koloniale literatuur in het tijdvak 1880 – 1910. Drie boeken van drie beroemde schrijvers worden vergeleken met drie pendanten van minder bekende schrijvers. De beroemden heten Multatuli (althans zo noemde die ijdeltuit zich), P.A. Daum en Louis Couperus. De minder bekenden heten Dé-lilah (althans zo noemde zij zich), Victor Ido en J. E. Jasper. De eerste drie zijn blanken (totoks), de laatste drie Indo-Europeanen (Indo’s). Wat ik allemaal betoog kan ik moeilijk in een paar zinnen kwijt, maar het komt erop neer dat het perspectief van de Indo-Europeaan altijd genuanceerder was dan dat van zijn of haar totok tegenpool. En dat dat genuanceerde perspectief moeilijk werd (en wordt) opgepakt door die trage breinen van die suffe literaire smaakmakers rond de Amsterdamse Grachtengordel, waar de Hollandse handelsgeest het nog altijd wint van schoonheid, in welke kunstvorm dan ook. Ik had daarover een gesprek eergisteravond met een bevriende kunsthistoricus, die uiteraard met Italië als zo’n beetje het tegenovergestelde kwam aanzetten. Hij had een verukkelijke uiensoep bereid naar Paul Bocuse, slecht voor mijn gezondheid maar goed voor mijn humeur, ik ben de naam vergeten van de Italiaanse wijn die ik meebracht, ik had hem voorgekoeld, het is nu 2 september, de avonden worden koel, de nachten nog net niet koud, ik zou even weg willen vluchten naar een warm eiland, eerst mijn paspoort maar eens vernieuwen, dat ding is al twee jaar verlopen, er staan fraaie stempels in, die ben ik straks kwijt. Ze hebben afschuwelijke plannen met biometrische paspoorten, dubbele vingerafdrukken, irisscans. Handel in paranoia, als je het mij vraagt.

Chinees hoedje

hat logo meneer b Ik had mezelf voorgenomen te gaan fietsen, maar stond op als een dweil. Mijn zoon had een virus van school meegenomen, de helft van zijn klas was ziek. Het gaat om een ongesteldheid van drie dagen, volgens zijn klasgenoten. De frequentie van dit soort griepachtige verschijnselen lijkt synchroon te lopen met de klimaatsverandering. Lummelen achter mijn bureau gaat nog wel, maar vanmiddag verspilde ik nogal wat energie door een loodgieter te helpen die, volgens afspraak, met een tregakapje aan was komen zetten. De man probeerde via mijn huishoudtrap van niks het dak te beklimmen. Ik heb de huishoudtrap maar vastgehouden en de zooi opgeruimd die van het dak mijn badkamer in stoof. Ik rende herhaaldelijk de trappen op en af om te kijken of de loodgieter al beneden kwam en toen hij weg was stond loodgieter numero 2 voor de deur.
Men had ten kantore abusievelijk twee bonnen gemaakt. Voor dakreparaties sturen ze namelijk altijd twee loodgieters.
‘Zodat er eentje de trap kan vasthouden zeker?’
‘Precies.’
‘Zeg, hoe heet zo’n ding ook alweer dat boven zo’n afzuigpijp staat?’
‘O, dat is een Chinees hoedje.’
Twee loodgieters, twee benamingen. De zon loopt door Tweelingen. Christina was Tweelingen, ze zou vandaag 48 jaar zijn geworden. Ze is al 13 jaar dood en voordat ze stierf waren we al uit elkaar. Ik was ergens linksaf geslagen en wilde haar niet meenemen. Ik wou dat ik die tweede langspeelplaat van Kazimir Lux nog had. Hij zong een mooie uitvoering van I still miss someone.

