Zaterdag 28 april a.s. zal in Museum Maluku, Kruisstraat 313, Utrecht, een Indo-Maluku Garden Party worden gehouden, met verhalen, voordrachten, interviews, muziek, live painting, pantun en workshops tifa/cajon! Uitgeverij Knipscheer heeft er een stand met boeken van onder meer Glenn Pennock, Frans Lopulalan en Alfred Birney, wiens nieuwste boek De Dubieuzen gepresenteerd zal worden.
De Indo-Maluku Garden Party is een initiatief van Magda Pattiiha, Kitty Luhulima en John Pattiiha.
Hun motivatie is, volgens hun Facebook pagina:
1. de behoefte om de taboes te doorbreken en de overeenkomsten te benadrukken
2. antwoord te geven op de vraag waarom Indo’s en Molukkers los van elkaar hun cultuur beleven
Het doel:
1. het samen brengen van Indo’s en Molukkers
2. de ontmoeting tussen Indo’s en Molukkers
3. bewustwording bewerkstelligen
4. kijken naar wat ons met elkaar verbindt
Kijk voor meer informatie over dit mooie initiatief op het affiche en het programma (PDF’s).
Op vrijdagavond, 4 november a.s. om 19:00 uur vindt de opening plaats van de foto-expositie van Fabio-Romano del Castelletto in de Maldoror Galerie, Den Haag. Er hangen vier hedendaagse fotowerken, in de traditie van de oude Chinese schilderkunst op papieren rollen (scrolls). Deze zijn vermengd met teksten van de de Turkse schrijver Murat Tuncel, de Chinese kalligrafist Wu Park en de Indische schrijver Alfred Birney.
De laatste, Alfred Birney, zal zijn teksten tijdens de opening live op twee van de ‘scrolls’ aanbrengen. Dit is livestream te volgen.
De tentoonstelling is na de opening te bezoeken op alle zaterdagen in november van half twee tot half zes ’s middags. Verder op afspraak en tijdens Hoogtij #27! (Persbericht)
Opzet van de installatie:
De Wagenstraat in Den Haag functioneert als het ware als een sluis, via welke verschillende culturen komen en gaan. Hollanders die uit andere buurten naar het centrum komen om te shoppen, Turken die op weg gaan naar de Grote Moskee, kunstenaars die er wonen en het unieke gedeelte van het oude centrum delen met de Chinezen van China Town. En… elkaar nu ontmoeten in de intieme galerie van Stichting Maldoror.
De bedoeling van Fabio-Romano del Castelletto is om de reacties van de bezoekers van de expositie vast te leggen, terwijl die kijken naar het werk van de schrijvers uit verschillende culturen en de fotografische observaties ondergaan van wat door de zee aan onze kust aanspoelt.
Murat Tuncel, die op een minimalistische manier, als op een schoolbord, een ritmische klank proza in zijn moederstaal (Turks) toevoegt aan het bijna kalligrafisch aangespoelde zeewier.
Wu Park, die zijn met indische inkt vloeiende, vluchtige poetische indrukken op foto’s van zware en concrete objecten achterlaat. Zijn observaties zijn, zoals de Chinese dichters en schilders die in het China van de 17de eeuw ze op papieren rollen uitwisselden: poëtisch en filosofisch tegelijk.
Alfred Birney reageert op dood materiaal en natuur, die symbolisch zijn voor het Indische verleden van zowel hem als Fabio-Romano del Castelletto.
Het geheel is een interactie van vier personen met verschillende cultuurhistorische achtergronden, tegen het licht van de natuur die op foto’s zijn vastgelegd.
EAST is de voortzetting van Archipel Magazine. De (postkoloniale) Indische cultuur heeft het loodje moeten leggen en daar ben ik niet bijzonder blij mee. Ik mocht immers elk kwartaal een postkoloniaal verhaal schrijven en ik was helemaal vrij in de keuze van mijn thema’s. Het enige Indische tijdschrift dat er nu nog toe doet is Moesson, ’s wereld grootste Indische magazine overigens, dat in 37 landen wordt gelezen. Onlangs mocht ik er een verhaal in publiceren en het kan zijn dat dat nog wel een paar keer gaat gebeuren.
