Feuilleton Doelwit Den Haag

logo den haag feuilleton Zondag 5 september begint het Haagse culturele seizoen. Tijdens het Haags UIT Festival geven theaters en andere culturele instellingen rond het Lange Voorhout en het Spuiplein gratis voorproefjes van de voorstellingen die ze komend seizoen op het programma hebben staan. De Centrale Bibliotheek pakt groots uit op het nieuwe podium op de eerste verdieping. Het evenement Huilen in Den Haag gaat er van start met onder meer de presentatie van het gebundelde feuilleton Doelwit Den Haag, en exposities rond het thema.

Een flink aantal Haagse auteurs heeft vanaf de eerste week van juni samen een feuilleton geschreven in de Weekkrant Den Haag Centraal. Doelwit Den Haag gaat over een aanslagpoging tijdens de tweede Afghanistanconferentie in Den Haag en speelt zich af op tal van plekken in de Hofstad. Het feuilleton was de opmaat naar Huilen in Den Haag, een nieuw evenement met ‘leed met een knipoog’ als uitgangspunt. Het feuilleton wordt vandaag afgesloten met een optreden van een aantal deelnemende schrijvers en de presentatie van de gebundelde afleveringen.

Op het programma van zondag 5 september: Schrijvers aan het woord, 15.00 – 16.00 uur. Presentatie bundel 16.20 uur

Deelnemende schrijvers
De Haagse schrijvers die samen met Tomas Ross, de bedenker van de verhaallijn, aan dit feuilleton meewerkten: Tomas Ross, Anja Sicking, Jill Stolk, Marcel Verreck, Roel Janssen, Alfred Birney, Hans Sahar, Sjaak Bral, Menno Lindeman, Christiaan Weijts, Mohana van den Kroonenberg, Victor Meijer, Kees ’t Hart en Marly van Otterloo.

Doelwit Den Haag

logo alfred birney weblog Ik heb nog nooit iemand een ander overhoop laten schieten, in mijn proza welteverstaan, althans niet zo koelbloedig als in mijn bijdrage aan het schrijversfeuilleton dat deze zomer speelt in Den Haag Centraal. In mijn verhalenbundel Fantasia gebeurt wel zoiets, in het verhaal De huurmoordenaar, maar dat is geen misdaadgenre. In Den Haag Centraal staat deze week mijn bijdrage aan het schrijversfeuilleton Doelwit Den Haag. De opmaker heeft wat moeten goochelen om de tekst passend op een hele bladzijde te krijgen. Hierdoor zijn wat alinea’s weggevallen. Maar het verhaal is wel te volgen en de illustratie is geweldig: een gangster, een pistool in de ene, een schaaltje haring in de andere hand. Er is weliswaar een fout ingeslopen door het heen-en-weer mailen met een redacteur. In de oorspronkelijke versie staat ergens dit:

‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de man op de voorbank. Als je wilt dat die jongen blijft leven, werkt dan mee. Wil je dat hij sterft, met jou erbij, weiger dan elke medewerking. Hier is je tekst, leer die uit je hoofd.’

Er is “werkt” blijven staan omdat ik “u” schrapte uit “werkt u”. Typische nalatigheid door het schrijven op een pc. Na wat redactioneel commentaar komt het volgende er te staan, maar de echte fout wordt er niet uitgehaald:

‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de man. Als je wilt dat hij blijft leven, werkt dan mee. Wil je dat hij verdwijnt, met jou erbij, weiger dan elke medewerking. Hier is je tekst, leer die uit je hoofd.’

Na een tweede ronde staat er:

‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de baas. Als je hem terug wil zien, werkt dan mee. Hier is je tekst, leer die snel uit je hoofd.’

Na de derde ronde wordt het:

‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de baas. ‘Als je hem terug wil zien, werkt dan niet meer. Hier is je tekst, leer die snel uit je hoofd.’