Pentatoniër

logo alfred birney Wanneer ik mijn moeder een vraag stel, krijg ik geen antwoord maar een probleem. Ik was dat even vergeten toen ik haar belde met de vraag of haar grootvader uit Brabant of België afkomstig was. Ze antwoordde dat ze haar grootvader nooit had gekend en dat haar eigen vader zijn vader ook nooit had gekend. Okay, maar waar kwam die man, haar grootvader, nou vandaan: uit Brabant of uit België? Nou, het was zo dat haar vader had verteld dat zijn vader uit Oerle afkomstig was. Want zij, mijn moeder, had hem eens gevraagd waar de naam Van Kerkoerle nou eigenlijk vandaan kwam. Volgens haar vader kwam die naam uit het plaatsje Oerle, waar een kerk stond. Okay, maar waar lag dan dat Oerle? Er ligt namelijk een Oerle in België én een Oerle in Nederland. Nou, haar vader zei altijd dat zijn vader uit België kwam. Okay, maar hij had zijn vader toch nooit gekend? Ja, maar toen de man op sterven lag heeft hij hem laten roepen om excuses aan te bieden voor de harteloosheid waarmee hij zijn zoon links had laten liggen en dat was in Oerle te Noord-Brabant. Okay, maar waar was hij nou geboren? Oerle in België is de Nederlandse benaming van Oreye. Het ligt niet voor de hand dat daar een zekere harteloze meneer met de Nederlandstalige naam Van Kerkoerle vandaan kwam, lijkt mij. Tenzij de plaats vroeger Nederlandstalig was. Dus, mam, weet je echt heel zeker dat jouw vader geen grapje maakte wanneer hij zijn hartleloze vader een Belg noemde? Stroomt er Belgisch bloed door mijn aderen of alleen maar Schots, Madoerees, Nederlands en Chinees bloed? Ik vind vier wat vierkant, mam. Vijf klinkt een stuk beter, de Chinese toonladder heeft namelijk vijf noten mam. Ik zou gaarne een pentatoniër zijn, snap je?

Chinees nieuwjaar knort me tegemoet

hat logo meneer b Ik had een halve afspraak in de stad met de ex-hoofdredacteur van een krant, maar versliep me grandioos vandaag. Ik zag een gemiste oproep op mijn mobiel, belde de man op, sprak wat in zijn voicemail en at een boterham met aardbeienjam. Die aardbeienjam is bedoeld als afwisseling op de kersenjam die ik bij elk ontbijt tot mij neem. Ik ben overigens een poosje aan de gemberjam geweest, maar toen rookte ik nog. Ik vind gemberjam echt iets voor rokers. Kersenjam vind ik iets voor dames, maar op één of andere manier past het ook wel bij een schrijver. Ik hoop dat u begrijpt wat ik bedoel. Is dat niet het geval, wéét dan dat ik zelf ook niet helemaal weet wat ik nou precies bedoel.

De dag was ook wel eigenaardig. Ik had het gevoel naar de stad te moeten vanwege die halve afspraak en besloot om dan maar de Chinese nieuwjaarsviering bij te wonen. Mijn zoon, gekluisterd aan zijn pc, wilde niet mee. Eenmaal buiten besloot ik om een grote omweg te maken, zodat ik, eenmaal in de stad gekomen, het einde van de Chinese optocht zou zien. Ik houd namelijk erg van achteraan lopen, ik weet niet waarom, maar als jongen liep ik tijdens schoolreisjes en zo meer graag achteraan.

Het was erg rustig aan de boulevard, misschien bevindt een kwart van Nederland zich in de Europese sneeuwgebieden terwijl een tweede kwart wat rondhangt in goedkope Afrikaanse toeristenoorden en de rest met griep ligt? Ik besloot langs de Scheveningse gevangenis naar de stad terug te fietsen en zag in een flits Helga Ruebsamen, die aan de verkeerde kant van de weg fietste. De laatste keer dat ik haar zag was rond 1990, Margaretha Ferguson leefde toen nog en Helga Ruebsamen reed in een oude Mercedes rond. Nu reed ze op een fiets, zwaar opgemaakt, ze lachte een beetje schaapachtig maar ik zal wel ernstig hebben gekeken, want fietsen is ernst. Ik bedoel: als ik fiets, dan fiets ik en dan ga ik niet uitgebreid naar passerende collega’s zwaaien. Schrijvers onder elkaar is toch al een ramp, een enkele uitzondering daargelaten.