Wat heeft EAST dat Archipel niet heeft? Om kort te gaan: het bestreken gebied is flink uitgebreid met China, Japan, Taiwan, Thailand, Cambodja, Birma, Laos, Vietnam en de Filippijnen. Indonesië blijft de kern, met Maleisië. Wat een uitstapje naar Hawaii, de 50e staat van de VS, in het herfstnummer doet, valt nu even buiten mijn begripsvermogen. Als ik het voor het zeggen had, dan volgde ik gewoon de oude scheepvaartroutes van de Hollanders en richtte ik me op alle landen die met het koloniale verleden van de Hollanders te maken hebben gehad. Dus ook Zuid-Afrika, en natuurlijk de Cariben. Dán maak je een statement. Dán geef je geschiedenisles, wat zo broodnodig in deze tijden van armoedig cultuurbesef, vreemdelingenhaat, racisme en wat al niet meer.
Maar ik blijf nog wel verbonden aan EAST, hoewel niet actief want mijn terrein is de (postkoloniale) literatuur, al vind ik nu en dan iemand een interview afnemen ook wel uitdagend, maar dan moet het wel om een bijzonder persoon gaan. Ik wacht gewoon op een opdracht, want ja, ik ben al sinds 2004 niet in Indonesië geweest en de Nederlands-Indische geschiedenis vind ik interessanter dan het huidige Indonesië, waar de hele wereld zo’n beetje aandacht aan besteedt, tot en met CNN en BBC World News.
Voor het herfstnummer van EAST heb ik het romandebuut Oog van de naald van Griselda Molemans besproken. Het stuk staat er mooi in, over twee volle bladzijden. Voor meer informatie over de inhoud van het blad, surf naar: EAST.
Was Rivier de Lossie misschien Donovan’s inspiratiebron geweest? Had de zanger, zoals ik, wel eens het gevoel in de verkeerde tijd te leven? Mij leek dat de zanger in elk geval niet, zoals ik, het gevoel had in het verkeerde land te leven. Misschien in een verkeerde tijd, maar dat was wat anders. Donovan behoorde een volk toe, een Angelsaksische cultuur. Ikzelf behoorde geen volk toe, wortelde niet in een duidelijke cultuur, en dat kwelde me. Als ik bedacht dat Schotland de doedelzak had, Indonesië de gamelan en China de guzheng, dan scheen Nederland me zo armzalig toe.
Ik moest aan deze passage denken uit mijn novelle Rivier de Lossie (pag 22/23), toen ik op deze opname van John Renbourn stuitte.
In de late lente, of vroege zomer, dit jaar, interviewde ik de crossover (fusion) danseres Aafke de Jong voor Archipel Magazine. Het stuk is nu in PDF te lezen op de website van deze avontuurlijke vrouw. Hieronder staat de tekst in retroblog (31 juli 2011).
Alfred Birney
Aafke de Jong, de kameleontische danser
Het universum van Aafke de Jong bestaat uit twee gebieden: Nederland en Bali. De rest is behang. Ze studeerde dans. Vijf jaar in Nederland en vijf jaar op Bali. Als choreograaf maakt ze al dan niet nadrukkelijk gebruik van het Balinese dansvocabulaire in een verbuiging naar het westers dansidioom. In moderne dans is Aafke de Jong op het podium zonder meer herkenbaar aan haar verschijning. Maar zodra ze Balinese dans in traditioneel kostuum uitvoert, zie je iemand anders. Wie is deze kameleon en wat drijft haar?