Ten slotte staat er in de krant:

‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de baas. ‘Als je hem terug wil zien, werk dan niet meer. Hier is je tekst, leer die snel uit je hoofd.’

Omdat de fout er niet is uitgehaald, moest de corrector of eindredacteur er maar een slag naar slaan. Dit kan gevolgen hebben voor de auteur die na mij komt. Hij of zij zou kunnen denken dat de heldin niet meer naar haar werk durft te gaan. Voor het verloop van het feuilleton maakt het weinig uit: dat is sowieso ongewis. De editie van Den Haag Centraal is nog vier dagen in de losse verkoop te krijgen, voor zover ik weet alleen in Den Haag. Een abonnement nemen kan ook.

Huilen in Den Haag

logo den haag feuilleton De Tong Tong Fair, waar ik mijn jongste novelle Rivier de Lossie had zitten signeren, was nog niet afgelopen of ik zat in een totaal andere Haagse sfeer: die van de misdaadroman, conspiracy stuff rond politiek and all that:

Het jaar 2010 zal vermoedelijk bekend worden als een roerig jaar in de Haagse geschiedenis. De politiek lijkt steeds meer het domein te worden voor populistische sentimenten. Blijft Den Haag de trotse stad voor Internationaal Recht en Vrede, of wordt het een stad waarin scheidslijnen haarscherp langs etnische of religieuze kenmerken worden gelegd? Wordt het huilen in Den Haag, of valt er ook nog wat te lachen? De krant Den Haag Centraal laat een estafettefeuilleton verschijnen waarin door verschillende auteurs, ieder op eigen wijze, over het Haagse lief en leed kritisch, humoristisch, literair, met een knipoog naar de actualiteit, als een pastiche of in welke andere vorm dan ook, wordt verhaald. Het verhaal speelt in Den Haag, met veel topografie, en alle emoties zitten er in: verdriet, woede, vreugde, romantiek, verraad en – wie weet – ook nog moord en doodslag.

Wekelijks verschijnt er een aflevering in Den Haag Centraal met een lengte van 1500 woorden. De afleveringen worden zonder auteursnaam gepubliceerd. Wel worden de namen van alle deelnemende auteurs wekelijks vermeld. Dit is voor de aan het estafettefeuileton gekoppelde publiekswedstrijd, waarbij men aan de hand van stijlkenmerken en dergelijke tracht vast te stellen wie de auteur van de week is. De hoogste eindscore wordt beloond met een prijs. Reeds verschenen afleveringen worden later wel met auteursnaam gepubliceerd op de website van Huilen in Den Haag. Het estafettefeuilleton zal worden gebundeld en in alle Haagse boekwinkels te koop zijn tijdens het evenement Huilen in Den Haag.

Parallel aan het feuilleton loopt een beeldwedstrijd. Bekroonde inzendingen worden periodiek in Den Haag Centraal gepubliceerd en zullen later in de Affiche Galerij in de tramtunnel en de Centrale Bibliotheek aan het Spui worden geëxposeerd.

De climax wordt een groot feest voor auteurs en publiek in de Centrale Bibliotheek aan het Spui. Het feest vindt plaats tijdens het UIT-weekend ergens in het najaar. Tijdens dit feest zal het boek met daarin de verzamelde afleveringen van het feuilleton worden gepresenteerd en de expositie van de bekroonde inzendingen van de beeldwedstrijd worden geopend.

