Nasi goreng voor verstorven geld

logo alfred birney Er slingert nog zo’n 2,5 miljard gulden rond sinds de invoering van de euro. Het gaat om ruwweg 600 miljoen euro aan bankbiljetten en 500 miljoen aan muntgeld. De Nederlandsche Bank schat dat 130 miljoen gulden zeker niet terug zal komen. Dat noemt met ‘versterf’ en dit ranzige woordje betekent winst voor de centrale bank en dus voor de overheid. Waar al die poen nou ligt mag Joost weten. Een woordvoerder van De Nederlandsche Bank komt weinig verder dan wat u en ik zelf wel kunnen verzinnen: “Dat geld is dan verbrand, kwijtgeraakt, in de wasmachine beland, zit in de oude sok, er zijn boekenleggers van gemaakt of misschien zit er ook wel zwart geld bij.”

Hoe vindt u die laatste zinsnede? “Misschien zit er ook wel zwart geld bij.” Misschien… Ha ha! Maar goed, geen nood hoor: u kunt uw muntstukken nog tot 2007 aanbieden en uw papiergeld tot 2032. Hoe u dat moet doen, zou ik niet weten. Wist u al eerder niet hoe u uw geld wit moest wassen, dan zal u dat nu nog niet weten. Verhef uw zwarte geld anders tot kunst, in de geest van Andy Warhol! Dat geeft het wat kleur, als label rond tubes mayo of zo, in vitrines bij hippe galeries.

Ik vond laatst nog een paar bankbiljetten uit de jaren dertig en veertig in mijn bureaulade, afkomstig uit het voormalige Nederlands-Indië, waar men een ‘eigen gulden’ had. Fantasieloze flappen met de kop van Jan Pieterszoon Coen of Koningin Wilhelmina erop. Er zat ook een fraai exemplaar bij van 2,5 gulden, gedrukt door de Javasche Bank. Dus niet de Javaansche Bank. De kop van een Javaanse vorst erop. Of van een wajangfiguur? Ben ik nu al vergeten! Enfin, de achterzijde drietalig bedrukt in het Nederlands, Chinees en Javaans. Of Nederlands-Indië nou multicultureel en multiraciaal dan wel multi-etnisch en multireligieus was, dat laat ik aan onze dweilen van geschiedschrijvers, in elk geval was er voldoende rames voor apartheid.

De eigenaar van het Indonesische Eethuisje Mirasa aan de Reinkenstraat verzamelt bankbiljetten. Ze hangen achter glas aan de muur en liggen onder de glazen toonbank. Er zitten veel biljetten uit Indonesië bij natuurlijk, maar ook Irak en Bulgarije zijn vertegenwoordigd, om enkele landen te noemen. Ik begrijp weinig van verzamelaars, maar het idee om je muur met geld te behangen, denk ik wel te snappen. Wie zoiets doet, heeft tegelijk iets én niets met geld. Voor zo’n persoon is geld waardevol en waardeloos tegelijk.

Ik gaf de eigenaar van Mirasa mijn oude Indische bankbiljetten. Hij was als een kind zo blij. Ik hoefde mijn nasi goreng niet te betalen. Of heb ik die juist betaald met dat geld van zestig, zeventig jaar terug? Wie weet hangen over een halve eeuw onze patatkramen wel vol met bankbiljetten van bijen, snippen, vuurtorens en wat al niet meer het besef van de vergankelijkheid in ons zal oproepen.

Haagsche Courant, vrijdag 11 februari 2005

De witte krokodil (1)

logo alfred birney Toen ik het graf van mijn grootmoeder Sie Swan Nio voor de derde keer had bezocht in Ungaran op Java, bedacht ik dat een bezoek aan haar geboorteplaats mij misschien een frisser idee van haar leven zou geven. Rond een graf is het eeuwig herfst, in een graf eeuwig winter. Ik verlangde naar de lente.

Kediri, Oost-Java, ligt op een dagreis per auto van Semarang. Toen we het stadje binnenreden keek ik hongerig om me heen, met ogen die 100 jaar terug in de tijd wilden kijken. Bij het oversteken van de rivier liet ik de chauffeur mij midden op de brug afzetten. Ik wilde gaan staren over rivier de Brantas. Mijn begeleiders, een bevriende muzikant en een ingehuurde Chinese chauffeur, een hypernerveuze wegpiraat, moesten om mij lachen. Ze begrepen mij niet.

In de avond at ik met mijn begeleiders van een enorme goerami, gevangen uit Rivier de Brantas. De vis was zo groot, dat we hem niet opkregen. Daarna wandelde ik alleen in het maanlicht langs de oever van de rivier, waar het bijna Hollands waaide. Ik kreeg het gevoel voor altijd daar te willen blijven wonen.

Rond middernacht zat ik voor de kleine bungalow in een nieuw hotelcomplex en hoorde een tokeh zevenmaal roepen. Zeven keer! Wat een geluk! Een klein Chinees meisje liep voorbij en ik keek haar na.