Ze is geboren in Delft (1971) uit Nederlandse ouders met een druppel Wit-Russisch bloed. Haar vader moest beroepshalve veel verhuizen en Aafke wist niet beter dan dat het leven een constante verandering van woonplaats was. Als jong meisje volgt ze klassieke danslessen. Wanneer ze afbeeldingen ziet van een sprookjesland dat Bali heet, raakt ze betoverd en ze belooft zichzelf om er ooit heen te gaan. Tijdens haar middelbare schooljaren danst ze niet, ze tekent veel en schrijft musicals, waarin zijzelf en haar zusje meespelen. Op een dag vindt ze in een reisgids de afbeeldingen terug die haar destijds zo hebben getroffen. Dansende figuren inspireren haar tot een studie moderne dans, jazz- en tapdans aan de Rotterdamse Dansacademie (thans Codarts). Na haar studie stapt ze naar de Indonesische ambassade in Den Haag om een leraar Balinese dans te zoeken. Het wordt al snel duidelijk dat ze daarvoor naar Bali moet. Ze meldt zich per brief aan bij de directeur van het conservatorium in Denpasar. Tijdens het wachten op een studiebeurs loopt ze met de strengheid van een asceet anderhalf uur per dag met een walkman op, woordjes en zinnen prevelend van een Linguaphone taalcursus. In de zomer van 1993 vertrekt Aafke de Jong naar Denpasar.
‘Ik kwam bij een gastgezin inwonen, in de straat Jalan Nusa Indah waar het conservatorium was gevestigd: een traditioneel gebouwd complex. Het was alsof ik een ansichtkaart binnenstapte en het zou nog lang duren eer ik een beetje realistischer over Bali kon gaan denken. Op het conservatorium (thans de ISI), werd gamelan, dans, wajang en beeldende kunst gedoceerd. Al gauw kreeg ik te maken met de Indonesische manier van lesgeven. Als het bijvoorbeeld regende, dan kwamen de docenten niet opdagen (lacht). Mijn Indonesische medestudenten hadden al een basis in de danskunst. Om de vier lessen kreeg je een testles. Ik werd dus meteen het diepe ingegooid. Ik ben toen gaan zoeken naar een externe leraar en kwam terecht bij Ibu Jero Made Puspawati, een meester danser die tot de dag van vandaag overal wordt gevraagd. Van deze vrouw heb ik dat hele jaar elke dag privé-les gehad. Dat was een grote eer! De lessen vonden plaats in het paleis. Haar leerlingen waren Balinese kinderen en voornamelijk Nederlanders en Japanners, mensen uit landen die er nota bene zo hebben huisgehouden.’
‘Moest je geen totale omslag maken met je westers klassieke en moderne dansvormen als bagage?’
‘De danshouding is compleet anders dan die je in het klassieke westerse ballet leert. Hier streef je ernaar jezelf vederlicht te maken, alsof je zó naar de hemel kunt vliegen. In de Balinese dans heb je je voeten plat op de grond en je tenen wijzen omhoog. Je staat aldoor met een gebogen knieën en je maakt een holle rug. Het is een stuk aardser. In het begin hield ik dat hooguit vijf minuten vol. Je draagt een kain als een soort van lange rok en die wordt op zijn plaats gehouden met een bulang, een strook stof van acht meter lang, die als een korset om je lijf wordt gebonden. In dat keurslijf kun je alleen maar hele kleine stapjes maken.. Tegelijk geeft het veel steun, je wordt eigenlijk al meteen in de goede houding gedrukt. Verder is de Balinese danshouding asymmetrisch. De nadruk in je expressie ligt in je handen en je ogen. Persoonlijk heb ik een buitengewone voorliefde voor handen.’
‘Ik kan me voorstellen dat veel van de danssymboliek de westerse toeschouwer ontgaat.’