Voor het estafettefeuilleton was ook ik gevraagd voor het schrijven van een aflevering. Het brein van het vooraf bedacht plot is Tomas Ross en ik en mijn collega’s hebben dan ook een nogal ingewikkeld slot voorgelegd gekregen. Ik had gevraagd mij zo vroeg mogelijk op de kalender te zetten, zodat ik kon ontsnappen aan allerlei losse eindjes die voorgaande auteurs laten liggen, want ja: daar kun je op wachten. Maar dat is ook wel de sport natuurlijk, je tekst zo goed en kwaad als maar mogelijk zo schrijven dat het verhaal goed blijft lopen. Ik was onlangs aan de beurt en moest wat troep opruimen van mijn voorgangers. Sommigen hadden zich er makkelijk vanaf gemaakt door de hoofdpersoon met veel introspectie rond te laten dolen. Dat had ik eigenlijk ook gewild, maar na een aantal (geplande) afleveringen dreigde het verhaal aan spanning en actie in te boeten, dus ik heb maar even wat bloed, seks, kidnapping en vaart in mijn aflevering gestopt. Ik heb nog nooit iemand een ander met een revolver overhoop laten schieten, maar nu ik dat heb laten gebeuren kan ik dat ook weer op mijn lijstje van fictionele ervaringen zetten. Benieuwd of mijn tekst er zonder redactionele verminkingen in komt te staan.

De gevraagde auteurs zijn verder Wim de Bie, Sjaak Bral, Bart Chabot, Inez van Dullemen, Mensje van Keulen, Yvonne Keuls, Kees van Kooten, Roel Janssen, Tomas Ross, Helga Ruebsamen, Kees Ruys, Hans Sahar, Jan Siebelink, Nicolette Smabers, Jill Stolk, Marcel Verreck en Lulu Wang. Wie er uiteindelijke allemaal meedoen is mij niet bekend.

De eerste aflevering, van Tomas Ross, verscheen in Den Haag Centraal op woensdag 26 mei 2010.

Noten lezen geen verraad meer

Op gevoel (7) Noten lezen geen verraad meer

notenschrift Vraag een bejaarde Indo hoe hij speelt en het klassieke antwoord luidt: ‘Op gevoel. Je moet spelen op gevoel.’ Vraag hem welke akkoorden hij pakt en hij zal zeggen: ‘Ik weet niet, als maar klinkt ja…’

Davey was in die tijd ook zo. Als ik met potlood en kladblok in de hand aan hem vroeg een akkoordenschema te dicteren, dan zei hij dat hij ook niet precies wist hoe al die akkoorden heetten. Zo liet hij mij gefrustreerd achter. Was ik niet muzikaal genoeg om zomaar voor de vuist weg te spelen of miste ik een basis? De directie van het tehuis wees een verzoek van mij om op gitaarles te mogen van de hand: ‘Komt toch niks van terecht.’

Er woedde een levendige ruilhandel in liedjes met akkoordenschema’s op school. Het waren liedjes uit de hitparade, nu en dan iets van een Indo-zangeres of een band waarin de een of andere verdwaalde Indo speelde. Als het zo was dat de Indo’s de gitaarmuziek populair maakten in de jaren vijftig, dan waren ook zij het die als eersten de slag misten naar een commerciële carrière. Indo’s waren – zo zou ik later leren – feitelijk de échte muzikanten, die alleen aan spelen denken en al het overige aan anderen overlaten. The Tielman Brothers vonden hun optredens in Duitsland belangrijker dan een commercieel circus in Amerika rond de gitaren van meneer Fender. Hollanders waren anders, die leken in plaats van plectrums guldens te hanteren bij het aanslaan van de snaren.

Hollandse muzikanten zouden ook nooit zeggen dat ze bij god niet wisten wat voor akkoorden zij speelden. Zij wisten het. Net als mijn grootvader van moederskant, een Brabantse schoenmaker die in zijn vrije tijd feestjes opluisterde met zijn orkestje. Hij speelde viool en accordeon en kon noten lezen.

‘Echt waar, mam? Kon hij noten lezen?’

‘Ja, natuurlijk kon hij noten lezen!’

Ik raakte in een muzikaal gewetensconflict. Moest ik nou de Indo gaan uithangen die nonchalant zei dat hij ‘op gevoel’ speelde, of moest mijn imago dat van de noten lezende muzikant worden?