Anno 1900 zal mijn grootmoeder Swan Nio ongeveer tien jaar oud zijn geweest. Een klein Chinees meisje. Toch moet zij toen al beter hebben kunnen lopen dan haar moeder, een Chinese vrouw met traditioneel ingebonden lotusvoeten. Swan Nio was geboren in Kediri, Oost Java, anders dan haar ouders, die uit Canton, China afkomstig waren.

Kediri was een slaperig stadje dat soms werd opgeschrikt door het wassende water van rivier de Brantas. De plaatselijke bevolking van Kediri zei dat de rivier bewaakt werd door een witte krokodil. Hij leefde onder de grote brug en scheen van een andere aard dan de krokodil die werd bezongen in het volksliedje Terang Bulan:

Terang bulan, terang bulan di kali
(maneschijn, maneschijn op de rivier)
Buaya timbul, disangka mati
(een krokodil komt boven drijven, hij lijkt wel dood)
Jangan percaya mulut lelaki
(geloof nooit de mond van een man)
Berani sumpah, tapi takut mati
(hij durft te zweren, maar vreest te sterven)

De rivier lijkt altijd mooi bij maanlicht, maar pas op voor de krokodil, want die doet zich voor als een drijvende boomstam! Deze eerste regels kon de tienjarige wel begrijpen. Maar van de laatste regels begreep ze weinig. Dat was iets voor oudere mensen. Toen ze de liefde leerde kennen kwamen andere liedjes. Die waarschuwden niet, die beloofden. Vergeet de rivier, de krokodil, kijk omhoog naar de maan. En schrik niet als je mijn hand voelt op je ranke schouder.

Haagsche Courant, vrijdag 21 januari 2005

Promotour (4) Bommen en varkensvlees

logo alfred birney Hoe langer je in Jakarta zit, hoe meer je de mensen hoort morren over de jongste bomaanslag. De stad is overspoeld met politieagenten. Indonesische meisjes beginnen hoofddoekjes op straat te dragen in de hoop dat de volgende kamikaze zijn auto een stukje verder zal rijden eer hij aan het koord van zijn bom trekt. Het dragen van hoofddoekjes is in Jakarta overigens minder gebruikelijk dan in Den Haag.

Het hoofd van het Erasmus Taalcentrum, waar ik een paar gastlessen verzorg, trekt zich van narigheid bijkans de haren uit het hoofd. Hij zit al 17 jaar in Jakarta, heeft alle aanslagen meegemaakt, inclusief de kerken die hier werden platgebrand, maar begint zich nu toch zorgen te maken. Zal het ETC straks aan de beurt zijn?

Op een Nederlandse school die ooit ruimte maakte voor Australische kinderen beginnen Nederlandse ouders nu te mopperen over hun aanwezigheid. Een enkeling houdt zijn kroost al thuis.

Op de avond van mijn boekpresentatie in QB World moet ik op mijn publiek wachten. De boekwinkel ligt in een gebouwencomplex dat veel bezocht wordt door welgestelde Indonesiërs, expats en buitenlanders. Een makkelijk doelwit voor terroristen. De winkels hier hebben de laatste weken al meer dan de helft van hun klanten verloren. Wil je het complex betreden, dan wordt je auto van onderen tot boven onderzocht op explosieven. Dat gaat tamelijk ongedwongen, de politie doet zelf ook liever wat anders, maar het moet wel gebeuren. Daarom begint mijn presentatie twee uur later dan aangekondigd.

Het wordt laat, want na de presentatie en de vragen uit het publiek moet ik mijn boek nog gaan signeren en tegelijk een interview geven aan een Indiase journaliste van de Jakarta Post. Is het publiek eenmaal weg, dan moet ik ook nog de resterende voorraad van mijn boeken van een handtekening voorzien, als geste aan de boekhandelaar. Ik zit aan het raam. Diep beneden me slingeren de overvolle autowegen zich tussen de enorme gebouwen door. Jakarta’s nachtleven begint.

Ik kom met de boekhandelaar, een journalist van Kompas en een collega schrijver terecht in het labyrintisch uitgaanscomplex van Jakarta West, waar ik me niet bijster op mijn gemak voel. Wie in dit waanzinnig Jakarta weet te overleven, kan dat overal, tot in New York, bedenk ik me. Na het stappen gaan we een nachtwaroeng binnen waar ze een speciale boeboer serveren. Alarm! Zodra een Indonesiër het over een specialiteit heeft, veins ik maagklachten, ha ha. Ik moet die rare pap niet die ze tot zich nemen, compleet met varkensvlees en wat al niet.

Eh… Pardon? Varkensvlees? Okay, de boekhandelaar is Chinees en boeddhist. Maar de schrijver en de journalist zijn Javaanse moslims toch? Jazeker, en daarom zegt de boeddhist voor de lol tegen zijn kompanen: ‘Zeg, er is nog eten over. Moeten jullie niks mee naar huis nemen?’ Waarop de schrijver met een grijns zegt: ‘Hey, wat denk je wat voor moslim ik eigenlijk ben? Thuis wordt halal gegeten, begrepen?’