‘Een zeer belangrijk kenmerk in de Balinese dans is de mimiek. Met de seledet, de oogbewegingen, moet je bepaalde gemoedstoestanden op het publiek overbrengen, afhankelijk van het karakter dat je uitbeeld, zoals een boze demon of een wenende prinses. Als je je ogen laat huilen, sta je bijvoorbeeld niet te springen, maar maak je naar de grond toe gerichte lichaamsbewegingen, die langzaam worden uitgevoerd. Dit gaat in harmonie met de muziek, die dan treurig klinkt. Andere bewegingen zijn weer geïnspireerd op de flora en fauna. Zo stellen trillende vingers de wind voor die door de palmbladeren waait. Armbewegingen kunnen de golven van de zee uitbeelden, maar voeten kunnen ook gerust, in Ibu Jero’s school, een beweging maken die het doodtrappen van een insect voorstelt. Een oog dicht en een oog open, gevolgd door een bepaalde beweging van je hoofd en het plotseling openen van het gesloten oog, staat weer voor een slapende tijger die plotseling uit zijn slaap wordt gewekt. Er bestaat geen eenduidigheid over achterliggende betekenissen, zoals in India. In tegenstelling tot dat land, is er op Bali weinig over opgeschreven. De verhalen uit de Mahabharata kennen ze natuurlijk wel van de wajang, maar ze geven er hun eigen draai aan. Het Hindoeïsme is met de vermenging van het Boeddhisme en animisme op Bali een geheel eigen leven gaan leiden. Toch merk je dat ze de laatste decennia steeds meer steun zoeken in India, nu ze min of meer weggedrukt worden door de moslimcultuur.’
Na een jaar studie in Denpasar gaat Aafke terug naar Nederland en volgt in Leiden de studierichting Indonesische talen en Culturen. Ze bezoekt elk jaar trouw Bali, met een langer verblijf tussendoor van een half jaar om er wetenschappelijk onderzoek te plegen voor een wetenschappelijke scriptie over het Balinese hofdansgenre Legong Keraton. Na deze afgesloten studie lonkt Bali weer, ditmaal voor vier jaar. Standplaats: Ubud. Aafke de Jong richt er DwiBhumi – Centre for Balinese Art and Culture – op met een sponsor in Nederland om de financiële eindjes aan elkaar te kunnen knopen. DwiBhumi werkt dan samen met Museum Puri Lukisan, dat is opgericht in 1956 door de Nederlandse schilder Rudolf Bonnet en de toenmalige koning van Ubud. Balinese kunstenaars geven les in dans, gamelan, houtsnijden, schilderen en wajang, terwijl Aafke er de toelichtingen in het Engels bij geeft. De doelgroep bestaat grotendeels uit middelbare scholieren en toeristen uit Singapore en Australië. Intussen gaan Aafkes eigen danslessen door bij verschillende leraren in Ubud.
Na de bomaanslag in de Balinese plaats Kuta in oktober 2002 lopen de bezoekersaantallen op Bali dramatisch terug. Aafke de Jong keert terug naar Nederland. Maar niet alleen. Ze neemt DwiBumi mee. Thans, acht jaar later, bestaat DwiBhumi nog altijd. In Arnhem. De naam betekent ‘twee werelden’ in het Sanskrit, een taal die in het Balinese theater veelvuldig gebruikt wordt. Het begrip dwi bhumi verwijst naar het Balinese sekala, de zichtbare, tastbare wereld, en niskala, de onzichtbare en ontastbare wereld. Met ‘twee werelden’ worden in Aafkes variant ook de Balinese en Nederlandse culturen bedoeld. In Museum Puri Lukisan in Ubud worden overigens in de geest van DwiBhumi nog altijd culturele workshops gegeven.
‘Naast danseres ben ik choreograaf. Daar richt ik me tegenwoordig erg op. Uiteraard ben ik erg van het Balinese doortrokken geraakt. Het lijkt onmogelijk om de twee werelden, de westerse en de Balinese, bijeen te krijgen, maar ik merk dat het eigenlijk automatisch gaat, dat in wat ik uitdenk en schep vanzelfsprekenderwijs allerlei thema’s uit de Balinese cultuur en uit mijn persoonlijke beleving samenkomen. Dat is voor de onvoorbereide toeschouwer niet altijd zichtbaar. Ik ben er wat huiverig voor om mijn choreografie fusion te noemen. Bang dat ik het etiket krijg opgeplakt van de choreograaf die altijd maar met vrije dansvormen doortrokken van Balinese symboliek komt. Fusion heeft, althans in de danskunst, vaak een negatieve connotatie. Daarom heb ik ook gekozen voor twee verschillende websites (aafkedejong.nl en balinesedans.nl). Ik heb immers met twee verschillende soorten publiek te maken. Bezoekers van mijn lezingen over Balinese dans zijn vaak minder geïnteresseerd in mijn vrije choreografie, en andersom.’
