Teksten voor foto-installatie Fabio-Romano del Castelletto

raamvertelling Op vrijdagavond, 4 november a.s. om 19:00 uur vindt de opening plaats van de foto-expositie van Fabio-Romano del Castelletto in de Maldoror Galerie, Den Haag. Er hangen vier hedendaagse fotowerken, in de traditie van de oude Chinese schilderkunst op papieren rollen (scrolls). Deze zijn vermengd met teksten van de de Turkse schrijver Murat Tuncel, de Chinese kalligrafist Wu Park en de Indische schrijver Alfred Birney.

De laatste, Alfred Birney, zal zijn teksten tijdens de opening live op twee van de ‘scrolls’ aanbrengen. Dit is livestream te volgen.

De tentoonstelling is na de opening te bezoeken op alle zaterdagen in november van half twee tot half zes ’s middags. Verder op afspraak en tijdens Hoogtij #27! (Persbericht)

Opzet van de installatie:

De Wagenstraat in Den Haag functioneert als het ware als een sluis, via welke verschillende culturen komen en gaan. Hollanders die uit andere buurten naar het centrum komen om te shoppen, Turken die op weg gaan naar de Grote Moskee, kunstenaars die er wonen en het unieke gedeelte van het oude centrum delen met de Chinezen van China Town. En… elkaar nu ontmoeten in de intieme galerie van Stichting Maldoror.

De bedoeling van Fabio-Romano del Castelletto is om de reacties van de bezoekers van de expositie vast te leggen, terwijl die kijken naar het werk van de schrijvers uit verschillende culturen en de fotografische observaties ondergaan van wat door de zee aan onze kust aanspoelt.

Murat Tuncel, die op een minimalistische manier, als op een schoolbord, een ritmische klank proza in zijn moederstaal (Turks) toevoegt aan het bijna kalligrafisch aangespoelde zeewier.

Wu Park, die zijn met indische inkt vloeiende, vluchtige poetische indrukken op foto’s van zware en concrete objecten achterlaat. Zijn observaties zijn, zoals de Chinese dichters en schilders die in het China van de 17de eeuw ze op papieren rollen uitwisselden: poëtisch en filosofisch tegelijk.

Alfred Birney reageert op dood materiaal en natuur, die symbolisch zijn voor het Indische verleden van zowel hem als Fabio-Romano del Castelletto.

Het geheel is een interactie van vier personen met verschillende cultuurhistorische achtergronden, tegen het licht van de natuur die op foto’s zijn vastgelegd.

Treinspoor naar het dak van de wereld

bosma-terug-uit-de-kolonien.jpg China is hot. Tibet is cold, ook wanneer er toeristen worden toegelaten. De grote Chinese leider Mao liet ruim een halve eeuw terug twee wegen aanleggen naar de woeste hoogten van een van de geheimzinnigste gebieden ter wereld. Voor elke kilometer viel een arbeider dood neer, maar een kniesoor die daar op lette. Wat hadden de Chinezen eigenlijk te zoeken in dat hoge, bijkans onherbergzame Tibet met zijn gevreesde hoogteziekte, die alleen Tibetanen kunnen weerstaan?

De Amerikaanse antropoloog Abrahm Lustgarten wijdde er een boek aan. Het is vertaald door Gerrit Jan Zwier en houdt het midden tussen een reisverslag, een antropologisch onderzoek en journalistiek. Centraal staat de aanleg van een spoorlijn in de huidige eeuw over ruim 1100 kilometer naar het dak van de wereld. Alleen Chinezen, met hun traditie van spoorwegen aanleggen, halen zich zoiets in hun hoofd. Er moest veel, heel veel voor het plan wijken. Zesduizend kloosters werden vernietigd, om maar wat te noemen. Toeristen die zich mogen vergapen aan gouden boeddha’s, bekijken replica’s van wat ooit door de Chinezen werd geroofd en omgesmolten. Dat wordt hen natuurlijk niet verteld.

