Het polderproza van Oeroeg

Naar aanleiding van mijn column Postkoloniaal naschrift in De Republikein stuurde August Hans den Boef me een artikel over Hella Haasses “koloniale overgangsnovelle” Oeroeg.


oeroeg

Kritische artikelen over dat boek zijn zeldzaam; de blik van de gemiddelde Hollandse recensent reikt nauwelijks verder dan de duinen. Een enkeling ziet nog vaag de schimmen van uitzeilende VOC-schepen in de mist verdwijnen, maar dat is het dan wel. Weinig literatoren nemen de moeite zich echt te verdiepen in de koloniale literatuur. Zo begint Elsbeth Etty doodleuk een column over Oeroeg met de volgende zin:

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie.

Het probleem, dat zij maar even voor het gemak omzeilt, is dat zij die de context wél kennen het boek niet anders dan een miskleun ervaren. Wie dat doen, vormen een groep van zogenaamde ‘kenners’, onder wie het overigens lastig zoeken is naar kritische onafhankelijke geesten, want elkaar napraten zit nu eenmaal bij de mens ingebakken.

Vervelend is dat Oeroeg (1948) zo lang op de boekenlijsten blijft staan. Het boek is, wat dat betreft, te vergelijken met Orpeus in de desa (1900) van Augusta de Wit. Even dacht ik dat deze van Indo-haat doortrokken novelle nu wel voor altijd de boekenlijsten was afgemept. Maar nee, het wordt gewoon weer gecanoniseerd. Zo krijgt die Olf Praamstra toch nog zijn zin. Hij bepleitte namelijk eens in een aflevering van Indische Letteren de terugkeer van die novelle op de boekenlijsten van de middelbare scholen.

Maar of er nou werkelijk goed over zo’n lijst nagedacht wordt, dat trek ik liever in twijfel. Volgens mij doen ze maar wat. Een beetje Indië, een beetje Suriname, een beetje Allochtonië, een paar Vlamingen, wat oud spul uit de eigen vrieskist, veel ‘tijdloze’ titels en dan nog wat nieuw spul, anders is het net alsof er in deze eeuw niets fatsoenlijks meer geproduceerd is. Maar gekruidenier werkt helemaal niet bij zoiets als canonisering. Niet als canonisering een serieuze aangelegenheid is (wat ik sterk betwijfel in een land waar verkoopcijfers, hypes en misplaatste verafgoderij – Hella Haasse is zo’n aardig, lief oud mens – tellen boven kwaliteit en waarachtigheid).

Een boekenlijst zou chronologisch moeten worden gepresenteerd. Dan krijgen de leerlingen tegelijkertijd een historisch overzicht mee. Dus:

Van den Vos Reynaerde (13e eeuw)
Anna Bijns: Refereinen (1528-1567)
Joost van den Vondel: Gijsbrecht van Amstel (1637)
Willem Ysbrants Bontekoe: Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe (etc) (1646)
Betje Wolff & Aagje Deken: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782)

Etcetera.

Geschiedenis en literatuurgeschiedenis moeten niet zo afzonderlijk worden gedoceerd dat de leerlingen eigenlijk geen weet hebben van de achtergronden waartegen de boeken spelen. Het is wel aardig om Helmans De stille plantage (1931) weer terug te halen, maar zet dan ook een later boek van Edgar Caïro op de lijst. Uiteraard in een chronologisch overzicht en niet, zoals u twee postings terug kunt zien, in een droge opsomming van, voor hedendaagse scholieren, nietszeggende namen. Zelfs Hella Haasses Oeroeg zou dan minder betwijfeld kunnen worden, omdat de novelle dan duidelijk in een heftig historisch tijdsgewricht zou worden gepositioneerd.

De kolonisering van gebiedsdelen in de Oost en de West is een meer dan belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland. Nou wordt dat niet direct ontkend. Maar met het overwegend opblazen van de Tweede Wereldoorlog (in Nederland en niet in Nederlands-Indië / Indonesië) trekt Nederland liever het slachtofferkleed aan dan de hand in eigen boezem te steken en eens flink te verhalen van de moordpartijen die onze jongens overzee begingen met als doel via de handel de eigen kas te spekken. Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) is verre van perfect, maar laat wel zien dat er wel meer te lezen valt dan Augusta de Wit, E. Du Perron en Hella Haasse. Dat beetje Indië op de boekenlijsten wordt geregeerd door de macht der gewoonte.

Weliswaar zie ik de namen van Maria Dermout en Vincent Mahieu aan de kim verschijnen, maar een contrapunt van Lin Scholte op Hella Haasse is er niet. Een contrapunt op Adriaan van Dis, zoals Theodor Holmans Tjon (2007) zie ik al evenmin. De leeslijsten kennen geen dynamiek, ze laten alleen wat onnadenkend gekruidenier zien. Een Marokkaanse schrijver wordt ingewisseld voor een Iraniër. Helga Ruebsamens roman Het lied en de waarheid moet plaatsmaken voor een stichtelijk verhalenbundeltje van haar hand. Harry Mulisch’ oeuvre wordt overdreven opgeblazen, waardoor Armando’s De straat en het struikgewas (1988) helemaal van de lijst verdwijnt, enzovoort. Ja, ik brainstorm maar wat. Maar wel serieus. Niet omdat de een of andere vergadering over een half uur is afgelopen en ik naar een sigaretje snak of nog even snel de stad in moet.

Terug naar de aanleiding van dit stuk: August Hans den Boefs artikel De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle. Het verscheen in De Groene Amsterdammer van 9 juni 1993. Het bewijst dat Oeroeg steeds weer discussies doet oplaaien. Dat is voor een schijver natuurlijk koren op de molen. Hella Haasse hoeft alleen maar nu en dan haar debuut te verdedigen, en dát is nu juist waar August Hans den Boef op in zoomt.

Aanleiding van zijn stuk is de verfilming van het boek en waarschijnlijk is die film ook aanleiding geweest tot de rel tussen Rudy Kousbroek en Siem Boon later in dat jaar. August Hans den Boef begint zijn, overigens genuanceerd, stuk met de vraag of het boek wel in al zijn facetten te verfilmen is. Het boek is ‘lekker dun’, dus makkelijk leesvoer voor scholieren, maar welke kant zal het opgaan onder de handen van de regisseur?

Zal de sfeer ten prooi vallen aan tempo doeloe-nostalgie en de islam aan political correctness? […] Ook wanneer de scenarist en regisseur zich trouw aan de tekst houden, blijven er onoplosbare problemen omdat de tekst niet altijd ondubbelzinnig is.