‘Voel je je dan niet soms, zoals een Indo dat kan hebben, als in een spagaat?’
‘Soms wel, ja. Ik voel me niet altijd helemaal thuis hier. En op Bali uiteindelijk ook niet helemaal. Een oude vraag waar ik als meisje al mee worstelde komt weleens bovendrijven: wie ben ik en waar hoor ik nou eigenlijk thuis? Ik voel me in elk geval het lekkerst in gemengde woonwijken, bijvoorbeeld in een stad als Den Haag, met veel ‘Indischiteit’, zoals ik dat zelf noem.’
Na het interview wandelen we naar een Indonesisch restaurant. Ik ben geen snelle wandelaar, vrijwel iedereen loopt sneller op straat dan ik. Maar met Aafke de Jong naast me moet zelfs ik mijn pas inhouden. Het is alsof ik naast een Balinese vrouw loop. Bij het restaurant gaat ze me wel voor en duwt de deur open. Dat is weer Hollands. Wie ben je? Wat je denkt te zijn? Hoe je iets doet? Of wat je in je kunst laat zien?
Archipel Magazine’s zomernummer is een Bali Special. Voor deze gelegenheid heb ik een rol als interviewer. Ik neem zelden interviews af. Als ik het doe, dan is het nooit een opdracht maar een voorstel van mezelf. In een grijs verleden interviewde ik eens twee gitaristen: Ted Oberg van Livin’ Blues en Ton van Bergeyk, indertijd uitgeroepen tot ’s werelds beste fingerpicker. Ik interviewde ook eens een ouderwetse zetter, die handmatig partituren stempelde in een tijd waarin computers nog als UFO’s werden gezien. In deze eeuw interviewde ik Bjørn Aris, een martial artist die zich aan de kunst van het Japanse zwaardvechten wijdt. En dan nu de vijfde in een rij met enorme intervallen: Aafke de Jong, een kameleontische danser die zich beweegt tussen de werelden van Balinese en moderne westerse dans. Ze staat er mooi in. Een 5 uur durende bandopname heb ik teruggebracht tot twee pagina’s tekst. Het was leuk en leerzaam om te doen.
In het nummer staan verder artikelen over Balinese plekken waar alles nog ongerept is, voor zover dat al mogelijk is. Mooi is het stuk over een Nederlandse vrouw die een weeshuis heeft opgericht. Een ander stuk gaat over een Nederlandse vrouw die trouwt met een Balinees en zo vanzelf Balinees wordt. Er wordt dan ook van haar verwacht dat ze meedoet aan offers maken met onder meer klapperbladeren. Ze weet al bijna 14 jaar lang uitvluchten te verzinnen om zich niet met dat ingewikkelde gepruts bezig te hoeven houden. Hoezo aanpassen?
Emma Kwee, de beste columnist sinds het vertrek van de Indische columnisten, komt wat minder lichtvoetig uit de hoek dan ik van haar gewend ben. Ze beschrijft de verschrikkelijke armoede van mensen die ’s nachts onder fly-overs slapen en overdag op kruispunten hun hand ophouden. Er schijnen zelfs mensen te zijn die ledematen laten amputeren om er nog meer als een hulpbehoevende uit te zien. Haar relaas komt overigens uit Bandung.
Nico Vrielink is een Nederlandse kunstenaar die met zijn vrouw op Bali woont en mooie werken maakt. Zijn verhaal sluit goed aan op mijn vertaling van het Engelstalig essay van de Jakartaanse kunstpaus Richard Oh, die de Indonesische overheid aanvalt op een gebrek aan aandacht voor de eigen cultuur.
Een andere kunstenaar is FX Harsono, een Indonesische Chinees die in 1948 in Blitar is geboren. Op twee van zijn doeken staan familieleden van hem afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven. Ik kom hier spoedig in een volgende posting op terug.