Ik hing zo’n beetje achter een jong wezen op een mountainbike en kon niet uitmaken of het een meisje of een jongen was. Achter me hoorde ik iemand in mijn wiel puffen, al fietste ik niet hard. Mijn zoon zou later zeggen dat vandaag iedereen duf was. Zeker suf geblaft in het voorbije Hondenjaar.

De weg was lang, werkelijk, het Haagse Bos doemde akelig kaal op, de Laan van Nieuw-Oost-Indië was desolaat als de hel, alsof de Engelsen dat gebied zijn blijven bombarderen sinds de Tweede Wereldoorlog. Ik kocht een risolles bij mijn vroegere favoriete toko, die inmiddels van naam is veranderd, en fietste naar mijn oude wijk achter het CS, momenteel nauwelijks bereikbaar vanwege allerlei nieuwbouwactiviteiten, een soort speeltuin voor gewetenloze projectontwikkelaars en hardvochtige architecten.

Op de hoek van mijn oude straat at ik mijn risolles, gezeten op de bagagedrager van mijn trouwe fiets. Verderop stond een huurwoning aangeboden, waarvoor ik hoge ogen zou kunnen scoren en die ik nu wilde gaan bekijken. Maar zodra ik mijn oude straat in fietste vroeg ik me af: moet een mens ooit teruggaan naar waar hij vandaan kwam? Je gaat toch ook niet terug naar een ex-geliefde? De woning bleek onzichtbaar ook nog, want het hele portiek ging schuil achter een ondoorzichtige plastic bouwzeil, alsof er een week eerder een bomaanslag was gepleegd of er tenminste een kakkerlakkenplaag is bestreden.

De wijk was ooit de enige stationsbuurt die níet was verpauperd, maar toen woonden er nog schrijvers als ik. De wijk was ook ooit één van de moeilijkst bereikbare van de stad, nu waarschijnlijk van het hele land. Zelfs op de fiets kon ik het gebied niet aan de kant van het station verlaten. Ik moest hem aan de hand nemen. Ik ontmoette troosteloze gezichten in een grimasserende stationshal. Toen klonk het geweld van de Chinese optocht uit de stad, ik sprong op mijn zadel en ging er op af. Bij de Markthof zag ik nog net de staart van de stoet het Spui oversteken naar het plein.

Ik denk dat het de staart van de Hond was, het voorbije jaar. Vandaag is immers oudjaar en morgen nieuwjaar: het jaar van het Varken. Waarom wordt het niet om middernacht gevierd? Omdat dan de christenen en de moslims willen slapen? Ik had trouwens een Hondenjaar, na een nog verschrikkelijker Hanenjaar. Mag ik nu varkentjes gaan wassen?

Chinees spreekwoord

Wanneer je de diepte van de rivier wil meten, doe dat dan nooit met twee voeten tegelijk.