Hierover straks meer. Interessant is dat het niet Tjalie Robinson was die als eerste kritische kanttekeningen bij het boek plaatste. In het Indische blad Oriëntatie was het redacteur Dirk de Vries, die zich in een eerste recensie kritsch over het boek uitliet.

Ten eerste leek het slot hem onwaarschijnlijk. Dit is de meest gehoorde klacht over het boek en niet eens zo interessant.

Verder stoorde hij zich aan de incorrecte schrijfwijze van Soendanese en Indonesische woorden en aan het klakkeloos overnemen van enige gefingeerde nationalistische organisaties uit het boek Buiten het gareel van Soewarsih Djojospoespito (in latere drukken is aan deze kritiek tegenmoet gekomen).

Tjalie Robinson vond deze kritiek te zwak en kwam pas een maand later met zijn felle kritiek, die hier te lezen is. Ik schonk er aandacht aan in deze posting, een afdruk van mijn artikel Nederland leest niet uit Archipel Magazine (herfstnummer 2009). De belangrijkste quotes zijn ook door August Hans den Boef in zijn stuk gebruikt.

Dirk de Vries stelde verder wat droogjes:

dat de novelle elck wat wils brengt: de groei van Oeroeg tot Indonesische nationalist moet naar het hart van zijn Nederlandse progressieven, terwijl de Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot eigen theorieën bevestigd zal menen.

Met andere woorden (August Hans den Boef):

niemand kan er zich een buil aan vallen.

Overigens wordt Tjalie Robinson ook niet helemaal gespaard in de bespreking van August Hans den Boef. Dat hij Oeroeg “politiek gevaarlijk” noemt, blijft bijvoorbeeld een onduidelijkheid in zijn aanval op Oeroeg. Belangrijk is te weten dat Tjalie Robinson niet bedoelde om Hella Haasse aan te vallen. Ook ikzelf vind haar een bijzonder aardig mens, maar daar gaat het helemaal niet om. Als je een canon laat afhangen van wie er al dan niet aardig zijn onder de schrijverscolonne, dan zou je een wel heel vreemde lijst krijgen. Met uiteraard een tegencanon van de grootste hufters van de Nederlandstalige letteren.

Een vergeten stem in de discussie over Oeroeg is Margaretha Ferguson. August Hans den Boef laat die stem wel in zijn stuk spreken. Ferguson constateerde dat de ik-figuur aan het slot alleen maar de schade beschrijft die is toegebracht aan Nederlandse eigendommen. Gezwegen wordt over de verwoestingen die de Nederlanders hebben aangericht (en dan laten we de andere partijen in die buitengewoon gecompliceerde oorlog nog maar even buiten beeld). Verder wees Margaretha Ferguson erop dat Oeroeg een intelligent mens is en dat Lida, de blanke verpleegster, die verindischt is, niet de eerste blanke was die zich verbonden voelde met de vrijheidsdrift van de Indonesiërs (“inlanders”). Dus waarom heeft de ik-verteller dan het gevoel dat hun houding onecht en door anderen ingefluisterd is? Ook Ron Nieuwenhuys met zijn Oost-Indische Spiegel (1972), een boek dat al twee generaties onderzoekers aan het werk houdt, plaatste kritische kanttekeningen bij het boek.

Haasses verdedigingen van haar eersteling bracht haar tot verschillende uitspraken door de tijd heen. Ten eerste wijt ze veel van haar onwetendheid aan de opvoeding van haar ouders, die het opkomende nationalisme van de Indonesiërs zoveel mogelijk buiten de kletstafel hielden. Zelf herinner ik me een uitspraak van haar, waarin ze zegt dat ze er als meisje evenvoudigweg niet over nadacht waarom er gescheiden zwembaden waren voor blanken en “inlanders”. Deze naïveteit maakt haar enerzijds onnozel en anderzijds sympathiek. Want waarom zou een schrijver niet met een volkomen argeloze houding mogen verhalen?

De vraag blijft: hoe argeloos was ze? Toen Oeroeg verscheen was Haasse dertig, dus geen meisje van achttien meer. Ze liet zich er ook voorstaan dat ze graag de boeken van Ter Braak en Du Perron las, terwijl die laatste nota bene het nationalisme van de Indonesiërs volkomen steunde.

Uiteindelijk wilde Haasse in eerste instantie het landschap van haar jeugd oproepen. Wie kan daar bezwaar tegen hebben? Ze wilde ook een pleidooi houden voor wederzijds begrip tussen mensen, wat blijkt uit haar dankwoordbij het onthullen van haar naam als auteur van Oeroeg. (In die tijd leverden auteurs hun manuscripten voor het jaarlijks boekenweekgeschenk onder motto in.) Typisch voor de schrijfster is dat ze een voorzichtig standpunt blijft innemen rond Nederlands kolonialisme en de Indonesische vrijheidsstrijd. Totdat uiteindelijk haar roman Heren van de thee in 1992 verschijnt.

August Hans den Boef:

De […] roman lijkt eerder een hommage ‘aan alles wat ooit in of voor Indië door Nederlanders aan verdienstelijks werd verricht.’ Want als de jonge hoofdpersoon zijn opwachting maakt bij familie in Indië, ontmoet hij daar geen op geld beluste koloniale racisten, maar planters die de islamitische gewoonten van hun employés overnemen, moskeeën en islamitische scholen stichten, met een Chinese vrouw zijn gehuwd, gamelan spelen, Oud-Soendanese manuscripten lezen, mordicus tegen de Atjeh-oorlog zijn, als ideaal een beschermd wildreservaat koesteren, de republikeinse beginselen aanhangen, niet naar de kerk gaan en nog veel meer ethisch en verheffends aan de dag leggen. En dat allemaal in de negentiende eeuw!

Je zou bijna denken dat Haasse opeens komt met kritiek op de kolonialen. Alleen haar voorbeeld is wat slecht gekozen. Een oude “inheemse” vrouw onthult een vloek die de nazaten van de patriot Daendels achtervolgt.

August Hans den Boef:

de Grote Heer van de Postweg heeft immers zoveel ellende van het volk van Java op zijn geweten. Tot je je realiseert dat Daendels tijdens de Franse bezetting heeft laten aanleggen. Uit alle schurken die zich in Indië hebben verrijkt en die de bevolking hebben gekneveld kiest Haasse uitgerekend een collabo!

Aan het eind van zijn artikel doet August Hans den Boef een voorstel om Oeroeg te lezen als een koloniale overgangsnovelle. Dat klinkt anders dan waarmee Elsbeth Etty haar pleidooi voor Oeroeg begint. Misschien is het ook wat veel gevraagd van het argeloze leespubliek én van de boekbesprekers, onder wie niemand een wanklank heeft laten horen (Lizzy van Leeuwen telde 70 besprekingen na de gratis verspreiding van de novelle door de CPNB, waaronder geen enkele kritisch geluid, en is toen maar opgehouden met tellen.)

Om Oeroeg werkelijk goed te kunnen lezen, moet je uitstekend op de hoogte zijn van de koloniale letteren enerzijds en Nederlands koloniale verleden anderzijds. Daarvoor is nodig kennis van de Nederlandse koloniale geschiedenis. En juist dan erger je je groen en geel aan dat drakerige proza dat onlangs wederom als onkruid door de CPNB werd verspreid. Indonesiërs zien er alleen maar de verheerlijking in van Nederlands kolonialisme. De Indonesische vertaling en Haasses tournee waren dan ook niet bedoeld voor de Indonesiërs, maar voor de Nederlandse expats, die het net zo goed in het Nederlands hadden kunnen lezen. En die nauwelijks beseffen dat hun stijl van leven daar nog altijd zo koloniaal is als die van Haasse, Kousbroek en consorten.

Postkoloniaal naschrift

de-republikein-december-2009 Op het moment van dit schrijven vindt er een Oeroeg-hype plaats in de Modderpoel van West-Europa. De filmversie van het boek wordt op de televisie uitgezonden. Er vinden talloze lezingenavonden plaats met medewerking van wetenschappers die onnadenkend de literaire canon dichtmetselen tegen aanvallen van buitenaf. Als klap op de vuurpijl doedelzakt er een speciale voorleestrein op het traject Amsterdam – Den Haag vol BN’ers die geen idee hebben van de koloniale onnozelheid waarvan Oeroeg doortrokken is. Het hele circus schijnt bedoeld om een discussie aan te wakkeren. Maar obligaat gezemel houdt geen miljoen door de CPNB verspreide exemplaren van het beroerdste boek rond de vrijheidsstrijd van Indonesië tegen. Welk thema moet de discussie eigenlijk dienen? De tragiek in tijden van oorlog of het ‘tragische’ einde van Neerlands koloniale heerschappij?

De ‘tragiek’ volgens Hella Haasse in Oeroeg werd al in juni 1948 door Tjalie Robinson als volstrekt onwaarachtig afgedaan. Dat diens nog altijd actuele, scherpe kritiek de CPNB na zestig jaar nóg niet heeft gehaald is pijnlijk. En verwarrend, vooral voor Indo’s, die zich nauwelijks in dat boek herkennen. Nou is verwarring wel zo ongeveer synoniem aan Neerlands oorlogsjaren. Duurde die oorlog nou van 1940 tot 1945, tot 1949 of tot 1963, toen de VN Nieuw-Guinea aan Indonesië overdroeg?

Ik leerde ooit een ernstige snoet trekken bij deprimerend klokgelui op elke 4e meiavond. Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei: de Duitse capitulatie in Nederland. Mijn Indo-vader vierde de 15e augustus: de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Ik ben nooit bij die herdenking rond het Indisch Monument in Den Haag geweest. Ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorstin en Vaderland. En zij houden niet van mij: een ‘linkse Indo’ in hun ogen.

Er is nog altijd gedoe over de onafhankelijkheidsdatum van Indonesië. De Indonesiërs houden het op 17 augustus 1945, toen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië uitriepen. Zestig jaar na dato accepteerde onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ alsnog de datum van 17 augustus 1945 als de dag van de onafhankelijkheid. Politieke onzin natuurlijk, want het gaat om een onafhankelijkheidsverklaring. Tussen die verklaring en de feitelijke soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949, ligt een poel van bloed, zweet en tranen.

Dat in geschiedenisboeken nog altijd eufemistisch over de Politionele Acties wordt gesproken is een ontkenning van de vieze oorlog die Nederland overzee voerde. Voor Indo’s was het een lange oorlog. Zij maken sindsdien een spagaat tussen beide landen en worden daar onderhand stram en stijf van. Elke oorlog eindigt op papier. En wordt uiteindelijk fictie. Oeroeg is pulpfictie. Dat de kritiek van Tjalie Robinson nooit gehoord werd is veel tragischer dan dat verhaal zelf.

© 2009 Alfred Birney – gastcolumn voor De Republikein winternr 2009/10 retroblogged 31 juli 2011

Nederland leest nog steeds niet

Afgelopen zomer verscheen volkomen onverwacht een goedkope herdruk van mijn beruchte bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998). Het kostte me enig gepieker over de beweegredenen van de uitgever. Ik bedacht dat de heruitgave wel te maken zou hebben met de komende gratis verspreiding van de novelle Oeroeg (1948) van Hella S. Haasse. Indië zal dan immers weer even en vogue zijn en elke moderne uitgever speelt daar natuurlijk alvast op in.

Ik had Oeroeg aanvankelijk buiten de opzet van mijn bloemlezing gehouden. Dat het er tóch in kwam, gebeurde op hevig aandringen van een redacteur wiens referentiekader weinig breder was dan de leeslijst die hem op de middelbare school onder de neus was geschoven. De bloemlezing wierp zoveel stof op dat ik me genoodzaakt zag een verweerschrift op te stellen in mijn postmodern Indisch jaarboek Yournael van Cyberney (2001). Naar aanleiding van een minder vleiende terzijde van me over Oeroeg werd ik door Hella Haasse en haar paladijn Rudy Kousbroek ter verantwoording geroepen op een podium in het toenmalig Indisch Huis aan de Javastraat te Den Haag. Dat was in 2002, ruim een halve eeuw na de verschijning van Oeroeg.

debat birney kousbroek haasse

Tijdens dat debat, of kruisverhoor, wierp de schrijfster mij voor de voeten dat ik haar een “trut” had genoemd in Yournael van Cyberney. Onzin, hoe treiterig ook Kousbroek, altijd in voor een rel, met zijn vinger op de gewraakte passage (p. 10) wees. Ik had gesproken over “dat tuttig Eurocentrisch romannetje Oeroeg”. Maar, zo redeneerde Haasse, als ik haar boek zo noemde, dan noemde ik haar óók zo: een trut, wat volgens haar hetzelfde was als een tut. Dat de schrijfster, overigens dol op dictees, weinig gevoel voor nuances had, dat was Tjalie Robinson ooit al opgevallen in zijn stuk Nogmaals Oeroeg, gepubliceerd in Oriëntatie, Jakarta, juni 1948.

Nog even en Nederland Leest editie numero 4 gaat van start. De Stichting CPNB, flink onder de loep genomen in Yournael van Cyberney, heeft voor de gelegenheid dus maar weer eens Oeroeg uit de kast gehaald. Deze koloniale troonopvolger van Orpheus in de Desa (1900) van Augusta de Wit is werkelijk niet van de Hollandse dijken af te meppen. Het boek, dat aan zijn 47e druk toe is en allang op elke Hollandse zolder ligt te verstoffen, vormt waarlijk het onomstotelijke bewijs dat de CPNB tot de minst fijnzinnigste leesclub ter wereld kan worden gerekend. Toch vrees ik dat aanstonds gans het Bataafse Koninkrijk de gratis distributie van Haasses beroerde klassieker even hard zal toejuichen als een doelpunt van Oranje tijdens een WK of EK, al is het vanuit buitenspelpositie gescoord.

Oeroeg verhaalt over de vriendschap tussen de ik-figuur, een Hollandse zoon van een administrateur op een theeonderneming in het Nederlands-Indië van voor de Tweede Wereldoorlog, en een Indonesische jongen. De Hollandse zoon gaat in Delft studeren en het tweetal groeit uit elkaar. Eenmaal terug in Nederlands-Indië, waar het koloniale tijdperk ten einde loopt, blijkt hun verwijdering een onoverbrugbare kloof geworden. Indo’s spelen een bijrol, zoals in de meeste boeken van blanke auteurs.

Belangrijk om te weten is dat het manuscript van Oeroeg onder motto was ingestuurd voor het Boekenweekgeschenk. Nederland, amper bekomen van de Duitse bezetting, vocht als een idioot overzee voor behoud van de kolonie. Indië was hot, het verhaal kwam als een geschenk uit de hemel vallen. Hella Haasse heeft haar eersteling tot op hoge leeftijd verdedigd tegen aanvallen van vooral Indo’s die het maar een boek van niks vonden. De bekendste was Tjalie Robinson, volgens Wim Willems in de vooraankondiging van zijn biografie “de enige echte Indo-schrijver van Nederland”, een stempel dat je nooit meer van het internet af krijgt en impliciet voor de niet-kenner uiteraard een diskwalificatie vormt voor de talloze overige zogenoemde echte Indo-schrijvers.

Het boek heet intussen Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008). Een interessante vraag bij de biografie van een schrijver is altijd in hoeverre deze werkelijk invloed heeft gehad op de Nederlandse literatuur. Biograaf Wim Willems wijdt één bladzijde aan Tjalie Robinsons aanval op Hella Haasses Oeroeg en schrijft onder meer:

Het kwam erop neer dat de criticus (=Tjalie Robinson – AB) alles wat hij las door en door vals vond. Dat ging ook op voor het karakter van de jeugdvriendschap tussen Oeroeg en de Hollandse ikfiguur, met zijn kleinerende opmerkingen over inlanders, die Tjalie als pure laster ervoer. Hij had genoeg Indonesische kameraden gehad, schreef hij, en hoewel er in de vooroorlogse koloniale wereld nooit echte broederschappen ontstonden, ook niet met Indische jongens, zou er pertinent geen scheidsmuur hebben bestaan, zoals Haasse suggereerde. Dat een vroegere schoolkameraad zich in die tijd van de politionele acties ineens ontpopte als een gezworen vijand, vond hij al even ondenkbaar. (p. 222,223)

Deze tamelijk afstandelijke samenvatting van de literaire perkara tussen Tjalie Robinson en Hella Haasse is wat kort door de bocht. Je zou bijna denken dat Willems in dezelfde valkuilen trapt als Haasse en dat hij beter een biografie aan háár had kunnen wijden.

In Nogmaals Oeroeg (herdrukt in de Pasarkrant, november 1993) komt Tjalie met een genuanceerde opsomming van onjuistheden, onwaarachtigheden en onnozelheden uit het proza van Haasse. Tjalie stelt dat het onderwerp in Oeroeg door zijn (politieke) actualiteit alle interesse van de pers heeft en dat daardoor de kritiek vrij gunstig is geweest. Hetzelfde zie je overigens een halve eeuw later terug met de overdreven positieve waardering van de pers voor soms zeer middelmatige boeken van zogeheten “allochtone” auteurs. Je zou kunnen zeggen dat de pers “goed fout” is door op die manier iets te willen bedekken dat zó diep geworteld in de samenleving is dat het lijkt alsof Nederland nooit racistisch was. Maar Tjalie dook diep in Oeroeg en wees op de talloze psychologische fouten en tekortkomingen in vooral het latere leven van Oeroeg en zijn vriend:

‘We hebben je op Pasar Baroe gezien met je djongos’ en ‘Ben je weer met je Inlander uit geweest’. Zulke dingen wèrden niet gedacht en wèrden niet gezegd. Dit is ergerlijke, hatelijke en onverdiende laster. Wij hadden allemaal onze Indonesische vriendjes, ook in soortgelijke dienstverhoudingen. Maar als kameraad waren ze kameraad, afgelopen. De smeerlap, die zoiets gezegd zou hebben, zelfs voor de grap, zou of van de aangesprokene, of van diens Indonesische vriend een pak ransel hebben opgelopen. Ja, we vochten gemakkelijk en veel in die tijd. Zeer zeker was er geen sprake van broederschap, daar waren we (aan beide zijden) te nuchter en te eerlijk voor. Maar er was pertinent ook geen scheidsmuur, waar Hella ons aan wil doen geloven.’

Misschien zou Tjalie beter zijn begrepen als hij had geschreven dat de schrijfster een politieke scheidsmuur verwarde met een koloniale, die veel ingewikkelder lag. En die een veel grotere tragiek kende. Díe tragiek kende Tjalie Robinson als geen ander en Hella Haasse kende die domweg niet. Dat proef je uit de verdere woorden van Tjalies polemische stuk Nogmaals Oeroeg:

Ik ben in de bersiaptijd ook vrienden van vroeger tegen het lijf gelopen […]. En op het moment dat je mekaar herkent, dan heb je spijt van je ‘vijands-uniform’ en hij van z’n rood-witte badge. Je zegt ‘Hallo John!’ en ‘Hallo Tjalie!’ en je geeft mekaar verlegen een hand. Dat is duizendmaal gebeurd hier. Zij in hun groep en ik in mijn groep zouden elkaar niet herkend hebben en verbitterd met elkaar zijn slaags geraakt, ja. Maar in de besloten confrontatie is dat pertinent niet mogelijk. Als er ooit vriendschap geweest is, verstaan? Zelfs toen ik mijn oog minachtend monsterend liet gaan over de neergehurkte krijgsgevangenen en alleen snipers zag, toen nog ontdekte mijn oude oog in een halfnaakte met gebogen hoofd zittende peloppor de schoolkameraad van mijn broertje, Wadjah. We hebben elkaar gesproken ‘net als toen’ en dat was ‘rot, rot en nog eens rot’.

Tjalie maakte dus onderscheid tussen kameraadschap en broederschap en tussen soorten van scheidsmuren. Dat onderscheid vond hij niet terug in Oeroeg. En ik ook niet. In Oeroeg hangt vriendschap kortom af van politieke omstandigheden zoals men die in het Westen kent. Tjalie schrijft:

Als je dan aan het slot van deze levensbeschrijving van twee jeugdvrienden leest: ‘(Zijn) diepte peilde ik nooit. Is het te laat?’, dan pas realiseer je je het gevaar van dit boek: als zelfs een Hollandse jongen, zo innig samen opgegroeid met een Indonesische jongen, niets dan onpeilbare diepte peilt en wanhopig uitroept: ‘Is het te laat?’, hoe dan alle andere Hollanders en Indonesiërs? Ja, als het werkelijk zo is, schei dan maar uit met peilen.

Nou Tjalie, ze zijn nog altijd bezig met peilen. En zij die uitgepeild zijn, hebben dat niet gedaan omdat ze het hebben begrepen, maar omdat er inmiddels andere “doelgroepen” rondlopen die zo nodig gepeild moeten worden. We leven hier in het laagland ver beneden de zeespiegel. Het peilen zit ze in het bloed, de Batavieren. Of de CPNB ooit jou nog aan de beurt laat komen, zou ik niet weten. De CPNB is simpelweg niet te peilen, Tjalie.

* * *

Ik kreeg veel e-mails van mensen die op een of andere manier niet de hand weten te leggen op het herfstnummer van Archipel Magazine. Opvallend veel mails waren afkomstig uit het buitenland. Daarom heb ik besloten het artikel online te zetten, op gevaar af van zure blikken van Archipel Magazines hoofdredacteur. Enfin, doe er uw voordeel mee. For the sake of the Indo, zal ik maar zeggen.

Bronnen: Alfred Birney: Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998, herdruk 2009); Alfred Birney: Yournael van Cyberney (2001); Siem Boons weblog Fotografie & Schrijverij (met de volledige tekst van Tjalies nogmaals oeroeg en de volledige achtergrondgeschiedenis van Kousbroek & Haasse versus Tjalie Robinson zaliger); Hella S. Haasse: Oeroeg (1948); Tjalie Robinson: Nogmaals Oeroeg. Oriëntatie, Jakarta, juni 1948; herdrukt in de Pasarkrant, november 1993; Wim Willems: Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008); Augusta de Wit: Orpheus in de desa (1900).


© 2009 Alfred Birney
Archipel Magazine, herfst 2009

Kill Oeroeg!

Gut, de Oude Media beginnen wakker te worden. Of ze vallen nog net niet in slaap. Hoogstwaarschijnlijk is het laatste het geval. De Volkskrant van vandaag, donderdag 5 november 2009, kopt op pagina 33 in de rubriek Media & Mensen onder de kolom Weekbladen:


Tuttige romannetjes en gestileerde bullshit

In de rubriek worden de grote weekbladen in vogelvlucht bekeken: Vrij Nederland, Elsevier, HP/De Tijd en De Groene Amsterdammer. Quote: ‘Prikkelender is het stuk over Oeroeg, het boek van Hella Haasse, dat de CPNB deze weken cadeau doet in de campagne Nederland Leest. De Groene vat de ‘aanhoudende controverse’ samen die sinds het verschijnen in 1948 bestaat: het werkje is volgens critici uit Indische kring ‘een tuttig eurocentrisch romannetje’.

Deze diskwalificatie is afkomstig uit mijn Yournael van Cyberney, die in 2000 als e-zine het web bestormde en in 2001 in boekvorm werd uitgegeven. Ik blogde al eerder dat Hella Haasse en Rudy Kousbroek een speciaal debat wensten over deze gewraakte passage. En dat ze die kregen. En dat Hella Haasse mij voor de voeten wierp dat ik haar ‘een trut’ had genoemd. Over lezen gesproken.

Nederland Leest Niet. Zo luidt mijn pamflet tegen die stompzinnige CPNB. Het staat afgedrukt in het herfstnummer van Archipel Magazine. Lizzy van Leeuwen is ermee aan de gang gegaan en is verantwoordelijk voor het anti-Oeroeg-stuk in De Groene Amsterdammer. Mijn diskwalificatie begint onderhand een runnin’ gag te worden. Kijk maar op de cover van De Groene Amsterdammer van deze week (6 november 2009):


Oeroeg
Indo’s en totoks over Haasses ‘tuttig eurocentrisch romannetje’

Lizzy van Leeuwen, Our Lady in Amsterdam (vrij naar Graham Greene), is geweldig op dreef in haar stuk Indo’s versus totoks; Er bestaan geen Oeroegs. Haar stuk over de al zestigjarige durende discussie over het ‘foute’ (Tjalie Robinsons diskwalificatie) Oeroeg is een must read voor iedereen die werkelijk wil weten hoe de vork in de steel zit rond de idiote canonisering van de Nederlandstalige letteren en het koloniale gejammer van mensen als Rudy Kousbroek en Hella Haasse. Als de runnin’ gag ‘eurocentrisch romannetje’ echt blijft rondzingen, dan zal de actie van de CPNB, die nooit luisterde naar de stemmen uit Indo-kringen, uiteindelijk de dood betekenen van Oeroeg. Ja, een langzame, zoals van die andere abjecte novelle Orpheus in de desa van Augusta de Wit, een boek dat ruim tachtig jaar op de leeslijsten van de middelbare scholen mocht prijken, waarmee de Indo vanzelfsprekenderwijs als een subversieve figuur met leesgif bij de onbevooroordeelde jonge lezers werd geïnjecteerd.

Oeroeg zet op geen enkele manier aan tot werkelijk nadenken, getuige de meer dan tachtig onnozele en lovende recensies in het huidige tijdsgewricht, eenvoudig omdat de hoofdfiguur niet nadenkt, en zijn schepper Hella Haasse dat na meer dan zestig jaar ook nog altijd niet heeft geleerd. Als veelgelezen schrijvers al niet nadenken, hoe kunnen hun toegewijde lezers dat dan ooit leren? Hier bewijst de kritiek, de goed doorwrochte stukken, haar waarde. Lezen dus, De Groene Amsterdammer van deze week.

De CPNB zal ongetwijfeld verklaren dat ze een discussie heeft willen uitlokken. Vergeet het. Ze wilden gewoon weer eens de aandacht op zichzelf vestigen en hebben daarbij zeer onnadenkend en onwetend in de koloniale leestrommel getast. Zoals te doen gebruikelijk bij die schimmige club van boekhandelaren en overige maffiosi.

Oeroeg hysterie

Schrijven heeft geen zin. Althans niet wanneer je de intentie hebt de literaire canon te kritiseren. In navolging van Tjalie Robinson publiceerde ik een polemisch stuk in Archipel Magazine tegen een van de slechtste romans uit de koloniale literatuur, maar er is niemand die erop reageert, of er ook maar met sterke argumenten op kan reageren. Nou kun je zeggen dat ik mijn artikel dan maar naar een van de landelijke kranten had moeten sturen, maar nee, daar zitten mensen die er helemaal niets van begrijpen. Ook de NRC heeft het doodleuk over Oeroeg als actuele leidraad. Nou, hou dan maar op, want de hele NRC-kudde, die zichzelf tot het denkende deel van de Nederlandse bevolking rekent, rent suf en slaafs achter die krant aan.

De afgelopen weken ben ik van verschillende kanten gevraagd of ik vandaag ook gezellig van 19.30 uur tot 22.30 uur aanwezig zal zijn in de Centrale Openbare Bibliotheek van Amsterdam, waar men naar aanleiding van Nederland Leest het een of andere stompzinnige debat organiseert met de verkeerde mensen. Ik ben gevraagd door mensen die nota bene mijn artikel tegen de CPNB-Oeroeg-Maffia hadden gelezen. En daarom zeg ik: schrijven heeft geen zin. Schrijven is verworden tot geldjagerij van lui die louter willen amuseren. Ik zeg niet dat zoiets verkeerd is. Maar de werkelijk goede boeken en schrijvers vormen aldoor meer een subcultuurtje, waarin men artikelen voor elkaar schrijft, boeken ruilt en zich moed inpraat dat het allemaal wel goed zal komen.

Maar het zal niet meer goed komen. Als Tjalie Robinson dat romannetje van niks al niet van de boekenlijsten af wist te meppen, dan kan ik het ook niet. Wie mijn artikel Nederland Leest Niet niet gelezen heeft, die gaat terug naar de bron op de website van Siem Boon.

Max Havelaar volgens Google

google multatuli Google verrast de bezoekers van haar zoekmachine regelmatig met een tijdelijk logo. Allerlei ontwerpers krijgen de opdracht voor het een of andere item en ditmaal was Max Havelaar aan de beurt. Waarom, dat is mij niet helemaal duidelijk. Het boek verscheen in mei 1860, de schrijver werd geboren in maart 1820, dus de enige reden die ik zie is dat aankomende domme feest van de CPNB genaamd Nederland Leest. Max Havelaar als contrapunt op Oeroeg, ik gok maar even wat. Maar daar gaat het mij nu even niet om. Ik heb het tijdelijke logo van Google gejat en op mijn server gezet (Google jat teksten van mij, dus ik voel me in het geheel niet in overtreding) en ik heb gezien dat het logo het nummer 9 droeg. Er zullen dus vast meer logo’s zijn ontworpen, maar dit is uiteindelijk gekozen door de een of andere redactie, ik neem aan een Hollands gezelschap in dienst van de zoek- en jatgigant. Nou… werp eens een blik op dat logo. Ziet u Indonesië? Ja, goed, palmboompjes, sawahs… maar dan: die huisjes. Komen die niet uit Afrika of zo? De sfeer komt in elk geval op mij over als Afrikaans. Tja, en nu ik erover nadenk, zou ik liever hebben gehad dat Multatuli een Belg was geweest die over de Congo was gaan schrijven (ja, dit is een anachronisme!). En als Hella Haasse nou naar Suriname was vertrokken, dan hadden de Surinamers dat gedoe gehad met perspectieven van Hollanders en Surinamers, en niet wij: Indo’s, die langzamerhand in de Hollandse tafelkleedjes worden geborduurd. Google doet alvast een onhandige poging. Zo zie je maar: ook de beste zoekmachine is dom. En natuurlijk zijn er ook juichende Batavieren (link = dood) met weinig kennis van zaken. Maar ja, dát krijg je er nooit uit met dat literatuurgeschiedenisonderwijs van ons, dat al zo lang aan een update toe is.

Archipel Magazine herfst 2009

archipel magazine peter van dongen Het herfstnummer van Archipel Magazine is alleen al een feest vanwege het omslag. Dat werd ditmaal verzorgd door de internationaal vermaarde striptekenaar Peter van Dongen. Beleid van het kwartaaltijdschrift is, dat er altijd een “mens” op het omslag moet staan. Persoonlijk vind ik dat een beetje onzin, want sommige omslagen zijn gewoonweg saai en dus niet uitnodigend. Van Dongen heeft zijn tekening gebaseerd op een schilderij van Raden Saleh. Het kunstwerk dateert van circa 1840 en maakt onderdeel uit van de Collectie Rijksmuseum Amsterdam. Het zal ongetwijfeld te bewonderen zijn tijdens de tentoonstelling Beyond the Dutch, die wordt gehouden in het Centraal Museum Utrecht en duurt van 16 oktober 2009 tot en met 10 januari 2010. Archipel Magazine besteedt ruim aandacht aan deze belangrijke tentoonstelling.

Er staat natuurlijk meer interessants in Archipel Magazine. Lizzy van Leeuwen trekt van leer tegen de criticasters van haar boek Ons Indisch erfgoed en ikzelf richt mijn pijlen op die suffe CPNB, die zo nodig een miljoen exemplaren van Oeroeg moet verspreiden tijdens Nederland Leest Editie 4. Nou ga ik al sinds het jaar 2000 te keer tegen het CPNB en ik moet toegeven: veel helpt het niet. Maar… de dingen moeten gezegd.

Naast beide hoofdartikelen zijn er reisverslagen, culinaire en culturele bijdragen en columns van Frans Lopulalan, Kirsten Vos en Hans Vervoort, die wel een beetje in herhaling valt met zijn feestcolumn naar aanleiding van Rudy Kousbroeks tachtigste verjaardag: “Hij denkt niet alleen met het hoofd, maar ook met het hart.” Nog even en het staat op wc-tegels geschreven. Het is trouwens onzin, want een hart denkt niet, nee een hart voelt. Als metafoor kan het er dan ook net mee door, maar dan ook nét.

De amusantste column komt van Emma Kwee in haar stuk Facebook Fatwa. Ze verhaalt hilarisch over het uitvaardigen van “halve fatwa’s” in Indonesië. Wat dat zijn? Lees Archipel Magazine maar.

Zeg, is een centerfold niks voor Archipel Magazine? Advertenties en een kruiswoordpuzzel op een plaats waar de uiteinden van de nietjes zich sluiten, doen je toch bijna verlangen naar een Playboy om maar even iets ordinairs te noemen. Zo’n centerfold hoeft natuurlijk niet bloot, maar als je écht nieuwe abonnees wilt trekken, tja, bezoek een Asian Party en je komt met touringcar vol modellen terug. Zijn ze gek op, de Batavieren.

Ja, ik denk een beetje mee met Archipel Magazine (smile).

Oude kameraden

gekko De Indische schrijversavond van afgelopen woensdagavond in het Mondiaal Centrum Haarlem was goed, gevarieerd en onderhoudend. Mijn chaperonne, een van een beroemde Franse regisseur geleende kosmopoliet die al overal op de wereld heeft gewoond, was prettig gezelschap: ze was er wel en ze was er niet. Mijn leesbril, visitekaartje, tekstrol en meer van dat spul dat je als schrijver mee moet nemen als het podium wacht, konden gemakkelijk in haar tas, zodat ik niet met van die uitpuilende zakken hoefde te lopen.

Ik had Frans Lopulalan gevraagd om ook te komen. Zijn uiterlijk verbaasde me toen we hem op het station van Haarlem troffen. Die hoed droeg hij jaren terug al, maar ditmaal zat er haar onder. Echt haar! Dus niet meer die geschoren kop a la James Moody maar nu reversed. Als je de koppen van Frans Lopulalan en James Moody niet kent, laat dan maar zitten, zo belangrijk is dit nou ook weer niet.

Ik had de uitgever al ge-sms’t (wat een spelling hè tegenwoordig, het is werkelijk niet te geloven – welke idioot in, zeg, China, zou het nog in zijn hoofd halen om zoiets als Nederlands te gaan studeren?) dat we er aankwamen (dus niet eraan kwamen), maar de man nam niet op en de telefoon op de uitgeverij bleek later onder een paar omgevallen dozen met boeken terecht te zijn gekomen, zodat Frans, mijn chaperonne en ik maar besloten te gaan lopen. Hierop waren wij voorbereid. Ik had een routekaart van Google Maps met uitgebreide routebeschrijving uitgeprint, terwijl Frans dezelfde beschrijving met ganzenveer had overgepend op een stuk perkament, dat een verre voorouder ten tijde van de VOC nog van een Belanda had gesnaaid voor hij die de kop afhakte om er soep van te trekken.

Zoals ik al zei heeft mijn chaperonne al overal op de wereld gewoond. Soms is dat lastig wanneer je naast haar over straat loopt. Want ze kijkt links en rechts naar allerlei mooie grachtenhuisjes waar ze eventueel wel een week of vijf zou willen vertoeven. Dus Frans en ik begonnen ook om ons heen kijken in dat Haarlemse gat van bijkans niks en niemendal. En zo misten we de afslag naar een steeg; mijn chaperonne wenst namelijk niet in een steeg te wonen. Om een lang verhaal kort te maken: na een dwaaltocht van een half uur wierpen we onze A4-tjes en perkamentrollen maar in een gracht en vroegen aan een paar autochtonen (Batavieren in H&M-kleding) de weg naar de Lange Herenvest. Daar aangekomen bleek onze uitgever net de auto te hebben gepakt om Peter van Dongen, die overigens heel mooi auto’s kan tekenen, van het station Haarlem af te halen. Lucky Peter van Dongen.

In het Mondiaal Centrum troffen we verder Glenn Pennock. Die waren we al zo’n jaar of twintig kwijt, dus dat werd elkaar omhelzen. Niet huilen, want wij zijn Indo’s en huilen doe je alleen bij een repatriëring. Glenn bleek tien jaar in Amerika te hebben gezeten, in Los Angeles natuurlijk, maar als gitarist… Nou dacht ik dat hij een pencak silat meester was die elk jaar op Madura in een kuil met giftige schorpioenen ging zitten mediteren, maar dat was in een vorig leven. In een leven dáár weer voor had hij het conservatorium doorlopen, dus hij was geen jochie die op zijn veertigste dacht: kom, ik ga nog maar eens wat gitaar proberen te spelen. En dat hebben we geweten. Hij speelde prachtig, helaas op een Taylor, met te veel gerinkel, hoogstwaarschijnlijk op Elixir snaren, maar een kniesoor die daar nog op let zodra Pennock zijn kunsten, en performance, vertoont.

Ik moest de avond openen met een kort interview over mijn jongste boek Rivier de Lossie. Het babbelen ging nog wel, maar toen ik een stuk moest voorlezen werd het toch hannesen met mijn leesbril en een microfoon zonder standaard. Ik had me ook helemaal niet voorbereid op voorlezen en bovendien heb ik er een bloedhekel aan. Ik lees mijn teksten alleen hardop tijdens het schrijfproces, om te horen of de muziek door de zinnen klinkt, maar ik vind dat het daar dan ook bij moet blijven.

Toen ik van het podium af was, werd nog een stukje film vertoond van Ernst Jansz, die op mijn boekpresentatie in Den Haag de runnin’ gag The Ferryman’s Daughter van Donovan zong, terwijl hij zichzelf begeleidde op de gitaar. De song haalde het einde niet, want de batterijen van de camera hadden het begeven. Er moet namelijk altijd wel iets misgaan. Maar goed, het was een leuke impressie en het was leuk om Ernst Jansz even te zien zingen, aangezien hij nu, als bandleider, was verhinderd in verband met de voorbereidingen van een tournee van Boudewijn de Groot.

Nu weet ik niet meer wie er na mij kwam: Glenn Pennock of Peter van Dongen, wiens strips allengs de wereld overgaan (het volgende land is Spanje, Indonesië is al geweest om maar wat te noemen). Van Dongen werkt gemiddeld zes jaar aan een stripverhaal en omdat mijn boeken vele versies kennen, zou de interviewer zich later afvragen of dat nou “typisch Indisch” is. Het antwoord luidt uiteraard nee, want er zijn ook Indo’s die hun boeken afraffelen tijdens tournees en snoepreisjes naar congressen, conferenties en dergelijke.

Ik sloot het eerste deel van de avond af met het voorlezen van een polemisch stuk over het naderende CPNB-feestje “Nederland Leest”. Maar ik was niet in vorm en hakkelde te veel naar mijn smaak. Ik had nota bene als voorbereiding het stuk de avond ervoor door mijn zoon aan mij laten voorlezen, zodat ik het terug kon horen. De manier van de muzikant, ja. Mijn zoon las het een stuk beter voor dan ik. Gelukkig staat het binnenkort afgedrukt in Archipel Magazine, compleet met enkele taalslordigheden, die Frans er voor het optreden had uitgehaald, terwijl hij een sjekkie rookte buiten, op een steenworp van het Spaarne.

Het Spaarne stroomt, het Spaarne stroomt voorbij… (mooi lied van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh):

Na een indrukwekkend muzikaal intermezzo van Glenn Pennock – hij speelde vrolijk door in de pauze – werd een oude film (1988) vertoond van twee schrijvers met elkaar in gesprek: Frans Lopulalan en Ernst Jansz. Die film vormde de aanzet van een afsluitend podiumgesprek, waarvoor ook Frans Lopulalan het podium beklom. Yvon Muskita zat ook in de zaal, maar die wilde zich niet laten verleiden de troep te komen vergezellen.

Na afloop heb ik nog wat boeken gesigneerd. Het mooist was dat een Hollandse man aan kwam zetten met Lalu Ada Burung (2002), de Indonesische vertaling van Vogels rond een vrouw (1991). Hij had het boek in Solo op Java gekocht en zag zijn kans nu schoon er een krabbel in te krijgen.

Voordat we elk ons weegs gingen, vertelde Glenn me nog dat hij me destijds vanuit Amerika een zelfgemaakte kaart had gestuurd, compleet met een routebeschrijving naar waar hij zich bevond, voor mocht ik eens in de buurt zijn. Een kennis van hem had namelijk de aankondiging van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) op het NOS Journaal gezien. De nieuwslezer had gesproken van “teksten vanaf Jan Huygen van Linschoten tot aan Glenn Pennock”.

Ja, ik vond het leuk om het boek te laten beginnen met een vis die in zijn eentje een VOC-schip tegenhoudt en het te laten eindigen met een stuk proza in een soort vissentaal met een eigen idioom. Geen hond die het ziet natuurlijk, maar dat is de lol van mijn schrijven: geheimpjes verstoppen.

Nooit geweten dat dat boek in het NOS Journaal aangekondigd is geweest. Zoiets gebeurt niet vaak. Mijn chaperonne herinnerde zich de uitzending ook nog. En vast die anderen ook, die me nog jarenlang hebben achtervolgd met het verwijt dat ik geen teksten van hun in het boek had opgenomen. Nu begrijp ik de frustratie van die schrijvers eindelijk. Ze hebben het NOS Journaal gemist!

Gut.

Wat erger is… Uitgeverij Contact heeft nooit die mooie kaart en uitnodiging van Glenn Pennock aan mij doorgestuurd…

Enfin, aan het werk nu. De deadline voor mijn volgende novelle ligt op 1 november.

Programmawijziging Indische schrijversavond

gekko Tot zijn, en onze, spijt heeft Ernst zojuist moeten afzeggen voor aanstaande woensdag vanwege een techniekrepetitie in Lochum. Hij had het heel leuk gevonden erbij te zij, al was het maar vanwege de viering van zijn nieuwe editie van De Overkant + cd + dvd. Misschien wordt zijn plaats vervangen door een ander, hoe dan ook: volgens de organisatoren wordt het toch een geweldige avond met zoveel kwaliteit in huis!

Mijn collega’s en ik melden ons om 18.00 uur in het Mondiaal Centrum Haarlem om gezamenlijk Chinees te eten. Chinees eten op een “Indische” avond is wel lollig, in Indonesië eten ze ook vaak Chinees voor of na literaire avonden. Mijn vader, ooit, at alleen maar Chinees buiten de deur in Surabaya, Indisch eten dat deed je immers thuis.

Na het eten spreken we het programma vooraf door en worden er soundchecks gedaan. Het is de bedoeling dat we tijdens ons optreden rond de tafel zitten en dat tijdens het gesprek elke auteur “iets doet”. Mocht Archipel Magazine verschenen zijn, dan lees ik mijn polemisch stuk voor als tegenstem voor het op handen zijnde idiote CPNB-feestje “Nederland leest”.

Natuurlijk komt mijn novelle Rivier de Lossie ook aan bod, wellicht in een interviewvorm met Peter de Rijk. Verder worden er fragmenten vertoond uit de televisieontmoeting tussen Ernst Jansz en Frans Lopulalan anno 1986.

Van Peter van Dongen is beeldmateriaal zien uit zijn strips en hij wordt geïnterviewd de ontstaansgeschiedenis van zijn werk, dat ook in Indonesië bekend is, net als mijn romans Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis.

Glenn Pennock, terug van lang weggeweest, werkt aan nieuwe roman en vertelt erover en leest enkele fragmenten voor. Als entre act speelt hij een of twee nummers op de gitaar. Er staan een paar nummers van Glenn Pennock online, waaronder een nummer samen met de jonge Indo-mondharmonikaspeelster Iris Frikke. In principe wordt de hele avond opgenomen, in elk geval in geluid. In beeld, dat weet ik niet.

Nederland leest niet

Zo luidt de titel van een polemisch stuk dat nu wel zo ongeveer per elektronische post naar de redactie van Archipel Magazine kan. Vijf dagen werken aan een stuk van 1.500 woorden geeft mij het groene licht. Ja, het kan ook in een dag, een middag, desnoods in een uur, maar ik moet geen onzin gaan verkopen als ik de CPNB maar weer eens ga aanvallen (ik deed het eerder in Yournael van Cyberney en in diverse krantencolumns). Echt helpen doet het niet, ze leren toch nooit verder kijken dan hun neus lang is, maar voor de boekenlezer kan het geen kwaad eens te lezen wat er hier en daar op de achtergrond speelt in het boekenvak en in de canonisering van de Nederlandstalige literatuur. Zaten er bij de CPNB mensen die werkelijk ingevoerd waren in de materie van de koloniale literatuur, dan hadden ze het nooit in hun botte hoofd gehaald om ter gelegenheid van Nederland Leest editie 4 een fout boek als Oeroeg gratis te gaan verspreiden. Wie wil weten wat er dan zo fout aan is, die koopt straks het herfstnummer van Archipel Magazine en leze mijn stuk. Siem Boon, meer dan welingelicht, heeft overigens haar verhaal van Kousbroek & Haasse versus Tjalie Robinson inzake Oeroeg online staan.