Het ligt in de bedoeling van de hoofdredactie dat Archipel Magazine het Indische element laat varen en dat het tijdschrift zich volledig gaat richten op de Indonesische archipel en omstreken. Die overgang moet geleidelijk gaan, want er staan nog altijd flinke stukken in met een directe link naar Nederlands-Indië. Rudy Kousbroek wordt, terecht, herdacht door Kees Schepel. Het stuk van Kester Freriks over zijn vader als telegrafist bij de luchtvaart, waarin een lus wordt gemaakt naar de boeken van Madelon Lulofs, valt ook niet direct binnen de nieuwe opzet van het blad. En het verslag over Indisch 3.0 op de Tong Tong Fair al helemaal niet. Het gedoe tussen de Pasar Malam Indonesia en de Tong Tong Fair, voorheen de Pasar Malam Besar, waar veel mensen helemaal niets van snappen, past weer wél in de nieuwe opzet maar laat meteen zien dat de scheiding tussen Indonesië en Nederlands-Indië in het Nederlandse taalgebied gewoonweg moeilijk te maken is. Dat zie je ook aan een blad als Moesson, waarin allengs meer aandacht komt voor Indonesië, al ligt het accent daar duidelijk op “tempo doeloe”.
Het grootste verschil tussen de oude en de nieuwe opzet ligt tot dusver in de keuze van de columnisten. Alleen Emma Kwee en Hans Vervoort zijn overgebleven. De eerste richt zich zonder meer op Indonesië. De tweede neemt een kijkje in New York en Amsterdam voor een vergelijkend onderzoek naar corruptie in westerse en oosterse landen. De nieuwe opzet is dus nog niet duidelijk zichtbaar. Archipel Magazine is nog altijd Archipel Magazine. Zeer leesbaar, uitstekende artikelen, maar nog niet los van het Indische verleden.
Naast het genoemde staat er natuurlijk veel meer in het blad; de culinaire rubriek, allerlei nieuws, gesignaleerde boeken etc. Veel plezier met het lezen van Archipel Magazine. Het blad is verkrijgbaar bij de stationskiosken.
Op donderdagmiddag 28 mei 2009 is Alfred Birney te horen op AmsterdamFm tussen 14:00 – 15:00 uur in het programma Kunst en Cultuur. De radio-uitzending is tot twee maanden na uitzending te beluisteren op Salto Omroep Amsterdam. Klik op StadsFM Streaming OnDemand en verder via het kalendertje.
Alfred Birney komt pepers happen op IndoMania numero 3 op zaterdag 15 november aan de Lauriergracht 96, Amsterdam – nota bene schuin tegenover het voormalige huis van de door hem zo verafschuwde huilebalk Eduard Douwes Dekker, die zich in de hoedanigheid van Max Havelaar als volgt voorstelde: Ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht, No 37. Alfred Birney neemt met andere schrijvers, van wie nog niet zeker is of ze allemaal wel komen, deel aan een debat over “Indisch erfgoed”, “Indisch zijn” en “Indische cultuur”. Lizzy van Leeuwen’s boek Ons Indisch erfgoed zal ongetwijfeld de revue passeren. Tijd debat: 17:00 – 18:00 uur. All right, reserveren is aanbevolen, want de plaatsen zijn beperkt.
De invloed van de Indische cultuur op de Nederlandse blijkt zo groot te zijn, dat je beter kunt spreken van een innige vervlechting tussen beide culturen. Althans, volgens Lizzy van Leeuwen, antropologe, die in haar nieuwe boek Ons Indisch erfgoed talloze opvattingen over de Indische geschiedenis van Nederland volkomen op zijn kop zet. Dat doet ze zo overtuigend dat het weleens het belangrijkste boek over de Indische geschiedenis kan worden sinds J.J.P. de Jongs De waaier van het fortuin (1998). Daarin werd de Indische geschiedenis van 1595 tot 1950 beschreven.
Lizzy van Leeuwen neemt de afgelopen zestig jaar voor haar rekening. Voor degenen zonder voorkennis: geen zorgen, ze neemt het complete verhaal vanaf de VOC-tijd in vogelvlucht nog even door. Actueel spilpunt in haar boek is de opkomst en ondergang van het Indisch Huis. Het is een verhaal dat vooral de Haagse gemoederen zeer heeft beziggehouden maar dat gezien de diepe historische achtergronden in heel Nederland bekend zou moeten zijn. Wat ging er aan de bouw van het Indisch Huis vooraf, wat kwam erna en hoe liep het uiteindelijk af? Belangrijker nog is de vraag waarom dat Indisch Huis er zo nodig had moeten komen. Het is hier vanwaar de sporen leiden naar talloze personen, instellingen en ondernemingen.