De grote broer van Davey zou als voorbeeld gaan dienen. Hij speelde Bach op de gitaar en bezocht het conservatorium in Den Haag. Ik nam les bij hem en schiep er genoegen in dat geheimschrift van vlaggetjes, stokken, punten, herstellingstekens, kruizen en mollen te leren doorgronden. Maar ik hield het niet lang vol: de folkmuziek van Britse gitaristen klopte aan de deur en wist een restje Schotse genen in mijn lijf heftig in beroering te brengen.

Terug in Den Haag maakte ik Amerikaanse vrienden, bezocht met hen folkcafé na folkcafé en zag er onooglijke muzikanten zonder enig sex-appeal prachtig spelen op hun gitaren. Zonder plectrum lieten ze de bassen dansen en de hoge snaren twinkelen. Ze bezongen de liefde uit vervlogen tijden, flink geworteld in hun cultuur, de voeten lekker diep in de modder, en ze begrepen er niets van dat ik als ‘Dutchman’ geen enkel maar dan ook geen enkel Hollands lied ten gehore kon brengen.

Oh well…

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

De gitaarrevolutie

Op gevoel (5) De gitaarrevolutie

fender stratocaster In Amerika woonde een man die de achternaam Fender droeg. Ook hij keek naar gitaren, maar met een revolutionair oog en zag uiteindelijk niet meer dan een stuk hout met een hals, bespannen met zes snaren. Hij bedacht dat als je het geluid elektrisch versterkte, je helemaal geen holle klankkast nodig had. Fender degradeerde de gitaar tot een plank, waarin hier en daar sleuven zaten voor de elektronica. De hals werd met een paar schroeven aan de plank vastgeschroefd en voor de stemmechanieken vond hij een enkele rij wel genoeg. De Fender-gitaar was geboren, het goedkoopste stuk rotzooi uit de gitaargeschiedenis, maar met een unieke vorm en futuristisch geluid. Elke Indo-rocker werd verliefd op de glanzende Fender Stratocaster, een gitaar waarmee je heerlijk kon showen. Indo-rockers, met The Tielman Brothers als trendsetters, waren latere beroemdheden als Jimi Hendrix en Eric Clapton vooruit. Lang voor Jimi Hendrix speelde Andy Tielman al met zijn tanden. Lang voor Eric Clapton vertolkte Andy Tielman al ballads. En Paul McCartney kreeg gitaarles van Andy Tielman in de vieze kleedkamers van het nachtclubcircuit van Duitsland, nog voordat The Beatles waren geboren.

De Tien Geboden der Muziek werden compleet ondersteboven gehaald. Gebod nr 1 werd: Een gitaar moet glanzen. Gebod nr 2: Een band moet sex-appeal hebben. Gebod nr 3: Ongeacht de moeilijkheidsgraad van het repertoire moet een band voortdurend in beweging zijn op het podium.

Voor roem kenden Indo’s stellig geen gebod. Roem veronderstelt een mentaliteit.

The Tielman Brothers kregen een lucratief contract van de Fender Company aangeboden om reclame voor die ‘planken’ te maken. Maar ja, een Indo was een Indo en morgen was er weer een dag. The Tielman Brothers speelden al in Duitsland, Nederland was veel te klein voor ze en Amerika kon nog wel even wachten. Maar Amerika wachtte niet. The Tielman Brothers hadden net zo beroemd kunnen worden als de Fender-gitaar en misten de grootste kans uit de geschiedenis van de Indorock.

De rest van de wereld zat niet stil. Engelse en Amerikaanse bands bespeelden ook die Fender-planken, maar anders. Hoe? Het verschil lag in timing. Indo-muzikanten speelden nooit op de tel, ze dansten rond het strakke stramien van de vierkwartsmaat, zo verschillend van die Engelsen en Amerikanen, die met strak spel de wereld zouden gaan veroveren.