Haagsche Courant, vrijdag 8 oktober 2004

Folkies (2)

logo alfred birney Mijn vader had me het huis uit getrapt vanwege werkschuw gedrag en ik overwinterde bij een vriend in Rotterdam in een kamer die nooit werd gestofzuigd. Het verder propere herenhuis bood uitzicht op een saai plantsoen en in die hoedanigheid volop gelegenheid om na te denken over de zin van het leven en meer van die onzin. Het was in een tijd waarin de bomen tot bijna in de hemel groeiden: je nam een baantje voor zes weken bij een uitzendbureau, liet je ontslaan en leefde vervolgens van een wekelijkse uitkering. De uitkering verhuisde mee, maar ik haalde mijn geld alleen op als dat echt nodig was, want je moest er zo vroeg je bed voor uit en het was ook wel gênant om je hand op te houden.

Mijn gastheer, obligaat studerend aan de sociale academie, en ik leefden op een portie bami speciaal, nee bami extra per dag, ter waarde van drie gulden en vijftig cent. Die haalden we in een louche souterrain bij een Chinees wiens gezicht we nooit zagen achter een solide schuifluikje dat onvriendelijk snel open- en dicht ging. Om een lang verhaal kort te maken: de pastic bakjes waarin de bami extra werd verpakt zouden in de lente een plastic Euromast in de keuken vormen, wat de verhuurster reden gaf ons eruit te schoppen, maar dat doet er allemaal niet toe, het gaat om de muziek en niet over de afwas en wat daar allemaal aan gedoe uit voort kan komen.

We kregen veel bezoek van Jan, een jongen die gebukt ging onder zijn onvermogen een meisje te krijgen, wat hij met name weet aan zijn bril, die was uitgerust met zo’n beetje de dikste glazen die je maar kon krijgen. Je zag hem nooit zonder gitaar op schoot, een flattop met een rinkelende klank. Een mager meisje vergezelde hem in haar eeuwige Indiase jurk, die rook naar jasmijn en waarin kleine spiegeltjes zaten geweven met een reflectie die Jan er aan herinnerde dat zij zijn zusje wilde zijn en niet meer dan dat. Ze zong tweede stem op de ballades die Jan uit de Britse folkhoek haalde, want al wat Amerikaans was deugde niet.

De folkavondjes in de stoffige kamer met plakkerige rookstoelen en stapels boeken begonnen steevast met een ballade van de Britse groep Pentangle: There lived a lady by the North Sea shore… En eindigden op mijn verzoek met een instrumentaal nummer van Jan zelf. Dan draaide hij zijn rug naar me toe, zodat ik niet kon zien wat hij deed. Bovendien zette hij zijn gitaar in een andere stemming. Enfin, grote Jan kwam, grote Jan ging, grote Jan kwam, grote Jan ging, en op een dag kwam de boze lente en ik zag Jan nooit weer, zelfs niet op een podium. Jaren later hoorde ik dat Jan blind was geworden. Was voorzien. Karma. Daarom speelde hij zo veel gitaar, om later van de muziek te kunnen leven. Maar folk verkoopt niet. En talent doet niet ter zake. Wat dan wel is geloof ik bami, televisie en gemeubileerde kamers.

Haagsche Courant, vrijdag 31 oktober 2003

SARS en de Marathon

logo alfred birney Terwijl neokoloniale High-Tech-cowboys naar biologische wapens zoeken in Irak, vinden ze per ongeluk olie. Gut, hadden ze toevallig net nodig in Amerika, dat in zijn eentje een kwart van de grondstoffen op aarde verbruikt om de hamburgerdemocratie te kunnen vetmesten. En terwijl de oud-koloniale Low-Tech-boeren hier te lande naar besmette kippen zoeken, dekt men zich te Rotterdam in tegen een aanval van Chinese biologische zelfmoordcommando’s.

Hebben die organisatoren van de marathon van Rotterdam hun opleiding in New York gekregen of zo? New war, new paranoia! De uitnodigingen voor de vrouwen Ying-Jie Sun en Jin Li worden bruusk ingetrokken. Deze serieuze kandidates voor de eindzege mogen thuisblijven in dat SARS-land van ze. En anders moeten ze maar in Noord-Korea gaan lopen over de terreinen van verdachte kernreactoren.

‘De overige atleten zouden erg gestresst kunnen raken van Chinezen in het hotel,’ wauwelde de woordvoerder van het organisatiecomité. Wie weet lispelde hij nog off the record dat álle Chinezen thans dubieuze wezens zijn in de straten van Rotterdam. Geef meneer een ministerspost vreemdelingenzaken in een leefbaar kabinet en er komt geen Chinees ons vreedzame SARS-loze landje meer binnen. Het organisatiecomité zou desgevraagd ongetwijfeld de koorzang hebben aangeheven dat ‘onze Chinezen’ zelf ook bang zijn SARS op te lopen. SARS is immers het gesprek van de dag in hun Chinatowns, niet de oorlog in Irak. Chinezen vliegen veel in die Yankee Boeings, begrijpt u, met die ziekmakende airconditioning van niks boven die kleffe hoofdsteunen. Mensen uit Afrikaanse landen doen dat weliswaar ook, maar AIDS is Amerikaans, dus dat zit wel goed, dat is friendly fire.