Lizzy van Leeuwen toont zich een uitstekend gedocumenteerd auteur met oog voor detail én het grote geheel, een intelligente gedachtegang en een meeslepende schrijfstijl, die zoveel van haar wetenschappelijke collega’s ontberen. Heel Indisch Nederland, met al zijn bekende en op de achtergrond opererende figuren, komt ter sprake. Ook de vaderlandse politiek blijkt innig verweven met de Indische cultuur en het is smullen geblazen voor wie van roddels en weetjes houdt. Speels knoopt Lizzy van Leeuwen bekende en onbekende, soms ronduit hilarische feiten aan elkaar. Ze biedt de lezer een bonte kijk op het Indische leven, dat, zo blijkt, eigenlijk nooit een kwestie is geweest van onderonsjes onder Indo’s. Wat dat aangaat is haar invalshoek bijna revolutionair te noemen. Zelfs de opvatting, dat ‘Indo’s een probleem hebben’, weet ze met flair terug te kaatsten naar de bedenkers ervan. De worsteling met de naoorlogse overkomst van scheepsladingen vol Indische mensen met Nederlandse achternamen is niet aan boord van die schepen ontstaan, maar achter onze dijken en duinen. Vanzelfsprekend is de conclusie dat het niet alleen een boek is voor Indische mensen maar ook, of misschien wel juist voor Hollanders, ofwel autochtonen. Welke Hollanders dan? Wat te denken van geschiedenisleraren, ambtenaren, schrijvers, journalisten en webloggers. Als die de Nederlandse geschiedenis in een groter kader leren zien en niet angstvallig in een hoekje blijven zitten, dan kan Nederland zich, bevrijd van allerlei taboes, met al zijn ervaring eens met flair in het internationale culturele debat mengen.
Ik was niet vooruit te branden gisteren. Om mijn tijd toch zo nuttig mogelijk te besteden belde ik een ex-vriendin van mijn zieke vriend en vroeg haar of ze zin had om nog eens voor die jongen te koken. ‘Ja natuurlijk,’ zei ze: ‘dat hadden we toch afgesproken?’ Ik maakte haar duidelijk dat die Hollandse afspraakcultuur, waar wij zo aan gewend zijn (ik mail wel wanneer ik schrijf wanneer ik bel voor een afspraak), niet de snelheid heeft waarmee de kanker voortwoekert in het lijf van haar ex-geliefde. ‘Ja maar hij doet ook helemaal niks hè?’ zei ze. ‘Hij is zo zelfdestructief, hij doet helemaal niks hè?’ Ik probeerde haar duidelijk te maken dat iemand met een ernstige vorm van kanker helemaal de energie niet heeft om ook maar íets te proberen. Het leek er even op dat ze het begon te begrijpen. Maar toen zei ze: ‘Hij belt ook niet op hè, om wat te vragen.’ Dat kwam me bekend voor. Je komt een ziekenhuis uit, waar ze met autobussen naartoe kwamen om je te bezoeken, maar ben je eenmaal thuis dan gaan ze wachten tot je belt. Dat doe je dan een paar keer. De een zit net in een verhuizing, de ander heeft relatieproblemen, een derde wil wel afspreken voor over twee weken. Wat mensen die daadwerkelijk langskomen gemeen lijken te hebben is dat ze zelf ooit zware tijden hebben doorstaan. Ik heb die ex-vriendin uiteindelijk maar gezegd dat als ze nou echt nog een keertje iets aardigs voor haar ex wil doen – gewoon een keertje koken, een babbeltje, als het niet te veel is gevraagd – dat ze voort moet maken. Straks staat ze te grienen bij zijn kist. En dan zal ze hem nóg de schuld geven, omdat hij vergat te sms’en wanneer ie sterven zou.