Vakantie in galgenland

logo alfred birney Het is weer lente als ik me niet vergis. Het weer valt tegen, automobilisten rijden chagrijnig door rood en besproeien en passant een rijtje passagiers onder een abri, er staan files voor de reisbureaus, websites van zonaanbieders gaan plat door te hoge bezoekersaantallen en het KNMI krijgt nog net geen bommeldingen binnen. Maar wat niet is, kan nog komen. Behalve de zon dan, laten we die maar even vergeten.
Of Chinezen op de weerkaart kijken voor ze een vakantie boeken naar Holland denk ik niet, aangezien de Chinees van een blanke huid houdt en wijselijk het zonlicht mijdt. Voor arabieren worden speciaal regenvakanties georganiseerd, dus die zitten in elk geval goed bij ons. Geen idee wat Chinezen hier zouden moeten komen zoeken, of ze bijvoorbeeld van Van Gogh houden, zoals de Japanners, met wie ze momenteel zo’n ruzie maken vanwege de verdraaiing van de geschiedenis in de Japanse schoolboeken, terwijl ze zelf momenteel de Tibetanen onder de zoden walsen terwijl Bush & Co toevallig de andere kant op kijken.
Maar daar wou ik het niet over hebben. Feit is dat het Nederlands Bureau voor Toerisme & Congressen, kortweg het NBTC, een toename verwacht van Chinese toeristen. China is booming, snelwegen worden met een noodgang aangelegd, autofabrieken draaien op volle toeren en reeds nu al verveelt de Chinees zich zo, dat het vliegtuig naar Holland lonkt. Tulpen, rosse buurten, patat met mayo, weet ik het.
Chinezen zitten niet alleen in China en Taiwan maar ook in Singapore. Verleden jaar kwam er eentje naast me in het vliegtuig zitten toen ik van Jakarta via Singapore terug moest naar Amsterdam, pardon eh… Den Haag. Nou, die man bekijkt me zo’n beetje van opzij, ik bekijk hem zo’n beetje van opzij, hij mij weer, u weet wel hoe dat gaat, en toen vroeg hij me waar ik vandaan kwam.
‘Holland,’ zei ik.
‘Ah, Holland! Is het mooi in Holland? Ik wil graag eens met vakantie naar Holland. Hoe is het leven in Holland?’
Om een lang verhaal kort te maken: ik vertelde hem van alles over Holland, dus ook over het geweld op straat, zelfs jegens toeristen, die in Amsterdam worden bestolen alsof het om seriewerk gaat.
‘O, dus bij jullie worden dagelijks een hoop criminelen opgehangen zeker? Bij ons maar drie per dag!’
‘Welnee, ze krijgen hooguit een taakstraf.’
‘Een taakstraf? Wat is een taakstraf?’
‘O, dan moeten ze 40 uur bussen wassen of zo.’
‘Wat zegt u? Bussen wassen? Niet de galg? Wáárom niet de galg?’
Ik heb het die man niet kunnen uitleggen. Daarvoor duurde de vlucht te kort. Toen de man uitstapte zei hij dat hij toch maar liever vakantie ging vieren in een land waar de doodstraf nog bestaat. Amerika dus. Dit is geen hint voor de EU overigens.

Haagsche Courant, vrijdag 15 april 2005

Een magische picknick

Als je in een vloek gelooft, geloof je ook dat je die kunt afsmeken. Geen hond die daaraan twijfelt in Semarang. Tijdens een promotour op Java voor de Indonesische vertaling van zijn roman De onschuld van een vis (Ikan Tanpa Salah) maakt Alfred Birney een tussenstop voor een selamatan in Ungaran. Die valt uitgerekend op 10 oktober 2004, de zondag voor het begin van de vasten, als de mensen volgens de pre-ramadantraditie en masse de graven van de overledenen bezoeken.

alfred birney sitting next to the mudin

Mijn vertaalster Widjajanti Dharmowijono vergezelt me naar het cateringbedrijf dat selamatans verzorgt. Het ligt in een volksstraat, met een open erf en de deuren wijd open. De baas zit in een rolstoel, maar zijn tevreden gezicht zegt dat de zaak goed loopt. Aan de eenvoudige receptie, waarachter vier vrouwen zitten, maken wij onze wensen kenbaar en bestellen een passende selamatan, inclusief een geestelijke, exclusief vervoer. Ik ga akkoord met de kosten van 500.000 rupiah. Afdingen op een selamatan valt buiten mijn fatsoensnormen.

Volgens mijn vertaalster zal de geestelijke straks met vijf euro extra dik tevreden zal zijn. Ze is blij dat ze op het vervoer heeft weten te bezuinigen. Ze is Chinese, net als mijn grootmoeder, vandaar. Ze vindt mij buitengewoon on-Chinees vanwege mijn dédain voor geldzaken, en juist weer heel Chinees door mijn hang naar grootouderverering en mijn gebruik van de I Ching.

De dag is aangebroken. De chauffeur van mijn vertaalster haalt de hoge Japanse terreinauto uit de garage en we stappen in. Ik koop bloemen langs de weg, in vijf rieten mandjes, de symboliek van de pancasila indachtig. Bij het cateringbedrijf is alles in gereedheid gebracht. De geestelijke in kwestie is een mudin, hij die oproept tot het gebed in de moskee. Hadji’s worden niet gevraagd. Die staan hoger op de mohammedaanse ladder en behoren zich niet met een van oorsprong zijnde hindoe selamatan in te laten.