Hoewel Lustgartens sympathie uitgaat naar de onderdrukte groep, komt hij ook met enkele boeiend geschreven portretten van Chinezen die met de bouw van de enorme spoorlijn te maken hadden. Het zijn de prettigst leesbare stukken. De politiek staat immers ver van de gewone mens af en kan dan ook bijna niet anders dan droog worden neergepend. Zoals de vroege bemoeienis van de Engelsen met het gebied en de actieve rol van de Amerikaanse CIA, die de Tibetaanse guerrilla’s trainde maar tegelijk de Chinese heerschappij over Tibet officieel erkende.

De expansiedrift van de Chinezen gaat niet alleen om Tibets ijzererts en overige delfstoffen. De krankzinnige goudkoorts die maandelijks honderdduizend Chinezen naar de trein doet hollen, maakt van de hoofdstad Lhasa een protserig en poenig oord van kitsch en hoererij, waar Tibetaanse kinderen in een wereld van gadgets hun eigen taal niet meer zuiver spreken.

Nog geen twee jaar geleden was de Qinghai-Tibetspoorlijn opeens gevuld met soldaten van het Volksbevrijdingsleger. Die zou buitenposten van het Indiase leger aan de betwiste grens met Arunachal Pradesh hebben vernietigd. Oorlogen zullen in de toekomst om water gaan en beide enorme landen zijn afhankelijk van wat er uit de Himalaya omlaag stroomt.

Lustgarten lijkt al zijn kennis over Tibet in dit ene boek te hebben willen proppen. Gevolg is dat na vele bladzijden over die ene krankzinnige spoorlijn er in hoofdstuk 10 opeens een hypermodern vliegveld in Lhasa uit de hemel komt vallen. Door een overvloed aan details is dit boek niet direct geschikt als vakantielectuur. Maar daar is het ook niet voor bedoeld. Het is maar dat u het weet.

Auteur: Abrahm Lustgarten
Titel: Het spoor naar Tibet.
Paperback, aantal pagina’s 320 (met noten)
Uitgever: Atlas
Prijs: € 24,90

© 2009 Alfred Birney. Deze recensie verscheen eerder verkort en geredigeerd in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 6 juni 2009 onder de titel Met de trein naar Tibet.

Doch er is een drawback – 1

Wie in zijn familiegeschiedenis duikt, komt vroeg of laat wel ergens een wapenschild of beroemdheid tegen. Op een dag keek ik terug op wat ik geschreven had en welke familieleden model in mijn romans hadden gestaan. Dat waren mijn vader en mijn grootmoeder. Er restte nog één figuur die ik moest ontdekken langs de Indische lijn in mijn familie: mijn overgrootmoeder. Onderzoek plegen hoefde niet, gegevens over haar werden me mettertijd ongevraagd aangereikt door historici en literatuurwetenschappers die mijn schrijverspad kruisten en verdwenen ongelezen in mijn lade. Die hoefde ik slechts open te trekken toen ik aan een novelle begon te werken en haar – dit klinkt oneerbiedig – als bijfiguur nodig had.

Rabina heette ze, geboren ergens op Oost-Java, zonder achternaam. Niet direct iemand die je in de negentiende eeuw ergens in Overijssel zou tegenkomen, dacht ik. En zo dachten indertijd Anne Busken Huet en Sophie Potgieter ook. Anne was de vrouw van de schrijver, criticus en journalist Conrad Busken Huet, die zijn heil in Batavia was gaan zoeken. Sophie was de zuster van E. J. Potgieter, mede oprichter van het tijdschrift waar u nu in leest: De Gids.

Wie een beetje thuis is in de Indische bellettrie, weet dat schandalen bij voorkeur in de kolonie werden gesitueerd en dat de beschaving begon en eindigde in Nederland. Je ziet het in de werken van Couperus en Multatuli, maar de echte liefhebber haalt zijn informatie uit de boeken van niet gecanoniseerde schrijvers.

De naam Dé-lilah zal alleen de ingewijde iets zeggen. Haar verbeelde werkelijkheid van onverschillig Hollanders, Chinezen of Indo’s was meedogenlozer dan die van haar voorgangers, al dweepte zij als Indo-Europees kind van haar tijd enorm met het beeld van ‘de aristocratische westerling’. Dit zal haar literaire positie in de ogen van diezelfde westerling ironischerwijs wel hebben verzwakt, als er al een kans was dat de smaakmakers van de Nederlandstalige literatuur haar boeken opensloegen.

Dé-lilah geboortejaar wordt door haar ontdekker Joop van den Berg rond 1850 geschat. Zekerheid over haar ware naam is er niet. Maar ze heeft tenminste een pseudoniem én een hilarische wijze van zichzelf aan de lezer voorstellen.

In het verhaal Een zuinige huisvrouw uit de bundel Een Indisch dozijntje (1898) gaat ze met haar vriendin naar de markt, een verschrikkelijke onderneming voor iemand zo ongeschikt voor het huishouden als Dé-lilah. Het verhaal is in zoverre interessant, dat de schrijfster een coming out inlast, tamelijk uniek voor die tijd:

Hanna, mijne vriendin is een aardig indisch vrouwtje, precies zooals ik, dat wil zeggen, dat ik ook een indiesche ben, of ik aardig ben daarover zullen we maar zwijgen.

Deze zin luidt een boosaardige scène in, die zich later op de markt afspeelt:

Vol afschuw sloegen we een ander paadje in, dat nog voller was dan al de andere wegen. Ik ergerde me vreeselijk. Ik was al uit mijn humeur over hetgeen ik gezien had en nu overkwam mij weêr de ergernis, als een pilaar vastgemetseld te moeten blijven staan en me niet te kunnen bewegen door deze foule van menschen. En wat voor menschen? Armoedige, vuile, magere inlanders, menschen met huid- en andere ziekten, vrouwen met ongekamde haren en natuurlijk het noodige gezelschap bij zich, of met een enkele sarong aan, met ontbloot bovenlijf; mannen, vuil en verwilderd, waaronder echte galgentronies.

Ik werkte geducht met mijn ellebogen, maar ’t hielp niet veel. Daar staat een Soendanees naast me met een rits, nog levende, spartelende goudvischjes aan een touwtje, en ik merk tot mijn ontzetting, dat hij dat zoodje tegen het aardbeien satijn mijner kabaija houdt en dat daar een leelijke vies ruikende vlek op gekomen is.

In mijn boosheid stoot ik met de punt van mijn parasol in zijn ribbenkast. Het schijnt aangekomen te zijn, want de kerel valt achterover, precies op een oude vrouw, die zwarte boeboer ketan verkoopt en hij trapt met zijn eene voet in de pan kokende toeboer. De vrouw schreeuwt en scheldt vreeselijk, maar de consternatie wordt nog grooter, wanneer diezelfde man, die van pijn brult, al strompelende terecht komt in een hoop katjang. Gelukkig is er nu ruimte gekomen en kan ik verder gaan

Dé-lilah is waarschijnlijk de allereerste overduidelijke Indo-Europese vrouw die zich aan verhalend proza wijdde. Ze kende het plantersmilieu goed, vooral in de uithoek Deli (Dé-lilah) aan de Oostkust in het Noorden van Sumatra, dat indertijd als een staat in een staat functioneerde. Daar gaf de zogenaamde ‘Koelie-ordonnantie’ planters de vrijheid hun arbeiders naar eigen goeddunken te berechtigen. Een dergelijke bizarre autocratische samenleving kende men op Java niet.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Het jaar van de Os

jaar van de os Vandaag begint het Chinese jaar van de Os. Chinezen hebben maanjaren. Elk nieuwe jaar begint op de tweede nieuwe maan na de zonnewende van 21 december. Dat is ergens tussen 21 januari en 20 februari. Het nieuwjaarsfeest wordt door één miljard mensen over de hele wereld gevierd, vooral in Azië met China voorop, gevolgd door landen als Mongolië, Korea en Vietnam. De feesten kunnen meerdere dagen duren. Waar Chinezen in grotere concentraties zijn, wordt Nieuwjaar gevierd, zoals afgelopen zaterdag in het Haagse Chinatown. Amsterdam volgt een week later.

Het is gebruikelijk dat je je schulden betaalt voor je het nieuwe jaar ingaat. Je koopt nieuwe kleren en je maakt je huis schoon. Je veegt het stof van het afgelopen jaar dus naar buiten. Ga nou niet je huis schoonmaken op nieuwjaarsdag, want dan veeg je de energie van het nieuwe jaar de straat op. Vandaag ben je te laat, dus laat de stofzuiger maar in de kast staan.

Wat heeft het jaar van de Os voor ons in petto? Ik verlaat me maar even op het lichtvoetige handboek van Theodora Lau, want je kunt de Chinese astrologie net zo moeilijk maken als de “westerse”. Wij allen zullen het juk van de verantwoordelijkheid op onze schouders voelen, want de Os is een noeste werker. Strubbelingen vinden hoofdzakelijk in huiselijke kring plaats, toch is het een goede tijd om je huis op te knappen (dat geldt zeker voor mijzelf, want ik deed al tien jaar lang helemaal niets aan mijn huis). Verder moet voor de wat saaie Os de mode sober zijn, is abstracte kunst uit den boze en spielerei taboe. Geen werk, geen eten, is het credo!

Persoonlijk waren mijn Ossenjaren (1997 en 1985) nogal beroerd, maar het schijnt dat door de invloed van mijn vaste element ik nu juist een goed jaar krijg. Dat is uw zaak natuurlijk niet, u wilt liever weten hoe het u zal vergaan. Kent u uw teken niet? Vergeet het. Ga de stoep maar vegen, of lees een boek van me.

Bent u een Rat? Gefeliciteerd! U krijgt een voorspoedig jaar. Bent u een Os? Goed jaar hoor, hier en daar wat vertraging in de uitvoer van uw plannen. Is u een Tijger? Echt waar? Zeker weten? Nou eh… veel geruzie, ik zou het hele jaar maar in mijn kooi blijven. Leeft u in het wild? Tja, nou, uithalen en flink krabben maar dan. Bent u een Konijn (Kat of Haas is hetzelfde, allemaal eetbaar in China)? Een moeilijk en rigoureus jaar. Ellende met gezondheid, scheiding van een geliefde, uitstel van plannen. Dit klopte voor mij de afgelopen twee Ossenjaren, maar er ligt een link naar een tegenstem onderaan dit stuk. Gauw verder naar de Draak: wel okay, dit jaar joh. De Slang… nah… tegenwerking en financiële miscalculaties. Paard? Redelijk, po’s and cons, kan beter, kan slechter. Het Schaap. U bent een Schaap, ja? Of een Geit, dat maakt niet uit. U weet zeker dat u onder dat teken valt? Nou, het is net zo ellendig als voor het Konijn, als u van geld tenminste een punt maakt. Er komen ruzies met vrienden en familie, er wordt gewoonweg te veel van u gevraagd. No way to hide, sorry. Ik ga maar weer verder. Bent u een Aap? Een matig jaar. Thuis is alles wel goed, maar de gezondheid kan een tikje krijgen en uw hoge verwachtingen moeten wat worden getemperd. Dan nu de Haan. Het kraaien zal wat beter gaan dan in het afgelopen jaar. Beetje minder schor. Misschien een operatie aan het een of ander? Is u een Hond? Oh boy, sorry hoor, maar het kan heel wel zijn dat uw vrienden, kennissen en familie u aldoor verkeerd begrijpen. Beter maar een toontje lager blaffen dit jaar. Probeer anders eens te miauwen of zo. Tot overmaat van ramp gaan de geldzaken ook al niet van een leien dakje. Tot slot het Zwijn. Een goed jaar! Misschien wat gedoe in de liefde, maar dat eet en drink je wel weer weg in een lekker restaurant ergens aan een haventje. Lichtjes glimmen in de verte, het water klotst u vriendelijk toe, ga maar lekker vreemd hoor, je minnaar komt er toch niet achter.

Kloppen deze door mij vrijuit geparafraseerde voorspellingen van Theodora Lau eigenlijk wel? Aan het einde van het jaar van de Os zult u het weten. De schrijfster wordt op nogal wat punten tegengesproken door een Chinese astroloog uit het jaar van de Hond. Neem daar maar eens een kijkje. Verbaast u zich vooral niet over al die Feng Shui (spreek uit: Fong Swee) die u over u uitgestort krijgt, want hey: voor elke negatieve invloed is er wel een kristal dat je ergens in je huis moet neerleggen. Het is ook gebruikelijk om je bed, je bureau en je eettafel te verplaatsen. Voor mij rijst altijd de grote vraag: wat wordt bedoeld met het Noorden, het Zuiden, het Westen en het Oosten? Zijn deze windstreken relatief nadat je de Noordzijde van je huis hebt bepaald, of zijn ze absoluut? Wie het weet, die moet het me maar zeggen.

Koloniaal brievenproza (2)

De brieven in het boekje en de DVD vullen elkaar mooi aan. De tekst komt van Rien Kuyck, de filmbeelden komen van haar man, die waar hij maar kan het Nederlands-Indië in de late jaren twintig van de vorige eeuw vastlegt. Opwindend beeldmateriaal is het niet als je al tientallen fotoboeken over die tijd onder ogen hebt gehad. Het enige dat me bijblijft is een shot van een dagje naar het strand. Je ziet Europese mannen een duik nemen en hun vrouwen onder parasols in stoelen kwekken over dezelfde dingen waar men nu over kwekt, morgen over kwekt en over honderd jaar nog over zal kwekken. De vertelster – de stem op de DVD geeft een beknopte bloemlezing uit het brievenboek – beseft wel dat ze van een afstandje afkeurend worden gadegeslagen door de “inlanders”, die men nu Indonesiërs noemt.

Wie zitten er aan het strand? Een dikke Chinese familie. Luidruchtige en uiterst modieuze joden. Verder de zogenoemde Europeanen. De beurskrach van New York is dan al een feit, maar de vertelster zegt dat er in “Indië” nog niet veel over wordt gesproken.

Wat ik jammer vind is dat de zeereis niet wordt beschreven. Nou kon je natuurlijk moeilijk brieven vanaf de boot versturen. Maar ze had die kunnen bewaren. Wellicht was het bijhouden van een dagboek voorbehouden aan de creatievere geesten. Zo iemand was Rien Kuyck niet. Ze was gewoon een aardige Haagse vrouw zonder uitgesproken kenmerken die haar tot zoiets als een uitgesproken persoonlijkheid zouden hebben gemaakt. Zo vindt ze het wonderlijk hoe snel kinderen bedienden gaan commanderen, zonder dat ze zich afvraagt van wie die kinderen dat nou zouden hebben afgekeken. Racistisch kun je haar niet noemen, ze is een kind van haar tijd en spreekt met respect over haar bedienden. Koloniaal is ze uiteraard wel te noemen. Aan de enorme weelde is ze al snel gewend en hoewel ze in het begin van haar vijfjarige verblijf op West-Java nog gewoon Hollandse kost tot zich neemt, tot en met havermoutpap toe, zie je op de filmbeelden dat haar zoontje gewoon rijst krijgt toegediend door de baboe. Aardig is dat zij schrijft dat er mensen zijn die er alles aan doen om vooral niet te verindischen. Daar doet zij niet aan mee. Rien Kuyck vindt dat een mens zich zo goed mogelijk moet aanpassen aan omgeving en gebruiken, al zijn er natuurlijk grenzen en verlangt ze naar Holland terug, waar het leven uiteindelijk beter is volgens haar.

De observaties van Rien Kuyck zijn soms erg herkenbaar. Ze vergelijkt bepaalde delen van Java met de Achterhoek. Dat deed ik ook op mijn reizen over Java. Hoewel Rien Kuyck zo te oordelen een luizenleven leidt terwijl haar man werkt, klaagt ze soms toch nog over haar kinderen, die ze lastig vindt. Zonder die kinderen zou ze heerlijk wekenlang door dat prachtige landschap kunnen zwerven, etc.

Aan het einde van haar epistels heeft Rien Kuyck het over opstandelingen, “communisten” die de buurt onveilig maken. Ze worden opgepakt, maar Rien zelf vindt dat ze beter doodgeschoten kunnen worden. Tijdgeest, right? Het valt haar verder op dat de bedienden zich allengs vrijer en brutaler gaan gedragen. Sommigen durven haar zelfs ongevraagd aan te spreken tijdens een feest, bijvoorbeeld om haar te wijzen op een stoffig portierraampje van de auto. Wat dat betreft is het brievenboek wel interessant. Achter de naïviteit van een doorsnee Hollandse vrouw in de “Oost” zie je toch, uiteraard met de kennis die je nu bezit, de verhoudingen tussen de dominate en onderdrukte groep behoorlijk veranderen. Indo’s worden slechts een paar keer zijdelings genoemd. Nee, ze heten geen “Indiërs”, zoals onze Geert Mak maar eigenwijs blijft volhouden.

Tja, wat moet je met zo’n boekje + DVD? Ik zou zeggen: het is aardige kost voor de Indië-freak, mensen die maar geen genoeg kunnen krijgen van gedachteloos terug te reizen naar de koloniale tijd van Nederland. Ik vraag me weleens af of zulke mensen ooit op het idee komen de heleboel eenvoudig om te draaien. We gaan honderd jaar terug in de tijd. Nederland wordt onder de duim gehouden door een kleine minderheid Chinezen, die de economie in handen hebben, aan het hoofd van het leger en de politie staan en spoorlijnen laten aanleggen. Ze houden er Hollandse bedienden op na, gaan flaneren op het strand terwijl de “inlanders’, die men nu Hollanders noemt, zich uitsloven met het uitbaggeren van sloten, het aanleggen van wegen voor de auto’s waarin de Chinezen zich voortbewegen, en zich in fabrieken in het stof werken met producten die zeer veel geld opleveren. De woekerwinsten gaan naar China. Wie zich dit niet kan voorstellen, vindt misschien wel dat kolonialisme alleen is voorbehouden aan een kleine blanke elite. Wie zich dit wél kan voorstellen, is misschien wel een leugenaar. Of een toekomstvoorspeller? Dat kan ook.

Kreeft

hat logo meneer b Mijn naam is meneer B. en ik eet geen kreeft. Het is niet zo dat ik uit principe geen kreeft eet. Ik bedacht het slechts toen ik vanmiddag een kolonie kreeften gadesloeg. Het was in een van die supermarkten in China Town, de bak stond op borsthoogte en de dieren kropen over elkaar heen in fris gehouden water. Het aantal verbaasde me, het moesten er wel vijftig zijn. Chinezen eten alles, dat is mij bekend, maar het eten van kreeft associeer ik eerder met het mediterrane leven. Ik was ooit dol op island hopping, ik at van alles aan de haventjes op de Griekse eilanden, maar géén kreeft. Dat ze levend worden gekookt kan een bezwaar van me zijn geweest. De onwil mijn onervarenheid te tonen met het eten van kreeft kan hebben meegespeeld. De dieren waren prijzig indertijd. Het was not done om kreeft te eten. Kreeft was iets voor de nouveau riche en overige aanstellers. Thans is het eten van kreeft bijna een volksaangelegenheid geworden. Er zijn mensen die vinden dat ze ‘alles’ moeten hebben geprobeerd voor ze sterven. Zoiets is natuurlijk onmogelijk. Zouden ze ‘alles’ vervangen met ‘zoveel mogelijk’, dan wekten ze althans de indruk over het leven te hebben nagedacht, ondanks een dergelijke armzalige levensinstelling. Ik zou op mijn beurt nooit het tegenovergestelde zeggen. Het lijkt me eerlijk gezegd wel lekker om me eens aan kreeft te wagen. Maar dan moet er wel iemand tegenover je zitten, in een jurk, ze jongleert met een muiltje op haar tenen onder een wiebelende tafel en verleidt je benen tot een tango onder tafel, enfin de zee klotst loom tegen de kaderand, er zijn lichtjes in de verte, alles bevindt zich in de verte, geen helderziende kan vooruit zonder turen in de verte. Ik kijk liever achterom.

Maanziek en zo

Het verkeer is niet agressief maar nerveus, mensen vergeten naar de lucht te kijken. Mijn zoon dacht dat het al volle maan was omdat de kids uit zijn klas zo opgewonden waren, maar nee: de maan is pas vol aanstaande zaterdag om 15:30 uur. Volgens de oude Chinezen begint de yang-energie af te nemen op het ogenblik van opperste volheid, vandaar dat een volle lijn in de I Tjing dan beweegt naar zijn tegenpool: yin. Zo werkt het ook met de maan: die gaat naar een nieuwe schijngestalte. Mensen reageren sterker op een toename van energie dan op iets dat zijn hoogtepunt heeft bereikt. Extra gevoelig voor volle maan-standen zijn chronisch zieken, want zij houden dan veel meer vocht vast. Hoe het zit met manisch depressieven en overige neuroten zou ik even niet weten. En wat te denken van de zee? Die heeft een bondgenootschap met de maan. Als die Engelse weerkundige Piers Corbyn gelijk krijgt met zijn voorspelling dat wij een megastorm te verduren zullen krijgen, dan zullen we wel zien of er sprake is van echte passie tussen het veel bezongen hemellichaam en the unfathomable sea according to Shelley.

Omtrent racisme

logo alfred birney Een vloedgolf van discussies over racisme naar aanleiding van de moord op meer dan 30 studenten en een leraar op de Virginia Tech university kon niet uitblijven toen bekend werd dat de dader van Zuid-Koreaanse komaf was. Op een willekeurig weblog (dode link) van een studente komt een stoorzender langs met, vrijuit vertaald, het volgende:

“Wat een zielig stelletje zijn jullie, om van te kotsen. Ik heb in Korea en Japan gewoond en die landen zijn zo’n beetje de meest racistische waar ik ooit was. Kinderen die half Koreaans zijn worden als honden behandeld en zijn de eersten die van school getrapt worden. In Amerika heb ik vaak genoeg Koreaanse kinderen horen roepen naar Filippino’s dat zij de ‘nikkers van Azië’ zijn. Wij zijn de besten en de rest sucks. Dat is toch echt een cultuur die racisme en haat uitbroedt.”

Hij heeft een punt, deze woesteling, maar ook niet meer dan dat. Racisme is inderdaad niet voorbehouden aan blanken, het komt zo’n beetje overal ter wereld voor. Een weldenkende Koreaan die dat toegeeft is niet moeilijk te vinden. Het begrip racisme kent overigens vele in- en uitgangen, zoals ‘vooroordelen’, ‘vreemdelingenhaat’ enzovoort. Ikzelf heb in Indonesië gezien dat Chinezen van de 7e (zevende!) generatie nog aparte bewijzen moeten overleggen bij diverse officiële loketten, waar Javanen dat helemaal niet hoeven. Dit gedoe bestond al tijdens de kolonisatie van de Nederlanders, die ooit apartheid in wetten waren gaan vastleggen. Nou kun je minderheden over de hele wereld wel verwijten dat ze lange tenen hebben en zelf ook discrimineren, maar intussen hebben blanken de luxe nooit en masse in de verdediging te worden gedwongen. Hoe zou dát nou komen?

Nieuwjaarsdag anno 4704

hat logo meneer b Ik had geloof ik beter op oudejaarsdag mijn racefiets schoon kunnen maken, gisteren dus. Chinezen maken namelijk op oudejaarsdag hun huis schoon. Wat ze op nieuwjaarsdag doen kun je wel raden. Ze zullen ongetwijfeld heel veel eten van de niangao, de nieuwjaarscake. De kids die ik gisteren achter aan de processie zag – ze stonden zo’n beetje in conclaaf over de verder te volgen procedure – vond ik nogal fors uitgevallen. Meisjes en jongens van rond de 20, en dan al van die enorme babi-konten en -smoeltjes. Ik zou ze eerder op de racefiets zetten dan naar de kung fu-schuur sturen achter het een of andere vieze restaurant. Een jaartje flink fietsen en ze kunnen op de catwalk. Ik heb nog nooit een Chinees op een racefiets gezien, maar ik moet zeggen dat mijn rennersjaren ver achter me liggen. De fiets die ik vandaag schoon maakte, is uit 1991. Italiaans stalen frame met Campagnolo onderdelen, daar rijdt geen hond meer op. Het merk is van de vader van Ivan Basso, die ooit een goede sprinter was. Ik kocht de fiets van het geld van een literaire prijs, ik denk dat ie nu slechts 100 euro oplevert. Vijf jaar terug heb ik er nog 500 kilometer op gereden, maar ben toen aan vechtkunst gaan doen. Vechtkunst en wielrennen gaan niet samen. Ziet u Lance Armstrong al van zijn fiets klimmen en een kata uitvoeren? Dat is zoiets als Marilyn Monroe op gummilaarzen de ploem-ploem-jenka zien dansen. Vergeef me dit anachronisme. Ik ben overigens nog niet klaar met het schoonmaken van mijn fiets. De waarheid wil dat dat ding zo smerig was, dat ik er vandaag alleen de stofzuiger overheen heb gehaald. Ik heb me in moeten houden. Anders zou ik, volgens de Chinezen, mijn geluk hebben weggepoetst. Morgen ga ik mijn geluk oppoetsen.

Is dit wel zuivere thee?

hat logo meneer b De naam Pecco, de thee waarmee mijn zoon eergisteren thuiskwam, schijnt een verhaspeling van de naam Pakhoe, die de Chinezen gaven aan deze gedroogde, nog niet ontloken allerjongste theeblaadjes van de Camelia Sinensis. Deze thee diende als relatiegeschenk aan het geteisem, geboefte, of hoe noem je die lui, van de VOC. De thee werd vers in een speciaal blik gestopt en vervolgens in een fraai gesneden theekistje verpakt. De sjacheraars van de VOC, die, om het maar even anachronistisch te stellen, weinig meer waard waren dan een kartonnen doosje met een dozijn theezakjes, gaven de bijzondere kistjes met de Pakhoe thee op hun beurt aan leden van het Huys van Oranje. Van de weeromstuit gebruikte het Huys van Oranje de thee om zijn gasten te behagen. Met de verdere verspreiding van deze thee ging uiteraard de kunst van het theezetten verloren. Jonge thee dient langer te worden getrokken dan oude, dus er zal menig soiree rond een pot hete slootwater zijn gehouden. Gasten met fronsende wenkbrauwen werd haastig gewezen op de leverancier en de naam van de thee, waarmee de naam Oranje Pecco ontstond. De naam wordt tot de dag van vandaag misbruikt door malafide theehandelaren die bijvoorbeeld fijngemalen, gedroogde brandnetelsoepstengels aan de man willen brengen. Die doen dat natuurlijk in fraai gevormde zakjes met labels waaraan buitensporige aandacht is gegeven. Is de thee die mijn zoon meenam wel zuivere Oranje Pecco? Hij komt immers van het Pickwick-syndicaat, dat zich al sedert 1753 schuldig maakt aan de Hollandisering van thee.