Indo-muzikanten die met hun Hawaiian-muziek nergens in Nederland meer terechtkonden, althans niet op de grote podia, probeerden hun geluk in Amerika. Tevergeefs. Hawaiian-muziek had afgedaan. Krontjong was in Indonesië achtergebleven. Indo’s wilden dat niet weten, maar het was een feit. Welke Hollander luisterde trouwens naar zoiets als krontjong?

Indo-muzikanten raakten meer en meer aangewezen op de Indische podia, de Indische feestjes doorheen het land, de Pasar Malam in Den Haag voorop. Marginaal werd hun rol, maar minder puristische Indo’s sloten zich aan bij Hollandse bands. En andersom: Hollandse jongens kwamen in Indo-bands spelen. Een mooi symbool voor het einde van de beruchte raciale vechtpartijen, waarachter vaak jaloezie speelde van Hollandse jongens om het geflirt van hun meisjes met Indo’s.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Wat voor gitaar heb je?

Op gevoel (4) Wat voor gitaar heb je?

radio Veel foto’s van gitaarspelende mensen uit de jaren vijftig en zestig verraden aan het kennersoog goedkope klankkasten van triplex, kromgetrokken halzen en snaren die pas werden vervangen wanneer ze braken. De snarenfabricage had nog niet die fijnzinnigheid van nu, je kon ze nog niet in verschillende maten kopen, ze waren stug en door de slechte gitaarhalzen lagen ze vaak hoog boven de toets. Gitaar leren spelen had iets van atletiek, je moest krachtige vingers kweken wilde je ooit in staat zijn een barré-akkoord te pakken, dat wil zeggen met een gestrekte wijsvinger zes snaren tegelijk indrukken. Wie dát kon, wie dát liet zien, was in ieders ogen bijkans virtuoos.

Gitaren hingen tuttig met een koord rond iemands nek, soms gewoon met een stuk padvinderstouw, die striemen achterliet in de hals van de gitarist. Amateurisme lees je af aan hoe de vingers van de rechterhand over de kast werden gelegd, soms met de vingertoppen rond de zijkant gekromd. Toch klonk de muziek goed, als mijn herinnering me niet bedriegt.

De zelfbewuste gitarist liet zijn gitaar klinken vanuit elke houding, bij voorkeur nonchalant met een blasé smoelwerk achteroverhangend in een luie stoel. Dat waren de vingervlugge jongens naar wie je bijna niet durfde te kijken, zó goed speelden ze vergeleken met al die andere Indo’s, die zonder uitzondering gitaar speelden of voordeden dat ze het konden.

Waar mijn broertje en ik op letten wanneer we een foto zagen van een Indo met gitaar: speelt hij de akkoorden alleen bovenaan bij de kop van de gitaar of laat hij zijn vingers ook in de hoogste regionen dicht bij de klankkast jongleren? Dat laatste was toen een teken van virtuositeit. Wanneer Indo’s met de gitaar op de foto gingen, zorgden de showbinken ervoor dat ze hun vingers hoog onderin lieten dansen, een beetje wegkijkend van de camera, de gedachten elders om elke schijn te mijden dat hier werd geposeerd.

De besten speelden jazz. Die grepen akkoorden die vreemd waren en duister klonken. Dat deden de oudere Indo’s, die zich het liefst stilletjes in een achterkamer met alleen hun gitaar terugtrokken.

De radio liet op de zondagochtenden dixieland uit de polder horen. Het was moeilijk een buitenlandse zender te vinden waarop je de gitaar in haar volle glorie kon horen. Mijn vader klaagde erover. Hij sprak niet alleen van krontjong, maar bovenal van Hawaiian-muziek. Ze schenen ook in Den Haag te zitten, een paar van die Hawaiian-orkestjes, waarin vaak vrouwen een vooraanstaande rol opeisten, de gitaar plat op schoot, de snaren beroerend met een lipstickkoker als ze geen flessenhals of metalen bar hadden. Ik kreeg ze nooit live te zien, maar wanneer ik eens een Hawaiian-nummer op de radio hoorde, viel mijn mond open om al het moois dat je met een gitaar kon doen.