De mudin is innemend. Bij de kennismaking laat ik alvast wat geld in zijn hand glijden, opdat hij extra zijn best zal doen. Het is een wat oudere man, rustig, met een prettige, licht doorrookte stem. Hij loopt op sandalen, draagt een gebatikte lange blouse over zijn donkerblauwe katoenen pantalon en het bekende petji op zijn hoofd. Met de chauffeur legt hij de etenswaren, verpakt in pisangbladeren, bamboe mandjes en met linten gestrikte roodwitte gebaksdozen, op ronde bamboe schalen in de laadruimte van de terreinauto. Ook gaan er kleden mee voor de magische picknick.

Ungaran ligt niet ver zuidwaarts, maar het is hectisch op de hoofdweg, die loopt van Semarang in het noorden naar Yogyakarta in het zuiden. Rond tienen duiken we langs een asfaltweg omlaag naar het stille Ungaran. Twee, drie straten door en we rijden het erf op, dat ik in mijn roman Vogels rond een vrouw beschreef. Het oude koloniale landhuis is een ruïne inmiddels. Na het overlijden van de vereenzaamde weduwe van mijn oom wilde niemand hier meer wonen. De marmeren voorgalerij ziet zwart van de aanslag, de felle zon werpt banen licht door de gaten in het dak. Twee jaar terug huisden er kippen, nu is het huis zelfs voor pluimvee te min. Wie weet halen zelfs de spoken inmiddels de neus op voor deze bouwval.

Ik ga het gestorven huis binnen en probeer me een voorstelling te maken van hoe mijn grootmoeder hier heeft gewoond. In welke ruimte zal haar ziekbed hebben gestaan? De bepleistering is van de muren losgeweekt, het bakstenen geraamte op de funderingen zal misschien een eeuw oud zijn en zwijgt. Mijn grootmoeder stierf hier in 1965, mijn oom in 1978 onder raadselachtige omstandigheden. Goena-goena, waarschijnlijk. Toen een van mijn tantes met haar familie hier eens kwam logeren, werden ze weggepest door een boze geest, die alsmaar aan de deuren rammelde. Was díe het die mijn vader zo achtervolgde, naast die vervloekte oorlogsherinneringen? Waarop doelde hij vroeger altijd wanneer hij sprak van een vloek over de familie?

Ik vertel de mudin dat ik hier tweemaal eerder was en heb vergeten bloemen op het graf van mijn grootmoeder te strooien. Dat ik twee jaar terug iemand geld heb gegeven om het graf te laten restaureren en dat uitgerekend op die dag mijn broer in Holland door een mysterieuze ziekte werd overvallen, die geen arts kan plaatsen. Dat ik denk dat de geesten het op mij gemunt hadden, maar dat ik beschermd ben geweest door mijn grootmoeder, zodat de boze krachten mijn broer te pakken hebben genomen. Dat wij geloven dat er een oude vloek op onze familie rust.

De mudin knikt begrijpend en laat me op de achterzijde van een promotieansichtkaart die ik bij me heb de namen van mijn familieleden in volgorde van generatie noteren. Ik wijs de mudin het graf van mijn grootmoeder. Voor de selamatan wordt het iets hoger gelegen overdekte terras gekozen. Stil gaat het nieuws in de schaars bevolkte omgeving rond, dat een familielid van een der begravenen uit Europa is gekomen om hier een selamatan te houden. Wanneer de mudin en de chauffeur de kleden op de terrasvloer hebben gelegd, verschijnen een voor een de opgetrommelde mannen, die in kleine huisjes rond de begraafplaats wonen. Op eerbiedige afstand blijven ze staan wachten. Vrouwen zijn van het ritueel uitgesloten.