Wat een kansen we al niet missen. Welke marathonatleet blijft er nou achter een SARS-loper hangen? Weg kans op toptijden van atletes die zich het vuur uit de sloffen lopen om de SARS-lopers voor te blijven en geen bacillen te hoeven snuiven. Weg vrachtvluchten met onze zieke kippen tegen een vriendenprijsje voor die toch al zieke SARS-lijders in China.

Boze tongen fluisteren dat het Severe Acute Respiratory Syndrome is ontstaan door het vrijkomen van chemicaliën bij de fabricage van biologische wapens waarmee de Chinese oorlogsmachine zou experimenteren. Is dat waar, dan kunnen Bush en zijn trawanten China als vijfde poot aan de as van het kwaad toevoegen. Pentagonischer kan niet. Kan nog gezellig worden op aarde.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 11 april 2003

Dobbelen rond het schaap

logo alfred birney Morgen, op 1 februari, viert de Chinese gemeenschap in Den Haag het Chinese nieuwjaar. Het jaar van het Schaap (anno 4700) zal aan de Gedempte Burgwal worden ingeluid. De Indische gemeenschap doet ook mee, binnen bij de cv van het Indisch Huis aan de Javastraat, met voordrachten uit het werk van Robert van Gulik, hapjes en, ja, virtueel vuurwerk.

Chinese maanden hebben dertig dagen. Om de zoveel jaar wordt een schrikkelmaand ingevoerd om de boel een beetje gelijk te krijgen met de omloop van de maan. Vandaar dat Chinees nieuwjaar steeds op een andere datum in januari of februari valt. Enfin, tijd om even terug te blikken op het afgelopen jaar van het Paard. Hectisch jaar! Voor velen lastig om in het zadel te blijven zitten. Er werd ook flink wat afgereisd. Of zat u het hele jaar thuis soms? Voor de columnist was het een jaar waarin de items op je afvlogen, en niet zo kinderachtig ook.

Als we de Chinese astrologen moeten geloven, dan zal het jaar van het Schaap een stuk rustiger verlopen. Nou, je hoeft een paard maar met een schaap te vergelijken en de tegenstelling tussen draven en zo’n beetje blatend rondstruinen dient zich onmiddellijk aan. De toenemende anti-oorlogstemming is geheel des schaaps. Tel uit uw schapen!

Nou betekent het niet dat het jaar van het Schaap voor elk Chinees teken even lekker zal verlopen, want de kosmos verveelt zich niet graag. Het Paard zal een schitterend jaar krijgen. Heeft-ie ook wel verdiend na die steeplechase het afgelopen jaar. Op nummer 2 staan het Schaap, Konijn en Varken, wie een uitstekend jaar wacht. Tijgers en Apen krijgen een behoorlijk jaar, Honden en Draken wacht een gemengd jaar en eh… Heeft u uw teken nog niet voorbij zien komen? Scheur direct door deze column! Want de Rat, Os, Slang en Haan krijgen van een zogeheten ‘complex’ jaar voorgeschoteld.

Ik heb deze heerlijke onzin allemaal van ene Shelly Wu, een Amerikaanse internetastrologe die de beroemde Theodora Lau zo’n beetje plagieert. Voorts speelt Wu vals door te zeggen dat het jaar van het Schaap dan wel een jaar van ‘leven en laten leven’ zal worden, maar dat we wel moeten blijven oppassen voor dictators als Hitler, Stalin, Mao, Napoleon, Idi Amin, Ghenghis Khan, Bin Laden, Saddam Hussein plus dat Noord-Koreaanse tuig!

Hier mis ik de naam van Bush, al heeft-ie dan een ‘schone’ oorlog in gedachten door met speciale bommen de hele elektronica in Irak te verlammen. Een oorlog dus met wollige verklaringen, wollige argumenten en een hoop geblaat van niks om Playstation Versie P.(entagon) uit te kunnen testen. Bush is uit het jaar van de Hond. Saddam uit het jaar van de Os. Bush zal winnen en verliezen. Saddam zal verliezen en verliezen.

Het Schaap Bill Gates zal ongetwijfeld tevreden om zich heen grazen in die microsoftdictatuur van hem. Dat Linus Torvalds, de vader van Linux, een Haan is en een minder jaar krijgt doet er niet toe. Linux is een vrijstaat. Zou dat nou zo blijven?