Terwijl vriendjes en kennissen in gevecht waren met hun instrumenten, toonde mijn vader weinig oog voor hun geploeter. Hij had een gitaar en droomde van Amerika. Ik had een speelgoedauto met een afgebroken wiel en droomde van een gitaar.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Unfolding & Ketuk Tilu in De Regentes

De tekst die ik schreef voor Gerard Morsterds Ketuk Tilu krijgt een tweede leven, met uiteraard de voorstelling erbij. Literatuur en dans vinden elkaar niet snel, dus deze voorstelling is op dat punt al heel bijzonder. Amsterdam is onlangs door de dansgroep aangedaan. Nu volgt Den Haag op vrijdagavond 19 februari in Theater De Regentes. Hieronder een fragment uit Ketuk Tilu Revisited.

N.B. De voorleesstem is niet van mij. De Indonesische tekst aan het eind is een variant van de choreograaf.



Alfred Birney op Tong Tong Fair

Op zondagmiddag 31 mei 2009, 16:00 – 18:00 uur, neemt Alfred Birney neemt deel aan een forum over Tjalie Robinson. Plaats: Tong Tong Festival: Malieveld, Den Haag.

Pasen

hat logo meneer b Pasen is koud in Den Haag. Het algemene weerbericht is zelden van toepassing op de plaatsen direct aan de kust. Een vriend sms’t me dat het in Utrecht stralend weer is. Tweede Paasdag is al net zo saai als de Tweede Kerstdag. Gelukkig woon ik in een multiculturele buurt. Multiculturele samenlevingen zijn een zegen. Kijk maar over duizend jaar, dan is de hele wereld multicultureel. Turkse moslims hebben vandaag hun winkels open. Ze lijken op de Hollandse kruideniers uit de zestig. In een zelfbedieningszaak spreken klanten Engels, Duits, Pools, Hongaars, Turks, Nederlands en nog wat, Servokroatisch of zo. Oost-Europese vrouwen dragen petjes en lange getailleerde jassen, ze zijn vaak wat fragieler dan Hollandse vrouwen. Ze durven nog steeds niet naar andere mannen te kijken, zijn verlegen. Een Indonesisch meisje vroeg me in het Engels of ik haar wilde helpen met het uitkiezen van bloem. Ze zocht gewone bloem. Voor cake, roti kukus iets. Haar vriend was blank, lang, misschien Zweeds.

Het verloren lied 1

radio-antenne Ik hoorde ooit een lied en ben het altijd blijven zoeken. Misschien hoorde ik het op een van die avonden nadat mijn grootvader was vertrokken, ik weet het niet. De laatste keer dat hij scheep ging was aan de vooravond van 1960, in een vreemd huis ergens in de buurt van de haven. We logeerden er rond de jaarwisseling, maar mijn ouders waren uitgegaan. Mijn grootouders hielden de gastheer en gastvrouw beneden gezelschap en ik lag onder een wollen deken op een divan in een halfduistere kamer met om me heen de spookachtige silhouetten van voorwerpen die bij oude mensen hoorden.
     
Een buizenradio verspreidde zijn zachte gele licht. Zijn geruis herinnerde aan een Nederlandse zender die met een sluitingsmelodie van verontrustend eentonige carillonklanken de ether had verlaten. De glazen zenderplaat met zijn toverachtige muizentrappen vol namen van grote radiostations lokte me, maar ik durfde de divan niet af in de vreemde kamer. Ten slotte kwam mijn grootvader boven kijken en zag dat ik nog wakker lag.
     
De man reikte me zijn oude, gebruinde hand en leidde me naar een rookstoel bij het raam. Hij ontstak het schemerlampje op de radio en liet me bij zich op de brede stoelleuning zitten. Achterover geleund fluisterde hij dat ik de laatste uren voor middernacht beslist wakend moest meemaken.
     