De sandalen en slippers zijn uitgetrapt, zes kampongbewoners vormen een halve maan op de kleden rond de uitgestalde etenswaren. Ik deel een kleed met de mudin en de chauffeur aan het hoofd van de kring. Mijn vertaalster mag van buiten het terras foto’s maken. De mudin heet de kampongbewoners welkom in het Bahasa Indonesia en dankt hen dat zij zo goed willen zijn aan de selamatan voor deze Indo-Belanda deel te nemen. Allah zal hen daarvoor ongetwijfeld prijzen. Ik word vriendelijk en meelevend toegeknikt. De mudin zit tussen mij en de chauffeur in en houdt een inleiding in het Javaans. Dan word ik verzocht om de bloemen op het graf van mijn grootmoeder te strooien. De chauffeur loopt mee om de mandjes aan te reiken. Na een innerlijk schietgebedje bestrooi ik het graf met de bloemen.

Teruggekomen laat de mudin mij nu in het midden van het kleed zitten, neemt zelf links plaats en ontsteekt de wierookpot. Met mijn promotieansichtkaart met de namen in zijn hand gaat hij verder in het Arabisch. De kampongbewoners prevelen nu en dan ‘ja’ terwijl de mudin zijn smeekbeden aan de hemel richt. Ik hoor hoe de namen van mij en mijn familieleden, naarmate het uur verstrijkt, steeds Arabischer gaan klinken. Voor het eerst in mijn leven ervaar ik een vrome saamhorigheid met en temidden van islamieten. Wij openen de handen om de zegen van boven te ontvangen, terwijl de mudin zijn magische zangerige verzen laat horen.

De verdeling van het eten in de bèsèks, vierkante rieten mandjes, begint. Ik krijg het topje van de rijstkegel. De mudin laat mij de voorgeschreven negen stukken van de kip nemen. Ik ben vrij in het kiezen uit de overige gerechten, mag de mat verlaten en aan de rand van het terras aan mijn maaltijd beginnen. De kampongmensen wensen mij selamat makan toe en volgen verlekkerd de handelingen van de mudin, die het overige eten verdeelt. Tevreden nemen ze afscheid van me en vertrekken met hun bèsèks om de spijzen thuis te nuttigen. De mudin zondert zich af voor de offerande bij het graf van mijn grootmoeder. Kleine schaaltjes van pisangblad met zoetigheid worden bij de hoeken van het graf geplaatst. Ook de belendende graven krijgen schaaltjes met zoetigheid, zodat de naburige geesten mee kunnen eten voor groter heil. De mudin draagt mij na zijn slotgebed op met mijn rechterhand driemaal het graf aan te raken, en dan is het gedaan.

Onderweg terug naar Semarang zegt de mudin dat als je in de omgeving woont je ten minste eens in de drie maanden een selamatan moet houden. Woon je verder weg, dan eens per jaar. Kom je van overzee, probeer dan eens in de drie jaar te komen. “En hoed je voor de hadji’s, zij staan alleen maar hoger dan mudins omdat zij tweemaal de bedevaart naar Mekka hebben gemaakt. Ik ken er zoveel die zich trots hadji noemen maar helemaal niets weten. Zij vergeten dat het niet uitmaakt of je een selamatan houdt voor een moslim, een christen, een boeddhist of een hindoe. Wij zijn allen mensen, allen gelijk, er is maar één God en het maakt niet uit hoe wij hem noemen.”

In de namiddag neem ik een bad in mijn hotelkamer en val op bed in slaap. Ik word gewekt door mijn mobiele telefoon. Een sms van mijn zieke broer meldt dat hij al urenlang stemmen hoort, Indonesische stemmen van een jaar of vijftig terug, zo lijkt het wel. Ze zijn volgens hem met vijf en praten opgewonden over iets dat ze indertijd nooit hadden mogen toestaan. Maar wat? En hoe hoort hij die stemmen dan? In zijn hoofd? Nee, niet precies. In zijn kamer? Ook dat niet precies. Maar ze zijn er, die stemmen, en hij zal ze zeven uur lang blijven horen eer ze verdwijnen als in een wegstervend refrein.

Archipel Magazine, lente 2005
Copyright © 2005 Alfred Birney
Reproduction not allowed

Deze scène komt in een zeer vrije bewerking terug in de novelle Rivier de Brantas, het 3e en laatste deel van Birney’s Rivieren-trilogie.