Haagsche Courant, vrijdag 31 januari 2003

Promotour (3) Semarang

logo alfred birney Er gaan geen vliegtuigen van Bandung naar Semarang, er zijn er te veel neergestort langs de bergen rond Bandung. Mijn uitgever en ik nemen de nachtbus, de rit duurt acht uur en voert langs onafzienbare huizenrijen, desolate heuvelpartijen en kilometers lange stroken zand, dat wacht op asfalt. In de vroege ochtend word ik ontvangen in het huis van mijn vertaalster: een naoorlogs Chinees doolhof met te veel vertrekken om in een dag te leren kennen. Ik raak gedesoriënteerd door de vele deuren, men plakt briefjes voor me op de deuren maar ik ben te vermoeid en ziek bovendien. De heer des huizes is arts en stuurt met ter genezing naar een airco hotel, waar ik twee dagen lang handen vol medicijnen slik. De discussie rond mijn boek en de interviews van krantenjournalisten weet ik te doorstaan. Leuk publiek, bijna typisch voor een stad met een minderwaardigheidscomplex. Semarang is de mooiste stad van Java, behalve voor de inwoners zelf. Gaat het om culturele zaken, dan ziet de handelsstad op tegen Jakarta en Jogjakarta, waar men zegt dat ze in Semarang dom zijn en achter lopen. Maar juist hier nemen journalisten urenlang de tijd en zagen je door tot op het bot, zonder overigens onbeleefd te worden, zoals in Nederland. Ziek of niet, Semarang wordt een feest. Men neemt me mee naar de hoge stad, vanwaar je een fantastisch uitzicht hebt over de uitgestrekte lage stad. Aan de beroemde Bodjongweg liggen nog bekende gebouwen uit de koloniale tijd. Armoe huist ‘netjes’ in de kampong. Ze zouden er bijna gordijntjes voor hangen.

Haagsche Courant, vrijdag 15 november 2002

Duikvlucht naar de ziel van de Indo

Deze roman kan men niet lezen door hem in een keer in te slikken. Deze roman moet geleeskauwd worden, en kan daarna pas ingeslikt worden. Dit komt door de vertelstijl van de schrijver die meer lyrisch is dan naratief-chronologisch, meer poëtisch dan prozaïsch. Het verhaal wordt prismatisch verteld in een vervlechting van verleden, heden en toekomst. Alles cirkelt rond de ziel van een Chinese vrouw die Indo-kinderen heeft gebaard. Ofschoon deze roman van Alfred Birney, Lalu Ada Burung (Galang Press, 2002), vertaald door Widjajanti Dharmowijono uit het Nederlandse Vogels rond een Vrouw (1991, 2002) slechts 263 pagina’s telt in pocketformaat, bevat hij grote menselijke problemen: indoschap, mestiezen, vermenging van bloed tussen rassen. Er is een psychologische weifeling, onzekerheid over de culturele bodem, een vogelmens tussen hemel en aarde. Waarom moet een mens leven in een collectieve tijd en ruimte?

Het verhaal gaat over een Indische jongeman, 27 jaar oud, Alan Noland, die van kleinsaf geplaagd wordt door Oosterse (Indonesische) kunstvoorwerpen, het paranoïde gedrag van zijn vader, en bovennatuurlijke ervaringen. Alan Noland is een zoon van Arend Noland (Si Elang), een Indo uit de verbintenis van David Nolan en Sie Swan Nio. David zelf is ook een Indo, geboren uit het huwelijk van een Engelsman, Alan O’ Nolan met Rabina, een Madoerees meisje. Aldus vloeit in Alans aderen een mengeling van Iers, Madoerees en Chinees bloed. Alan en zijn tweelingbroer, Philip, groeien op in een angstaanjagende, bedreigende gezinssfeer, vol met allerlei magische voorwerpen uit Nederlands-Indië. Dat is allemaal het gevolg van de avonturen van zijn vader die Nederlands marinier is geweest, ooit in Surabaya gewoond heeft, en in 1950 verkoos Indonesia en zijn moeder, broers en zusters te verlaten, na de erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesia door Nederland. Si Elang is de enige uit de Indische familie die in Nederland ging wonen. Zijn verblijf in Nederland beschouwt hij eigenlijk als een soort van tussenstation om naar California te kunnen emigreren.

Uit het gedrag van zijn vader concludeert Alan dat de wortel van dat alles zijn grootmoeder is, die Cantonees bloed heeft. Het is deze oude vrouw die de gedachten van Si Elang van ver bestuurt, met gebruik van foto’s, een schilderij en vazen, en brieven die in het Maleis zijn geschreven door de familie die nog in Oost-Java woont. Door het gedrag van zijn vader die vaak last heeft van hallucinaire aanvallen over zijn strijd tegen de Japanners en de politionele acties, vraagt zijn moeder, Anneke, een scheiding aan. Si Elang trouwt nog tweemaal, maar beide huwelijken eindigen met een echtscheiding.

Het leven van Alan wordt beheerst door de oosters-mysterieuze kant van zijn gemengde bloed. Dat bereikt zijn hoogtepunt als de Nederlanders zelf de aanwezigheid van de Indo’s een probleem vinden, ook die van de Molukkers die vaak onrust veroorzaken omdat de belofte van de Nederlandse regering om hen naar de Molukken te repatrieren, niet ingelost wordt. De Indo-groep behoort niet tot de witte Nederlandse groep, en worden vreemd gevonden door de oosterse eigenschappen die ze hebben meegekregen. Indo’s zijn niet zo geliefd, en worden gelijkgesteld met de Molukkers, door “orang-orang dungu sentimentil penuh dendam yang belum pernah membaca buku sejarah” (sentimentele, wraakzuchtige boerenkinkels die nog nooit een geschiedenisboek hadden opengeslagen).

In deze verwarring beleeft Alan een bovennatuurlijke gebeurtenis. Hij wordt door zijn Chinese grootmoeder bezocht in een halfwakende toestand, en ze streelt hem. Zijn vader overtuigt hem ervan dat de gebeurtenis hem de liefde toont die zijn grootmoeder voor Alan koestert. Daarom besluit hij op pelgrimstocht te gaan naar Java, naar de familie van zijn vader en het graf van zijn grootmoeder in Ungaran. De reis naar Java verandert Alans visie op de oorsprong van zijn Indisch-zijn. Hij maakt zijn grootmoeder geen verwijten meer, maar hij distantieert zich juist van zijn vader.

Altijd is er een trio: drie vazen, drie bloeden (Iers, Chinees, Indisch), drie generaties (grootmoeder, vader, zoon), drie spokende herinneringen (schilderij, vazen, oude foto’s), drie sociale groepen (Nederlands, Indo, Moluks). De herkomst van de drietallen is het dualistische, aan elkaar tegengestelde tweetal, nl. Nederlands (kolonisators) en Indonesia (gekoloniseerden), twee groepen van Indo’s (degenen die vrede hebben met hun oosterse eigenschappen, en degenen die erdoor onrustig worden), twee houdingen van de Indo (de zachte als Yin en de harde als Yang), twee woonplaatsen (in Nederland en Indonesia). De ontmoeting van deze twee tegengestelde zaken veroorzaakt een derde, nl. een mix van de twee. Een Nederlandse man ontmoet een Indonesische of peranakan-Chinese vrouw, als overheerser en overheerste (koloniale tijd). De twee rasgroepen die met elkaar in conflict zijn worden in een natuurlijke seksuele ontmoeting verenigd. Het resultaat is de Indo die niet erkend wordt op papier als behorende tot de groep van de vader (verbintenis in de status van njai), maar ook in de praktijk verdacht wordt door de autochtone bevolking. Dit is de kern van het probleem. Een gemengde verbintenis in de status van njai, toont de superioriteit van de kolonisator. Het resultaat van zo’n verbintenis wordt vanzelfsprekend in een minderwaardige positie gedrongen door de Nederlanders zelf.

Alan Noland is driekwart Nederlands en is grootgebracht volgens een Nederlands gedachtenpatroon. Maar het gedrag van zijn vader maakt dat het overige kwart hem achtervolgt. Waarom is zijn vader paranoïde? Omdat hij in Indonesia streed voor Wilhelmina, maar afgewezen wordt door degene die hij verdedigde. Daarom verkiest hij in Nederland te wonen. De kwetsende behandeling in het land en de gemeenschap die hij verdedigde maakt dat hij een zondebok zoekt. Dat zijn de strijders voor de Indonesische republiek die hem naar Nederland hebben verjaagd. Maar het deel dat hij haat is het bloed van zijn moeder en zijn broers en zusters. Dat gevoelsconflicht veroorzaakt paranoia. Aan de ene kant haat hij Indonesia, maar aan de andere kant houdt hij zielsveel van het deel dat hij haat: zijn voorouders.

Alan Noland daarentegen poogt juist het kwart in hem te begrijpen omdat hij afgewezen wordt door het driekwart. Hij ziet dat de Indo’s in Nederland beheerst worden door paranoia, terwijl ze in Indonesia normaal en okay zijn. De pelgrimstocht van Alan resulteert in de slotzin van de roman: “Ia akan mengunjungi ayahnya lagi. Sudah lama ia tak bertemu. Tapi meskipun sesungguhnya ia bergerak makin dekat kepadanya, perasaannya adalah bahwa ia justru perlahan-lahan makin menjauhinya” (Hij zal zijn vader weer eens op gaan zoeken. Hij heeft hem allang niet meer in levenden lijve gezien. Maar ook al raakt hij allengs dichterbij, toch heeft hij het gevoel alsof hij geleidelijk van hem vandaan vliegt.). Alan verkiest de geestelijke kant boven de fysieke kant. Zijn vader is een vergissing. Hij behoort tot Yang, hard en stijf. Alan leunt meer naar Yin, vrouwelijk en zacht.

Mij toont de roman hoezeer een mens groeit in lokaliteit. Daarmee bedoel ik de eenheid van ruimte en tijd. De ruimte is Indonesia en de tijd is de geschiedenis, genealogie, wortels. De tijd is zo te zien belangrijker. Een mens groeit uit culturele wortels die geschieden, geschiedenis worden. De wortel van Alans tijd, zijn genealogie, bevindt zich in drie lokaliteiten, het westen, Indonesia (Madoera) en China. Ofschoon hij eigenlijk reeds westerse wortels bezit (hij is geboren en getogen in Nederland), blijven zijn andere wortels hem achtervolgen, vooral zijn Chinees bloed. “Buat apa saya ke sana (Indonesia, pen). Negeri itu sama sekali tak menarik bagiku” (Wat moet ik daar? Het land trekt me helemaal niet.), zegt Alan. Dat is een afkapping van zijn Madoerese wortel, die hij heeft meegekregen van zijn Madoerese overgrootmoeder. Er is nog maar een spookwortel over, de Chinese (grootmoeder). Is het mogelijk dat hij zijn Chinese wortel opgraaft?

Deze roman herinnert de Indonesische lezers eraan hoe belangrijk het is wortels op te graven. Die wortels blijven in ons groeien. En wij zijn ons er niet van bewust. Wij proberen ze zelfs af te wijzen en ze weg te gooien. We blijven normaal (niet paranoïde) in Indonesia omdat wij onbewust deze wortels meenemen. De wortels kennen is ook de ruimte en tijd van onze groei kennen. “Ya, akhirnya sifat asli selalu muncul, ha, ha!” (‘Ja, uiteindelijk komt de ware aard toch altijd bovendrijven, ha ha!’) zegt Zus Maudi in deze roman.

Het is het verhaal van de Indo’s die gevangen zitten tussen twee wereldden, twee wortels, en uiteindelijk moeten beslissen welke wortel ze willen volgen, de Nederlandse of de Indonesische. De middenwereld is een gevaarlijke wereld. De wereld van de tjitjak, tussen vloer en dak. Maar waarom worden de Indo’s in Indonesia niet paranoïde, en in Nederland wel? Dat komt door het verschil tussen de westerse en Indonesische (oosterse) filosofie. De basis van de westerse cultuur is een dualistisch conflict dat moet opgelost worden met een winnaar, een machthebbende, die superieur is. In Indonesia moet het dualistische conflict opgelost worden in een “middenwereld”, een meng-entiteit van twee binaire opposities. De Indo’s zijn een verwezenlijking van een geïdealiseerde middenwereld. Hier worden zij geaccepteerd.


(Uit Pikiran Rakyat, Bandung, 17 oktober 2002, p. 23)
Jakob Sumardjo over Lalu Ada Burung, vertaling van Vogels rond een vrouw (vertaling: Widjajanti Dharmowijono)

Wakker worden

De achtergrond was zwart met enkele streken indigo, toevallig gepenseeld zo leek het, of waren het aanzetten van een beginnend Chinees kalligraaf? Het was in een pauze tussen dromen in, soort tabula rasa waar ik naar keek in rust. Toen was er gerucht. Ik kon het geluid niet thuisbrengen. Maar het geluid kreeg vorm: zag ik in de donkere verte niet de contouren van een berg verschijnen? Snelle voetstapjes naderden. Ze leken van een of ander dier, dat mijn domein binnendrong. Eer ik me schrap kon zetten, sprong het op mijn bed. Ik slaakte een kreet en veerde overeind. Het dier deinsde achteruit, veranderde in de gedaante van een vijfjarig jochie. Het stond naast mijn bed, keek me beduusd aan en vroeg: ‘Papa, mag de televisie aan?’
     
‘Wel ja, jongen.’
     
Mijn zoontje had zich snel hervonden, leek mijn schrikreactie al vergeten toen zijn cartoonhelden over het televisiescherm vlogen. Was hij het echt vergeten?
     
Dingen die werkelijk indruk op iemand maken, vragen meestal om een vertraagde reactie. Misschien heb ik ooit mijn vader zo van mij zien schrikken, maar ben ik het vergeten omdat de ex-marinier zich in een flits uit bed kon laten rollen, om overeind te springen en in een katachtige gevechtshouding te gaan staan. En heb ik alleen dít onthouden:
     
‘Wat moet je.’
     

oogvlam van elise favié

Toonloze vraag, toch dreigend van kleur. Een uitdagend lachje komt door mijn vaders ogen glinsteren. Hij ziet niet alleen zijn zoon, hij ziet ook een Indonesische vrijheidsstrijder voor zich. Ratelende hamertjes van schrijfmachine-armen trekken een spoor van drukletters over zijn gefronste voorhoofd: Wie ben jij, wat moet jij in mijn kamer?

Er was geen televisietoestel in huis, het was in de jaren vijftig en ik was toen even oud als mijn zoontje nu is. Er was de kokosloper in de gang, die pijn deed aan mijn voeten. Ik had gevoelige voeten, was het niet gewend om blootsvoets te lopen, zoals mijn vader in het land dat hij zes jaar eerder vlak na de oorlog was ontvlucht. Er was de keuken met de gele tegels en het formica tafeltje, in de kristallen asbak lagen de sigarettenpeuken met de lipstickmaantjes van mijn Nederlandse moeder. Het was koud, wat deed ik in de slaapkamer van mijn ouders? Mijn vader duldde me er niet en verjoeg me door me te gelasten de kolenkachel op te poken.
     
Ik snelde naar de huiskamer. De kachel stond op kromme pootjes voor de schouw met een lijst van vuilgele badkamertegeltjes. Ik trok de lade met de sintels uit het zwarte smeedijzeren gedrocht, dat het merk Etna droeg, de naam van een Italiaanse vulkaan. In de keuken kieperde ik de sintels in de ijzeren vuilnisemmer. Uit de gangkast nam ik een zak eierkolen op mijn nek, al hoorde ik mijn moeder tegen mijn vader mopperen dat dit soort karweitjes niks voor kleine jongens was.
     
Ik opende de laadklep van de kachel en zag in de diepte de resten gloeien van de kolen die de nacht hadden overleefd. Soort zwarte diamantjes geconserveerd in de grimas van een hel. Ik scheurde kranten aan stukken, maakte er propjes van, wierp ze in de kachelmond en legde er aanmaakhoutjes op. De kolenzak torsend liet ik de eierkolen in het vuur rollen. Ik keek naar de zwarte damp die zich ontwikkelde, wachtte tot de kachel begon te loeien en sloot de klep.
     
Veertig jaar later zet ik met een simpele beweging de muurthermostaat in werking van de centrale verwarming in mijn flat. Ik zet een kinderontbijt voor mijn zoontje neer op een tafeltje naast de bank en ga terug naar bed. Misschien zal ik nog een uurtje kunnen slapen voor een betere start van de dag. Zonder schrik, zonder herinneringen aan mijn vader en wat daar al niet omheen spookt.
     
In het vervolg zal mijn zoontje me niet meer zo wakker maken. Niet dat ik het hem heb verboden. Hij is zelf allerlei strategieën gaan verzinnen. Hij haalt zijn eerste houten speelgoedtreintje tevoorschijn en loopt ermee door mijn flat, zoals hij deed toen hij twee was. Een van de wieltjes loopt aan en maakt een krakkemikkig piepend geluid. Het is een geluid dat ik ken en waar ik niet van hoef te schrikken. Een andere keer gaat hij op de bank zachtjes zitten zingen, de bekende liedjes die hij op school leert, en wacht tot ik de televisie voor hem aan kom doen. Soms betrap ik hem erop dat hij eventjes om de hoek van mijn openstaande slaapkamerdeur gluurt.
     
Mijn slaapkamer staat altijd wijd open. Die van mijn vader stond altijd half open. Hij had, eenmaal teruggeworpen op zichzelf, gescheiden van zijn vrouw en kinderen, voortaan een divan in de huiskamer staan. Ik dacht voor zijn Indische siësta, maar later kreeg ik het vermoeden dat hij hem ook ‘s nachts besliep.
     
Een divan in de huiskamer kan een vriend zijn voor angstige mensen. Slaapkamers kunnen grote vijanden zijn, hoe zeer je ook je best doet ze gezellig te maken. Ze herbergen, denk je, nu eenmaal de herinnering aan je verschrikkelijkste nachtmerries. Een divan in de huiskamer is omgeven met de bekenden van je dagen: de televisie, je stereoinstallatie, je boeken, ergens ligt een sjaal van iemand die je heeft bezocht, je zoontje heeft zijn treintje in het midden van de kamer laten staan.
     
Zo’n huiskamer heb ik niet. Wanneer mijn zoontje na een weekend naar zijn moeder terug is, breng ik al zijn spullen weer naar zijn kamer terug. Om de herinnering aan zijn aanwezigheid niet te smoren, laat ik zijn kamerdeur wijd openstaan. Mijn huiskamer is zo leeg mogelijk, niets mag mij storen als ik achter mijn bureau zit. Groen zeil, zwarte jaloezieën, een cel met een zweem van Japanse strengheid. De aanblik van een divan zou me hopeloos verlammen. Mijn slaapkamer heeft dezelfde leegte. Ik slaap op een Japanse futon. Er staat één kast van wit spaanplaat, verder niets. De kamer is met klapdeuren van de huiskamer gescheiden. Door ze open te laten, slaap ik in zekere zin in het verlengde van de huiskamer. Niet dat het helpt, waarom zou ik anders zo schrikken van mijn zoontje?
     
Eén overnachting per week van je zoontje is een breuk in je hermietenbestaan van schrijver. Tegen de tijd dat zijn aanwezigheid een vanzelfsprekendheid lijkt, moet hij alweer weg. Tegen de tijd dat je je verzoent hebt met de dag, komt de nacht

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!