Het licht van de radio legde de groeven in zijn gezicht bloot. Men zei dat je kon zien dat hij vaak in de tropen was geweest. De pianist was aan wal geweest, had thuis in Den Haag verlof gevierd, maar hij miste de deining alweer van de zee, de geur van de danszalen op de schepen, het applaus van de passagiers en misschien miste hij nog meer, heel ver overzee.
     
Hij neuriede wat en begon met de knoppen en de toetsen in de grote houten lijst van het radiotoestel te spelen. Ik volgde de kalme bewegingen van zijn tanige vingers. Zijn vingertoppen streelden de ivoren toetsen van de golfbanden met hun confetti van namen en getallen, en hij begon zachtjes te praten. De lange golf noemde hij een lege balzaal, de korte golf een eng doolhof. Ik moest maar op de middengolf zoeken, de brede boulevard. Daar werd het `s avonds druk en spannend en kon je op de zwakste zenders gaan jagen: die waren eigenwijs en brachten je vaak de mooiste muziek. De Nederlandse zenders moest ik overslaan, de buitenlandse waren beter. Als mijn vader eens een wereldontvanger op de kop tikte, wie weet vond ik dan ooit een zender uit een land waar hij, grootvader, toevallig verbleef.
     
Hij zou teruggaan naar Indonesië, voor de laatste keer, al was het land niet meer als toen. Sinds de oorlog was het Indië niet meer, zei hij, de mensen waren niet meer zo gastvrij. Maar hij zou nog één keer gaan, op uitnodiging, en dan nooit meer. Als hij terugkwam zou hij zijn oude koffer vol bladmuziek met tango’s openmaken en er Scheveningen mee gaan veroveren.
     
Hij, grootvader Langenacht, hield van Indië maar droomde van Argentinië. Mocht ik eens een tango op de radio horen, dan moest ik maar aan hem denken.
     
Ik knikte.
     
En wilde ik hem beloven later piano te gaan spelen?
     
Ik knikte weer maar voelde me vreemd ongerust.
     
‘Maak je geen zorgen,’ zei hij, ‘als muzikant ben je nooit alleen, zul jij nooit alleen zijn later. Maar bij de radio kan een mens beter wel alleen zijn.’
     
Hij kwam uit de rookstoel en deed iets wat hij nooit gedaan had: hij kuste me op mijn voorhoofd. Toen ging hij weer naar beneden.
     
Ik voelde me een ingewijde en begon omzichtig met de toetsen te spelen, liet bijna vroom de zenderstaaf dwalen langs de zenderschaal. Soms, tussen twee grote zenders weggedrukt, klonk een lied vol heimwee. Dan bewoog ik de afstemwijzer zachtjes heen en weer om te voorkomen dat de muziek wegstierf en vroeg me af hoe dat lied van toen ook weer had geklonken.
     
Ik was het liefst de hele nacht in de rookstoel blijven zitten, met de geur van grootvader om me heen, maar ik werd weggeroepen van de radio door mijn teruggekeerde ouders van beneden aan de trap.
     
Het grote licht in de huiskamer deed me pijn aan de ogen. Mijn ouders, grootmoeder en de heer en mevrouw des huizes vormden een kring rond de salontafel om te proosten op het nieuwe decennium, de jaren zestig, een getal dat een geheimzinnig aanlokkende klank voor me had.
     
De klok sloeg twaalf en de lucht werd versierd boven de daken van IJmuiden. Een lichtkogel trok een streep tussen de kleurige anemonen en hoepelrokken hoog boven de haven.
     
Ze vroegen me of ik het mooi vond, het geknal en gekanonneer in de verte. Ik knikte maar vroeg me aldoor af of grootvader werkelijk naar bed was gegaan, zoals ze hadden gezegd. Misschien zat hij met zijn oor bij de radio en zou hij dat de hele nacht blijven doen.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek